Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 34
Mevrouw Van Raat had dokter Reijer geschreven en Reijer was Eline komen opzoeken. Zij hadden elkaar als oude kennissen begroet en over verschillende onderwerpen aangenaam gecauzeerd. Daarbij was het gedurende die eerste visite gebleven, want Reijer had aanstonds bespeurd, dat Eline hem in zijne qualiteit van geneesheer zoo min mogelijk zou dulden. Mevrouw Van Raat, die bij dit bezoek tegenwoordig was geweest, had geen grooten indruk ontvangen van de degelijkheid van dat nette doktertje, dat over Spanje en Parijs sprak en slechts voor de conversatie scheen gekomen te zijn. Toen Reijer twee dagen daarna zijn bezoek herhaalde, ontving zij hem eenigszins koel. Toch trof het haar, hoe zijne vriendelijke oogen met een scherpen blik een oogenblik doordringend op Eline rustten, en daarna met zekere gemaakte onverschilligheid rondtuurden, of tot Eline opzagen, als dacht hij aan geheel iets anders, dan aan heure ziekte. En mevrouw Van Raat verbeeldde zich, dat hij zijne visite maakte, alleen voor dien éénen, onderzoekenden blik. Wellicht had hij niet meer noodig voor het oogenblik en wilde hij Eline zoo min mogelijk lastig vallen. Toen liet mevrouw patiënte en dokter alleen. Reijer steeg hooger in haar gunst, toen Eline haar, nadat hij vertrokken was, verhaalde, hoe Reijer haar zeer nauwkeurig had onderzocht. Hij had dan wel spoedig zich meester van Eline getoond, dacht mevrouw. Zij ried als het ware Reijers vaste wilskracht onder zijne elegante vormen en wilde nu ook gaarne aan zijn kennis gelooven. Bij de derde visite, nadat hij Eline verlaten had, sprak zij hem even alleen. Zij vond hem in dat onderhoud eenvoudig en beslist. Hij zeide ronduit, dat hij haar niet wilde misleiden, dat hij haar de waarheid wilde mededeelen. Hij had bij Eline een kiem van longtering ontdekt, als het gevolg eener zware koude, die te licht geteld was geworden na een momenteele genezing. Hij zou die kiem met al zijn wetenschap, al zijn zorg zoeken te verdelgen. Maar verder zag hij in Eline iets, wat hij het noodlot der familie kon noemen. Eline's vader had dat gehad, Vincent had dat. Het was een zielstorende verwarring harer zenuwen, die de verwarde snaren van een gesprongen en ontredderd speeltuig gelijk waren. Hij wilde zichzelven niet meer wetenschap toekennen, dan hij bezat, hij vermocht die snaren niet opnieuw te spannen en te stemmen, tot zij harmonieus zouden klinken. De fijne vezelen eener bloem, die te ruw beroerd was, vermocht hij niet frisch sap en kracht toe te voeren. Mevrouw zou dat zelve beter kunnen dan hij. Zij zou de bloem kunnen verzorgen; zij zou Eline zóó zacht in liefderijke genegenheid kunnen aantasten, dat zij snaar voor snaar voorzichtig mocht pogen te herstellen! Kalmte, genegenheid waren geneesmiddelen, die Eline nu behoefde; verder, met den winter, een zachter klimaat dan Holland.
En hij sprak zelfs niet over de kinadroppelen, die hij Eline had voorgeschreven.
Mevrouw Van Raat hoorde hem met tranen in de oogen aan. Toen hij vertrok, drukte zij hem innig de hand, vol sympathie. Maar de taak, die hij haar opgelegd had, woog zwaar op haar zwakke schouders, ook al wilde zij zich aan Eline wijden. Zij vreesde, dat Reijer aan haar liefde voor het arme kind te groote kracht toeschreef; zij vermoedde, dat er andere liefde noodig zou zijn om nog melodie aan die ontstemde ziel te onttokkelen.
Eline echter had zich weder aan Reijer gewend en verlangde tegenwoordig naar zijne visites.
De dagen gingen haar met zachte rust voorbij. Zij bleef veel thuis, hoewel Reijer haar steeds aanspoorde te wandelen, vooral in den vooravond, opdat zij beter slapen zou. Maar zij gaf er de voorkeur aan met mevrouw op de veranda thee te drinken, neêrgezonken in een grooten, rieten leunstoel, terwijl zij in het verbleekte blauw van den hemel de sterren een voor een zag ontluiken, als heldere madeliefjes. Zij sprak niet veel, want mevrouw stuitte haar altijd vriendelijk in de vaart harer zenuwachtig voorthollende verhalen en zij vond het heerlijk, zoo gestuit te worden en zweeg lang stil, hare oogen steeds naar de sterren gericht; Paul dronk soms, op de ballustrade gezeten, even een kopje meê, en hij leerde haar achteloos een paar sterrebeelden: den Groote Beer, Cassiopeia, de Lier; hij zou haar morgen eens zijne sterrenglobe toonen. Wanneer hij dan vertrokken was, zocht zij die beelden opnieuw in den hemel op en het was haar, als goten zij een zachten glans in hare ziel uit.
II.
Het was, na een warmen Julidag, een lange, lichte avond en zij herinnerde zich een dergelijken avond, een paar jaar geleden, op de Horze. Lang zat zij met mevrouw op de verandah, tot "moesje", die wat moe was, vroeg naar bed ging. Ook Eline trok zich terug in hare kamer. Zij sloot hare vensters, ontkleedde zich en legde zich te bed. De schijn van een nachtlampje blonk zacht over de schaduwen in het vertrek heen en de valgordijnen voor de deurvensters waren hel van het licht der rijzende maan. Eline sloot de oogen om te slapen.
Het scheen haar echter, of heur geest, trots die gesloten oogen, in plaats van in de dofheid der sluimering te zinken, klaarder en klaarder werd. Een bonte, onlogische dwarreling van gedachten en herinneringen nevelde in haar op; de eene seconde was zij in Spanje, de volgende schertste zij met Elize te Brussel, de daarop volgende omhelsde zij Betsy, die haar met Ben aan de hand tegemoet kwam. De melodie, die zij te Madrid van een liedjeszangster gehoord had, suisde haar in de ooren, terwijl een Moorsche ruïne tusschen de oranjeheesters en citroenboomen even voor haar blik verrees. Een diner bij de Moulangers flitste haar door den geest, daarna een rijtoer in den avond, in de omstreken van het kasteel der Des Luynes, daarna eene consultatie met hare doktoren te Parijs. Het gelaat van een haveloozen bedelaar, die haar in Nice verschrikt had, zag haar plotseling dreigend aan. En met iedere seconde wisselde het vizioen van omgeving en van personen.
Zij wierp het laken, dat zij over zich heen had getrokken, van zich af, want een klam zweet parelde op heur gelaat en op haar hals. Doffe geluiden troffen de geprikkelde zenuwen van heur gehoor en verschrikten haar. Haar horloge tikte haar eensklaps hel in het oor, terwijl zij het eenige minuten te voren in het geheel niet vernomen had; het hout van een kast kraakte, een nagel scheen zacht over het behang te krassen. En eensklaps klonk buiten, als een wanhopige kreet van eene keel, die geworgd wordt, het gekraai van een haan, zoodat Eline's adem stokte van angst....
Zij wierp zich met een zucht om, opende hare oogen en streek zich met heure hand de vochtige haren van het voorhoofd. Zij zag vlak in het glas van haar psyché en in den spiegel viel de weêrkaatsing van het verlichte valgordijn, als een bleeke schim. Hare muiltjes, die voor het bed stonden, troffen haar blik en zij verbeeldde zich, hoe zij zou ontstellen, wanneer zij eensklaps eene hand, van onder haar bed, ze zou zien weggrijpen. Omdat de schaduwen, die de schijn van het lampje niet verdreef, als zwarte beesten door de kamer schenen rond te sluipen, sloot zij opnieuw de oogen.
Maar de slaap daalde niet op ze neder en Eline gevoelde zich, trots de duisternis voor haar blik, klaar, klaar wakker. Het werd haar zelfs, of zij steeds wakkerder en wakkerder werd. Het gekraak van het hout vermenigvuldigde zich, het gekras van den nagel werd scherper en ieder oogenblik verwachtte zij de beweging der hand te zullen hooren, die hare muilen wilde grijpen. Het angstzweet brak haar uit, toen zij de oogen weêr opende en een paar onderrokken op een stoel zag hangen; het scheen als lag over dien stoel een wit lijk geworpen!
Roerloos, zonder zich zelfs te durven omwenden, bleef zij met vergroote oogen en open mond op het lijk staren en zij meende, dat het lijk bewoog....
Het was haar eene verademing van rust en veiligheid, toen zij in de stilte buiten hare kamer, het geknars hoorde van een sleutel in het slot der huisdeur. Het was Paul, die thuis kwam.... en zij volgde zijn stap, dien hij dempte, en die de trap voorzichtig opsteeg, zij luisterde, hoe hij over het portaal sloop, den knop van zijn deur omdraaide... Daarna hoorde zij, hoe hij zijn laarzen buiten zette en de deur sloot. Daarna.... werd alles stil.
Eline vatte eenigen moed uit de zekerheid, dat Paul dichtbij sliep; zij zag, dat het lijk een hoop rokken was en zij stond in eens vlug op, nam het lampje en keek onder heur ledekant: er was geene hand te zien. De lamp, die zij weêr op tafel wilde zetten, deed echter zwarte beesten, de schaduwen, somber door de kamer krioelen en zij wierp zich, rillende van vrees, opnieuw in de lauwe, verwarde lakens. En zoodra zij weêr te bed lag, was de hand er weêr, onder het ledekant.
Hoe zij zich ook dwong aan niets te denken en te slapen, zij bleef wakker. Sombere vermoedens maakten zich van haar meester. Mevrouw Van Raat zou spoedig sterven, meende zij, en zij stelde zich voor, in eene verwarring van onlogische tafereelen, hoe het geschieden zou. Eene langdurige ziekte, zooals tante Vere gehad had, met booze buien, die Eline geduldig zou dragen.... of eene plotselinge beroerte, of een noodlottig toeval: een spoorwegongeluk. Wellicht ook iets verschrikkelijk dramatisch: een man, die mevrouw in hare jeugd wraak gezworen had, en die haar nu bij heure grijze haren over den grond sleepte en met messteken doorstak. Zij zag de oude vrouw zich kreunend wentelen in haar bloed en zij begon langzamerhand te snikken in hare gedroomde smart over dien gewelddadigen dood en steunde zachtjes:
--Moesje, o mijn arm moesje!
Zij zou buiten zichzelve zijn van smart; men zou haar van het lijk wegscheuren, daar zij er zich gillend aan vast zou klemmen. En plotseling veranderde dat treurspel in een zacht tooneel, vol liefde en geluk: eene verzoening met Otto die haàr tegemoet kwam, haar aan zijn borst sloot, en haar kuste. Te zamen, in ééne omstrengeling, wandelden zij daarna door een Spaansch landschap; maar zij stootte hem eensklaps van zich af en hij viel aan hare voeten en weende. Toen hief zij hem bij de hand op: zij stonden op een brug, die hemelhoog hing te wiegelen over een donderenden waterval, en de stroom ratelde in hare ooren en hij nam haar in zijn armen en zij sprongen beiden, moê van hunne smart en van het geruisch der wateren, in den afgrond....
Luid kraaide de haan daarbuiten en Eline schrikte hevig op en richtte zich overeind. Had zij geslapen, had zij gedroomd? Zij wist het niet; zij geloofde, dat zij slechts had liggen te mijmeren. Hijgend, klam van zweet, doorvloeid van een doffe lauwte, met een verschroeide keel stond zij op, verfrischte zich het gelaat in een natten handdoek, en dronk een, twee drie glazen water achter elkander. Zij rilde, niettegenstaande de drukkende benauwdheid van het gesloten vertrek, en hulde zich in een grijzen wollen peignoir. Toen trok ze een valgordijn op en zag naar buiten, in de vale lichtheid van den morgen. Het was halfvier en de haan kraaide en andere hanen kraaiden terug.
De dwarreling harer fantazieën bedaarde in die bleekte van de ochtendschemering. Daar heur ordeloos bed, waar zij zoolang zich slapeloos had omgewoeld, haar walgde, liet zij zich neêrvallen op den Perzischen divan. Door het venster bleef zij op de gekartelde toppenlijn van eenige kastanjes staren.
In het vertrek viel de morgen binnen en het nachtlampje knetterde, vlamde heen en weder, doofde uit en walmde.
Eline sliep in, dof, moê en leêg van brein. Het vale, bleeke licht scheen klaarder en klaarder op heur gelig, wasachtig gelaat.
III.
Reijer zou den dag, die op dezen nacht volgde, niet komen, maar Eline schreef hem dringend en hij kwam. Zij smeekte hem bijna, dat hij haar iets geven zou, wat haar mocht doen slapen, daar zij krankzinnig dacht te zullen worden, zoo die nachtmerries van slapeloosheid zich herhaalden. Reijer antwoordde, dat hij haar wel het een of ander kon voorschrijven om te slapen, maar dat het beter was, indien zij zonder kunstmiddelen haar slaap terugwon. Zij moest beweging nemen, wandelen. Eline haalde met een zucht van ongeduld haar schouders op. Zij was dien morgen gebroken opgestaan; zij sleepte zich, gedrukt door de warmte, van den eenen stoel op den anderen. Beweging nemen! Zij was er niet toe bij machte en zij bleef thuis, en herleefde slechts een weinig in de koelheid van den avond, in haar grooten rieten stoel, op de open verandah. Mevrouws blik bleef bezorgd op haar rusten.
Paul dronk, naar zijne tegenwoordige gewoonte, een kop thee mede, gezeten op de ballustrade. Ook hij zag Eline aan en herinnerde zich hoe hij op het bal van Lili's bruiloft het voornemen had opgevat Eline het hof te maken, voor de grap. Al had zij hare vroegere frischheid verloren, toch maakte zij, in haar gracieuse magerte, op hem een indruk van belangwekkendheid en ongewoonheid; hij vond haar, al was zij afgevallen, toch schoon met haar holle, donkere kijkers en haar klein, treurig mondje. Maar hij vergat de honigtaal zijner brutale galanterie en het verliefde spel zijner onbeschaamde oogen, nu hij bespeurde hoeveel er in Eline geknakt was. Hij herinnerde zich, hoe hij haar vroeger steeds gezien had, schitterend van coquetterie en levensgenot, een parelenden lach op de lippen, en een groot medelijden vervulde hem bij die herinnering. Hij voelde, dat zij gelijk had, zoo zij zich eene ruïne van binnen als van buiten noemde.
--Hoe gaat het, Eline? beter dan van middag? vroeg hij en in zijn stem klonk iets hartelijks, dat haar aan Henk deed denken.
Zij antwoordde hem kwijnend en hij vroeg haar, terwijl hij haar de sterren, die begonnen te fonkelen, wees, of zij zijn sterrenglobe nu wilde zien: hij had die des morgens, uit een grooten rommel op zolder, voor haar opgediept. De sterren konden haar in dit oogenblik weinig schelen, maar zij wilde hem niet in zijne vriendelijkheid teleurstellen. Hij haalde dus de globe, zette zich naast haar en zij richtte zich op in haar stoel. Mevrouw Van Raat zag mijmerend toe, hoe Paul met heur haakpen Eline de sterrenbeelden wees en de namen er van noemde. Daarna trachtte Eline in den hemel de beelden terug te vinden en zij glimlachte, terwijl haar wijsvinger van ster tot ster lijnen trok. Eline glimlachte en mevrouw mijmerde op dien glimlach voort. Pauls hartelijkheid voor Eline trof haar, terwijl ze dien cynischen klank, die satirieke tint in zijn stem, dat luchtig minachtende in zijn wijze van spreken miste. Vage droombeelden rezen in haar op; vroeger had zij Eline gaarne de vrouw van Henk zien worden; thans zag zij in haren geest iets als een onbestemde teederheid tusschen Eline en Paul.
Verheugd bespeurde zij, hoe Eline minder kwijnend sprak en opgewekter lachte, nu Paul op leekenmanier de astronomische les voortzette. Eline moest zich niet vergissen; zij zag op de sterren van de globe neêr, en naar de sterren aan den hemel zag zij op; ze moest zich dus verbeelden, dat zij in de globe was...
Paul bleef dien avond thuis, tot mevrouw en Eline om elf uur naar bed gingen, en mevrouw gaf hem, toen hij vertrok, niet als naar gewoonte een kort knikje; zij trok hem even bij de hand tot zich en kuste zijn voorhoofd.
Hoofdstuk XXXI.
I.
Frédérique gevoelde zich zeer ontevreden over zichzelve. Zij meende dat die ontevredenheid voortsproot uit een tweede vertrouwelijk gesprek met Paul, waarin zij zich opnieuw vermeten had hem de les te lezen, omdat zij ontdekt had, dat hij Etienne telkens geld leende. Wat, dacht ze, liet ze zich toch altijd verleiden om zich in de zaken van die jongens te mengen! Etienne was een groot kind en hèm mocht ze, als zuster, wel eens de waarheid zeggen, maar Paul zou haar langzamerhand onverdragelijk gaan vinden met haar wijze lessen en haar bouderies. Want zij had hem weder geboudeerd om die zaak van Etienne, voordat het tot een verklaring was gekomen. Waarom had ze Paul niet koelweg gevraagd Etienne niet meer te leenen, waarom had ze eerst geboudeerd en daardoor, als wenschte zij het zelve, eene tweede explicatie uitgelokt! Waarom was dat noodig!
Zij zat nu, des avonds na het middagmaal, met hare moeder en Mathilde in de open tuinkamer, terwijl Tina en Jo zich met de lange caoutchouc slang van de tuinspuit beijverden. Zij hieven de koperen sprits op en een waaier van druppelende stralen viel over de rozen en reseda's, de verbena's en heliotropen, de geraniums en bolbegonia's neêr, zoodat de bloemen heen en weêr schudden en de grasperken glinsterden van vocht.
Op het grindpad solden Lientje en Nico met Hector, somtijds gillend verjaagd door eene dreigende beweging van Tina's spuit.
--Tina! Tina! Niet de kinderen nat maken! En laat het niet zoo hard over die bloemen regenen! Een beetje zachter! vermaande Mathilde.
Zeker, Paul zou haar ondragelijk vinden, dacht Frédérique, terwijl zij haar boek in den schoot legde en naar de kinderen zag. Hun eerste gesprek over zijn nietsdoen, over het gehalte zijner kennissen, over zijn hatelijk-cynische wijze van praten, kwam haar in hare stemming van ontevredenheid nog bespottelijker voor dan dit laatste, dat ten minste een raison d'être gehad had. Bespottelijk vooral, omdat zij den volgenden dag, op het bal, zich geheel en al had laten medesleepen door de bekoring van zijne vroolijkheid. Zeker, zij hield van dansen en zij had prettig met hem gedanst, maar... zij was, na dat bal vooral, zeer ontevreden over zichzelve geworden. Toch had zij niets gedaan, niets gezegd, dat zij zich verwijten kon...
--Lientje, foei! Wat plaag je Hector! Je zal zien, dat hij je nog eens bijt! riep Mathilde.
Frédérique kon hare gedachten niet volgen, afgeleid als zij werd door het geruisch der waterstralen op de breede bladen van een rhabarberplant, door het gieren der kinderen en Hectors geblaf. En toch wilde zij zoo gaarne weten, waaróm zij eigenlijk ontevreden was over zichzelve.
Zij ried iets van de waarheid, maar zij wilde die, uit een zekere schaamte, niet doorgronden. Pauls geflirt met al die meisjes had haar gehinderd; hij maakte haar allen het hof en hij meende het met niemand. Was dat louter scherts, dien zij allen begrepen, of was dat iets valsch? Hij was toch niet slecht; zij geloofde zelfs niet eens, dat hij wuft was; hij was alleen wat over het paardje getild, omdat hij er knap uitzag en geld had, maar hij had een goed hart; hij zou niemand leed hebben kunnen doen. Toch, wat kon haar dat alles schelen! Waarom hinderde het haar, dat hij die nuffen, zooals Ange en Léonie en dat dwaze nest van een Françoise, courtizeerde! Waarom trok zij zich dat aan, meer dan zij het zich van een ander jongmensch uit haar kringen zou aangetrokken hebben? Omdat zij hem beter en langer kende en omdat hij de neef van Marie en Lili was? Dit was toch geen reden.
En het hinderde haar, dat zij niet met haar gewone oprechtheid in zichzelve dorst zien, als in een spiegel.
Toch streelde het haar, dat hij met haar anders vroolijk was, dat hij met haar anders sprak, dan hij met die nuffen en nesten deed. Hij stelde haar dus hooger. Of begreep hij slechts, dat zij zich zijn brutaliteiten en quasiverliefden overmoed niet zou laten welgevallen? Zag hij een beetje tegen haar op, omdat zij nu en dan eens ernstig zich met hem onderhield? Allerhatelijkst werd haar die gedachte; allerhatelijkst zou het haar zijn, zoo Paul tegen haar opzag. Werd haar dit zekerheid, ze zou zich nooit meer alleen in een gesprek met hem wagen, ze zou desnoods zijn als die anderen en met hem coquetteeren. Maar neen, dat zou toch nooit kunnen! En daarbij, waaróm was het haar een allerhatelijkste gedachte, dat Paul tegen haar op zou zien?
Al die vragen werden haar als een labyrinth, waarin haar gedachte ronddoolde, zonder een uitweg te kunnen vinden. En desniettemin vermoedde zij wel eenigszins waar de uitweg was, maar zij wilde niet voor zichzelve weten, dat zij dit vermoedde.
--Freddy, wil je me straks komen helpen om een laatste hand aan de koffers te leggen? vroeg Mathilde. Dan breng ik eerst de kinderen naar bed.
Freddy beloofde het. Juffrouw Frantzen was beneden gekomen en met haar hulp bracht Mathilde het lastige viertal, dat met veel drukte de spuit had opgeborgen, naar boven. Morgenochtend zouden zij allen naar de Horze vertrekken, om er den geheelen zomer door te brengen. Het was een zuinigheidsmaatregel, dien Théodore Van Erlevoort zijn moeder had aangeraden, want zij kon op het landgoed eenvoudiger wonen dan in het groote huis van het Voorhout, waar zij verplicht was op een voet te leven, die niet meer overeenkomstig haar middelen was. Zij had er dan ook zelve wel eens over gedacht voor goed de Horze te betrekken en afstand van haar geliefde woning te doen, maar het had haar steeds een te zwaar offer geschenen. Zij zou het nu echter op de Horze zoo lang mogelijk willen rekken, misschien wel tot November toe. Het landelijke leven lachte haar toe, temidden van het lieve troepje van Théodore.
Ook Mathilde ging gaarne naar de Horze en zij had geen bezwaar gemaakt Tine en Jo een paar maanden vóor de vacantie van school te nemen; zij zou ze, als vroeger, weêr zelve kunnen leeren en zij genoot met een heimelijk genoegen bij dat denkbeeld. Freddy was liever in Den Haag gebleven; waarom, was haar niet duidelijk en deze onduidelijkheid verergde haar stemming van ontevredenheid over zichzelve. Zij had er echter niets van laten blijken en zij was voor de anderen in huis zooals zij steeds geweest was, vroolijk en vriendelijk. Alleen Etienne had zij dien dag wat koel op een afstand gehouden, zoowel om die geldgeschiedenis met Paul als omdat hij mopperde, dat zij voor zoo lang naar de Horze zouden gaan. Hij sprak er dan ook over een kamer te nemen, in Leiden of Den Haag; waar, wist hij nog niet.
Otto was in den laatsten tijd bij tusschenpoozen op de Horze geweest. Hij had dikwijls ernstig met Théodore gesproken; hij wilde iets in de provincie zoeken en Den Haag verlaten. Hij was reeds half geslaagd; door protectie van oude vrienden zijns vaders had hij nu kans om als rentmeester op een der kroondomeinen in Gelderland geplaatst te worden.
Hoewel mevrouw Van Erlevoort hem steeds afried zich in een stille afzondering terug te trekken, was hij te moê van Den Haag om niet naar een atmosfeer van nieuwe frischheid te verlangen. Hij hoopte op niets, hij wenschte niets, hij smachtte alleen naar een eenzame ruimte, waar hij niemand ergeren zou met zijn doffe melancholie. Hij had veel van zijne vroegere flinkheid verloren; hij had zich niet kunnen opheffen onder zijn smart, die hem in doffe mijmeringen verweekt had. Maar, als Mathilde, klaagde hij nooit, toonde hij zich nooit ongedurig en ontevreden, en bleef hij eenvoudig en degelijk, uiterlijk dezelfde van voorheen.
Mevrouw Van Erlevoort was in de stilte, die de kinderen achter zich hadden gelaten zachtjes ingesluimerd en Frédérique verliet het vertrek, toen zij in de vestibule Etienne ontmoette, die juist de trap afkwam.
--Waar ga je naar toe? vroeg hij.
--Ik ga Mathilde met de koffers helpen, antwoordde zij.
--Toe, help mij liever met de mijne! hernam hij gemaakt ongedwongen. Mathilde heeft immers de juf, en ik heb geen geduld al dat goed zoo netjes te leggen.
--Heb je dan een kamer gehuurd? Hier of in Leiden?
--Ik... ik heb geen kamer gehuurd. Ik ga meê naar de Horze, dan kan ik daar goed en rustig studeeren voor mijn doctoraal. Van Leiden is eigenlijk geen sprake in de vacantie en hier zou ik toch niet werken. En zie je, het moet toch! fluisterde hij verder; ik kan toch maar zoo niet blijven hangen, terwijl ik Théodore over zuinigheid zie schrijven, en mama zucht, dat ze niet toekomt; vindt je niet?
Zij zag hem met een langen, zachten blik aan, terwijl hij een beetje verlegen voor haar stond.
--Goed, sprak ze. Ik zal je helpen.
--Ga dan even meê naar mijn kamer, wil je? vroeg hij, opgewekt door haar vriendelijken toon.
Zij gingen samen de trap op. In zijne kamer stond zijn koffer open, zijne kast eveneens.
--Ik zal alles wat ik meeneem op mijn bed gooien, pak jij het dan in?
--Goed.
--En ben je niet meer boos, om dat geld? vroeg hij met de liefkoozende stem van een bedorven kind.