Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 32

Chapter 324,170 wordsPublic domain

Mevrouw weende als een kind en voerde Eline in haar arm de eetkamer binnen. Het gaslicht scheen er over de gedekte tafel, want men had gewacht met een souper.

--En, ik kan je niet zeggen, wat een dot ik je vind, mijn goed, goed oudje! riep Eline. Ik ben zoo blij, dat ik bij je mag komen....

Zij knelde de weenende oude vrouw steeds in hare armen en mevrouw Van Raat deed haar zitten op de canapé en zette zich naast haar, met den arm om heur middel. Wat was het een tijd, dat zij Eline niet gezien had, en hoe zag Eline er uit? Goed?

--O ja, ja! Ik ben heel wel! riep Eline en kuste haar telkens en telkens weêr.

Mevrouw echter knoopte Eline's voile los, hielp haar heur hoed afzetten, haar mantel uittrekken. En ach, zij zag aanstonds .... die ingevallen schouders, die holle wangen, die sombere oogen.

--Kind! kreet zij, niet meester zich te weêrhouden. Kind! Ach wat ben je veranderd, wat zie je er uit!

Hartstochtelijk omhelsde Eline haar en zij verborg haar gloeiend kopje aan mevrouwtjes borst.

--O, daar moet u niet op letten. Ik ben wat moê van de reis; ik ben wat bleek, zeker? U zal het zien, zoodra ik eenigen tijd bij u ben, zie ik er weêr gezond en frisch uit.... U zal het zien!

Zij lachte mevrouw toe door hare tranen en zij kuste haar steeds, nu hare wang, dan hare oude gerimpelde hand. Ook Henk en Paul waren binnen gekomen, ook hen trof aanstonds Eline's vermagerd wezen, maar hoewel zij schrikten, maakten zij er geene aanmerking over.

Mevrouw kon de oogen niet van Eline afhouden. Zij wischte zich hare tranen af en vroeg Eline, of zij zich wat wilde verfrisschen op hare kamer.

--Neen, ach neen, laat maar! riep Eline. Ik voel me wel wat stoffig, maar het komt er niet op aan. O, Henk, mijn goede Henk!

Zij wenkte Henk, trok hem tot zich, waar zij naast mevrouw op de canapé zat en pakte zijn dik hoofd in hare kleine handen.

--Ben je niet.... meer boos, Henk? murmelde zij aan zijn oor.

Hij verbeet zich de lippen van aandoening.

--Ik ben nooit.... boos op je geweest! stamelde hij met een brekende stem.

Zij kuste hem, liet hem los, zuchtte verruimd en sloeg een langen blik om zich heen. Zij had iets van een thuis gevonden.

Men zette zich aan tafel, maar Eline had geen honger; zij roerde haar soep even aan, at geen vleesch en nam slechts kieskauwend een stukje eend met slâ, maar zij wenkte Paul telkens, dat hij haar zou inschenken, want zij had dorst. De wijn en hare emotie deden een blos schemeren door de gele bleekte van heur gelaat en toen mevrouw haar vroeg, waarom oom Daniël haar toch niet gebracht had, lachte zij met een luiden, zenuwachtigen lach. O, zij kon best alleen van Brussel naar Den Haag komen; oom had haar willen geleiden, maar zij had zijn geleide afgeslagen. Zij was zoo bereisd geworden: zij was nergens bang voor. Niets was gemakkelijker dan te reizen; men pakte zijn koffer, men informeerde en vroeg hier en daar, wat men noodig had en men ging in zijn waggon zitten. Als mevrouw later eens zou willen reizen zou mevrouw zien, hoe handig zij het kon.

Zenuwachtig sprak zij door, steeds met haar wijnglas, dat zij telkens aan de lippen bracht, in de vingers. Zij sprak over Elize, haar jong tantetje, een snoesje van een vrouwtje, zoo vroolijk en levendig! Nooit zat ze stil, dan was ze hier, dan was ze daar, altijd had ze iets te doen, iets te beredderen. Oom en Elize waren het nooit met elkander eens, en ze kibbelden onophoudelijk, maar op zoo een aardige manier, dat het bepaald amuzant was. Elize's familie in Parijs was ook charmant, maar haar oom en tante, die bij Bordeaux woonden, op een kasteel, dàt waren lieve menschen. Des Luynes heetten zij. Zij, Eline, had er de feesten van den wijnoogst bijgewoond, vreeselijk lief en champêtre, iets van eene episode uit een roman van Georges Sand.... Georges Sand had immers "La Petite Fadette" geschreven? Nu juist.... En Spanje, Spanje vond zij prachtig, vooral in het Zuiden, waar men nog zooveel van de Mooren vond. O, Granada en de Alhambra, prachtig, magnifique... Naar de stierengevechten had ze nooit willen gaan, hoewel Elize er haar om had uitgelachen. Maar zij vond ze zoo griezelig en vies, bepaald vies. Met die doode bloedende beesten....

Paul lachte, en zij lachte ook en beklaagde de arme stieren en zij sprak door, steeds door; mevrouw drong haar telkens toch iets te eten, maar zij weigerde met een ernstig gezichtje:

--Heusch niet, mevrouwtje, heusch niet, dank u waarlijk... Ik drink alleen maar; ik heb zoo een dorst. Mag ik nog een glaasje?

--Kind, kan je er tegen, zooveel te drinken?

--O, ja, daar slaap ik heerlijk op! Anders lig ik wel eens zoo een heelen nacht wakker, weet u, en dat is zoo vervelend. Cordova is ook een lieve stad; daar is zoo een prachtige moskee.

Zij liet zich verder voortdrijven op den zenuwachtigen stroom harer reisherinneringen en sprong van den hak op den tak. Waarom reisde Paul toch niet meer dan hij deed? Als zij een jongmensch was dat geld had, zou ze altijd reizen, altijd door! Groote reizen, zie je, bij voorbeeld, van New-York met de Great Pacific naar San Francisco, en dan over zee naar Japan, de wereld om, heerlijk! Zij vond het heerlijk! Zij vond het heerlijk in een waggon, zij zou in een waggon kunnen leven!

Mevrouw schudde zacht glimlachend het hoofd over hare opgewondenheid.

--Maar ik vind het nog heerlijker hier bij u te komen wonen, mijn lief oudje, mijn schat! riep zij en onstuimig omhelsde zij de grijze vrouw.

Na het souper zeide mevrouw Van Raat, dat het haar veel pleizier zou doen, zoo Eline nu wat rust ging nemen, op hare kamer. Eline vond het goed, maar mevrouwtje moest bij haar blijven, wou ze? Paul had een afspraak met kennissen en nam afscheid en ook Henk stond op om te vertrekken.

--Mag Betsy je morgen komen zien? fluisterde hij, een beetje angstig. Zij zag hem vaag glimlachend aan en drukte zijne hand.

--Zeker! sprak ze. Geef ze een zoen van me, zal je...? En hoe is Ben, is hij groot geworden?

--O, een kolos van een jongen; je zal hem morgen ook zien. Nu adieu, dag Elly, slaap lekker....

--Adieu, Henk, tot morgen zeker. Adieu....

Henk vertrok en mevrouw geleidde Eline naar boven, naar heure kamer.

--Ik kan je vooreerst geen zitkamer geven, Elly! sprak zij op de trap. Tenminste niet zoolang Paul nog bij me is.

--Waar denkt hij dan naar toe te gaan?

--Hij wil op zich zelven wonen en dat is beter ook voor een jongmensch, niet waar? Maar je slaapkamer is heel groot, je weet wel, die kamer naast de mijne.

--O, die is heerlijk, die herinner ik me!

Leentje had er het licht aangestoken, en de deuren van het balcon stonden open, zoodat de koele zomeravondlucht binnenvlood. Eline kuchte even, toen zij binnentrad.

--Het is wat koel, ik zal sluiten, sprak mevrouw en zij sloot de deurvensters.

Eline zag verbaasd om zich rond en hare oogen werden vochtig.

--Maar mevrouwtje! Mevrouwtje! Wat heeft u gedaan! riep zij ontroerd uit.

Overal zag zij herinneringen uit hare kamers van het Nassauplein. Daar stonden haar psyché, haar toilette duchesse, hare schrijftafel, haar divan, daar hing heur Venetiaansche spiegeltje, daar schitterden, overal smaakvol verspreid, haar beelden, haar kleine sierlijkheden, en bijna alleen nieuw, trof haar het groote ledekant, waarvan de donkerblauwe gordijnen, als een baldakijn tegen den wand waren opgehangen.

--Bevalt het je zoo? vroeg mevrouw Van Raat. Ik dacht dat je eigen meubeltjes je het liefst zouden zijn. Maar kindlief, wat is er nu, waarom moet je nu huilen?

Zij liet zich door Eline's armen omstrengelen en Eline weende op heur schouder en kuste haar herhaaldelijk. Mevrouw deed haar zitten op den divan, zette zich eveneens, en Eline leunde steeds tegen haar aan, als een bedroefd kind tegen zijn moeder.

--O, nu, nu voel ik eerst dat ik rust! sprak ze mat. Want ik ben zoo moê, zoo moê.

--Wil ik je dan alleen laten en wil je wat slapen?

--Neen, neen, blijf, toe blijf. Ik ben niet moê van die vijf uren sporen, ik ben moê van... van alles, en daar helpt geen slapen voor. Maar toch voel ik, dat ik nu rust, niet omdat ik zit, maar omdat ik tegen u aanleun, en omdat ik weet, dat u van mij houdt. Ziet u, daar had ik zoo een behoefte aan terwijl ik reisde en bij al die vreemde menschen was; tegen iemand aan te leunen en een beetje, een heel klein beetje liefde te voelen. Maar het was alles zoo koud om me heen, al waren ze nog zoo vriendelijk en beleefd. Oom Daniël is ook zoo: vriendelijk en galant zou ik bijna zeggen, maar zoo koud; met Elize maakte ik altijd gekheid, ze is net schuim zoo luchtig, maar ook koud, cynisch koud. En tegen die vreemden moest ik altijd lief zijn en lachen, want wie zou een treurige logée hebben willen krijgen, en waar moest ik naar toe, als ik niet ergens logeerde of reisde!

--Je had bij mij altijd kunnen komen, kind, en ik had je eerder geschreven, als ik geweten had, dat je je zoo ongelukkig voelde, maar ik dacht, dat je gelukkig was.

--Gelukkig! kermde Eline. Net zoo gelukkig als een paard, dat niet meer kan en dat ze voortdrijven met een zweep: hoep! hoep! allo! lachte zij smartelijk.

Haar lach viel mevrouw Van Raat in de ziel als een mes. Haar doffe oogen schitterden van tranen en zij vermocht niet te spreken; zij vermocht Eline alleen dichter aan heur borst te sluiten.

--Ja, hou me maar vast tegen je aan! murmelde Eline zachter. Zoo rust ik, zoo rust ik uit... zoo ben je mijn lief, oud moesje...

Zoo bleven zij lang zitten en zij spraken bijna niet meer, tot mevrouw er bij Eline op aandrong, dat ze zou pogen te slapen. Mevrouw bleef vlak bij haar; Eline behoefde slechts eene deur te openen, om bij haar te zijn.

--Heb je nog iets noodig, zeg het dan of bel dan, niet waar kind? Doe voortaan geheel en al of je thuis bent en wees vooral niet te discreet. Dat zou me pijn doen. Vraag, vraag maar wat je wil hebben...

Eline beloofde het en mevrouw liet haar alleen. Maar Eline voelde zich nog te vol om zich aanstonds ter ruste te leggen. Zij zag rond in hare kamer en in elken hoek herkende zij haar eigen vazen, hare platen en fotografies.

--Goed, lief mensch! murmelde zij met een weemoedigen glimlach. De zenuwachtige onrust harer ziel scheen als in een zalige veiligheid weg te vloeien, want zij voelde zich veilig te midden der reliquieën van haar vroeger leven. Langzaam rees zij van haar divan op, langzaam wandelde zij rond, op ieder voorwerp sloeg zij een teederen blik. Hare fijne vingeren streken langs het terra-cotta en biscuit der beelden, of verschikten eenige fantazie-fotografies, die los hier en daar tegen het een of ander voorwerp aan leunden. Ieder der kleine dierbare nietigheden bracht een herinnering mede en het werd haar eensklaps duidelijk, dat de tijd, dien zij in het buitenland had doorgebracht, niet was omgevlogen, maar wel degelijk eene volle anderhalf jaar telde. Zij bedacht nu ook, dat zij die meubels; die ornamenten niet meer gezien had van het oogenblik af, dat zij in dien verschrikkelijken nacht naar Jeanne Ferelijn gevlucht was. En elke herinnering, die opdoemde, bracht weder andere herinneringen met zich mede, zoodat zij ten laatste als een regen van weldoende, geurige bloemen of van pijnlijke, vurige vonken haar gemoed overstelpten.

Maar zij zette de wandeling door hare nieuwe kamer voort en haar blik viel op een Japansche doos, die mevrouw Van Raat op haar schrijftafel geplaatst had. Zij wilde, als werktuigelijk, de doos openen, maar bespeurde, dat zij gesloten was. Daar zij echter op tafel haar sleutels had zien liggen, een bosje kleine sleutels aan een zilveren ring, dezelfde die zij eenmaal Frans Ferelijn had toevertrouwd, zocht zij er het sleuteltje van de doos uit en opende die. Zij vond er tal van brieven, vergeeld van papier, brieven van oude schoolvriendinnen, brieven van tante Vere, geschreven ten tijde dat zij op kostschool was geweest. Zij zou de eerste verscheuren, want zij hechtte niet meer aan die vriendschapsontboezemingen van meisjes, die zij nooit meer zag, en die ze vergeten had, zooals zij haar vergeten hadden. Zij vond ook een enkelen brief van heur vader, die haar zoo dierbaar en zoo verheven was geweest en ze kuste dat papier met een eerbied, of het heilig ware. Maar op eens, terwijl zij haar brieven schikte, viel uit die verkleurde bladen een klein stukje karton op den grond. Zij bukte zich, raapte het op... en eene doodelijke bleekte overtoog heur gelaat, terwijl haar oogen met ontzetting staarden!

--O! kreunde zij, als reet er een oude wond zich in hare ziel open. O!.... O, God!

Het was een klein portret van Otto in medaillon-formaat.

Hoe kwam het daar tusschen die oude brieven? Het heugde haar; het was slechts eene afgekeurde proef van een portret, dat hij eens voor haar had laten maken. Het portret zelve, dat zij gedurende haar engagement steeds bij zich gedragen had, had zij met zijne andere cadeaux, met den waaier van Bucchi, hem teruggezonden, als eene allerlaatste, noodzakelijk vereischte wreedheid, die zij hem had toegebracht. Dit mislukte proefje was verdwaald geraakt tusschen hare brieven, en zij had er niet meer aan gedacht; zij had nagelaten hem ook dit te sturen.

--O! kreunde zij steeds. O!

Zij weende, zij snikte, zij bracht het portret aan heure lippen. Het versmade proefje was haar grootste schat geworden, en eeuwig zou zij het met zich dragen, eeuwig, eeuwig! Het was het eenige wat haar was overgebleven van haar groot geluk, dat haar uit de vingeren was geglipt, als een dierbare vogel, die haar slechts een leelijk veêrtje had achtergelaten.

--Otto! ... O, Otto! murmelde zij.

En hare tranen en kussen bedekten het kleine, ronde stukje papier.

In hare eigen slaapkamer zat mevrouw Van Raat nog peinzend neêr. Weemoedig, de oogen vol tranen, schudde zij langzaam het hoofd.

Hoe was het mogelijk, dat zij zoo gelukkig, zoo lang gelukkig was geweest met heur man en dat haar lieve Elly zoo weinig vreugde had gekend? En omdat zij vroom was, met de kinderlijk-geloovende vroomheid van een eenvoudig hart, dat dankbaarheid voelde voor wat het eens geschonken was geworden, vouwde zij hare dorre handen en bad zij, bad zij voor hare lieve Elly, die niet gelukkig was.

III.

Toen Eline zich den volgenden morgen gekleed had en de glazen deuren van hare kamer had geopend, bespeurde zij mevrouw Van Raat, een bloemenschaar in de hand, tusschen de stamrozen, die in knop stonden. Eline spoedde zich naar beneden, naar den tuin.

--Ik ben toch niet in den laatte? U heeft toch nog niet ontbeten? vroeg zij met hare lieve stem. Mevrouw kuste haar en zeide dat zij zoo laat mocht opstaan als zij wilde, en dat zij met het ontbijt gewacht had.

--Ik zie, dat u me wilt gaan bederven... U zal zien, hoe lastig ik het u nog maken zal. Wat ziet de tuin er lief uit... Mag ik wat plukken?

Mevrouw stemde glimlachend toe, gaf haar de schaar en volgde haar een weinig, waar zij, tusschen de heesters zich op de teenen verheffend, de bloesemende takken afsneed, op de lippen steeds een zacht woord vol sympathie. Zij boog de donkerpaarse en zachtblanke trossen der seringen, de glinsterend helgele trossen der goude-regens tot zich toe en de blinkende dauwdroppelen rolden als klare, ronde diamanten over hare vingers. Vlug gleed hare schaar door de bengelende stengels der sneeuwballen of vlijmde in de roze bloesemtwijg van een meidoorn. En zij betreurde het, dat de jasmijnen, hoewel vol in knop, nog niet ontloken waren...

--Heeft u een vaas? Dan zal ik er een bouquet van maken, maar dan moet ik nog meer seringen hebben, vooral seringen...

De schaar vloog door een grooten heester, die nog niets geofferd had, en de paarse trossen vielen om haar heen, in het dauwige gras. Zij verzamelde ze, en volgde mevrouw die naar binnen ging. In de eetkamer, terwijl mevrouw Eline's chocolade gereed maakte, schikte zij de twijgen in eene groote vaas op het buffet.

--Dat staat vroolijk, zoo wat bloemen, vindt u niet? riep zij, en ging een paar pas achteruit om over het effect van haar lossen bouquet te oordeelen.

Mevrouw waarschuwde, dat zij de chocolade koud liet worden, en zij zette zich met een zucht. Het was mevrouw gisteren reeds opgevallen hoe Eline's gebaren steeds onrustig en zenuwachtig waren, hoe zij naar iets greep, het weder neêrzette, telkens onwillekeurig en zonder noodzakelijkheid iets verplaatste of bijna angstig uit het raam, naar de deur of naar het plafond zag. Vaak maakte zij een lichte beweging met het hoofd of zij schrikte, of tikte met de vingers op tafel, als speelde zij piano. Maar ook vaak liet zij zich met een zucht in haren stoel terugvallen en eene doffe matheid verving dan aanstonds die nerveuze koorts in hare gebaren en blikken.

Ook nu viel mevrouw deze zenuwachtigheid en daarna die plotselinge matheid op, maar het deed haar toch genoegen dat de warme, geurige chocolade Eline smaakte.

--En wat eet je nu kind? Een boterham met een zacht eitje? Eline zag haar met een angstigen glimlach aan.

--Ach mevrouw..... zou ik wel? Liever..... maar niets.... de chocolâ was heel lekker.

--Maar Elly, je kan toch niet niets eten, je hebt gisteren ook al niet gegeten! Toe, eet nu een eitje.

Eline stemde toe en mevrouw opende haar eitje, als ware het voor een bedorven kind geweest.

--Je moet je goed voeden, Elly-lief! ging zij betuigend voort. Heusch, je ziet er zoo mager en hol uit, net of je honger hebt geleden. Je moet je goed voeden, melk drinken en eieren en vleesch eten, hoor!

Eline glimlachte slechts en zag naar het ei met een lichten afschuw, dien zij niet verbergen kon. Een paar malen proefde zij, toen schoof zij het weg.

--Toe moesje, word niet boos, maar heusch.... ik kan niet. Ik word er zoo akelig van.

Zij zag mevrouw zoo smeekend aan, dat deze niet meer aandrong en zij nam nu, om mevrouw toch plezier te doen, een beschuitje. Dat was genoeg; heusch, ze at nooit meer zoo vroeg in den morgen.

--En Paul? Slaapt die nog?

--O ja.

Mevrouw zeide, dat Paul altijd alleen ontbeet of meestal niet ontbeet en alleen koffie dronk. Paul gaf haar weinig last maar ook weinig genoegen.

--Meisjes zijn veel gemakkelijker en veel liever dan die jongens, niet waar, moesje? U moet u nu maar verbeelden, dat u een dochter thuis hebt gekregen! sprak Eline liefkoozend. O, herinnert u u nog; het is nu al lang geleden, toen heeft u mij gevraagd bij u te komen wonen en ik antwoordde u, dat u van me hield, omdat u me zoo weinig zag, maar dat u me een lastpost zou vinden, als u me iederen dag zag. Herinnert u u wel?

Mevrouw dacht vaag glimlachend na, maar zij herinnerde het zich niet meer.

--O, ik weet het nog zoo goed. Het was op het Nassauplein, in het kleine, violette boudoirtje. Wie had toen gedacht, dat ik waarlijk eens mijn toevlucht bij u zou komen zoeken? Maar heusch, ik zal mijn best doen geen lastpost te zijn....

Weemoed vervulde haar hart en zenuwachtig speelde zij met een klein medaillon van zwart émail en pareltjes, dat aan haar horlogeketting hing, en dat zij sedert jaren niet meer gedragen had. Het was een geschenk van haar vader geweest, toen zij tien jaar geworden was; na zijn dood had zij bij zichzelve een belofte afgelegd het niet meer te dragen, maar vanochtend droeg zij het weder voor het eerst. Het bevatte nu het stukje karton, dat zij gisterenavond tusschen haar brieven gevonden had.

--Mevrouwtje, begon zij met een zacht trillende sternen zij legde hare eene hand op die der oude vrouw, Mevrouwtje, ik wilde u iets vragen. Ziet u Erlevoort nog wel eens, of hoort u nog wel eens wat van hem?

Mevrouw zag haar aan, als poogde zij Eline's gedachten te raden, maar zij vermocht niets af te leiden uit die koortsige blikken, uit de bewegelijkheid dier spelende vingers.

--Waarom vraag je dat, Elly? vroeg zij.

Het was de eerste maal, dat zij met Eline sprak over Otto, nadat hun engagement verbroken was.

--Ach, ik zou graag willen weten, of hij het zich erg heeft aangetrokken, en of hij nu gelukkig is. Ontmoet u hem nooit?

--Ik heb hem een enkele maal bij mijn zwager gezien op de Princessegracht.

--Hoe ziet hij er uit?

--Hij is in zijn uiterlijk niet veel veranderd, misschien een beetje ouder geworden, maar dat frappeert toch niet. Hij is wel stil en een beetje somber, maar hij was toch nooit vreeselijk uitgelaten, wel?

--Neen, murmelde Eline, overvloeiende van herinneringen.

--Hij is nu niet in Den Haag. Hij is naar de Horze, geloof ik.

--Zou ik hem hebben doen vluchten? dacht Eline, en om zich te houden of zij belang in hem stelde om hemzelven, niet om haarzelve, sprak zij zacht:

--Hij zal er dus wel overheen zijn. Ik wensch niets liever dan dat hij gelukkig is; hij verdient het: het is een beste jongen.

Mevrouw zweeg en Eline hield zich in om niet te weenen. O, zoo moest zij zich zelfs bij haar goed moesje opschroeven en zich anders toonen dan zij was! Wat was toch het leven een groot gehuichel! Zij, zij had altijd gehuicheld, voor zichzelve, voor anderen, en zij huichelde nog, zij was zoo vergroeid in haar gehuichel, dat zij niets anders kon dan huichelen.

--En nu moet ik je nog iets toonen, dat ik hoop, dat je plezier zal doen! sprak mevrouw, daar ze iets ried van Eline's weemoed. Kom eens meê.

Ze bracht haar naar de bel-étage, waar Eline nog niet geweest was, en opende de deur van den salon.

--Je weet, ik had vroeger zoo een oud hakkebord van een piano, omdat Paul alleen maar zoo wat tokkelde, om zijn zang in te studeeren. Maar zie nu eens.

Zij traden binnen en Eline bespeurde op de plaats van het oude hakkebord een fonkelnieuwe Bechstein. Haar muziekboeken, rood gebonden met gouden letters, lagen er boven op.

--Daar zal je heerlijk bij kunnen zingen, de klank is zoo zuiver en mooi.

Eline's lippen trilden en een zenuwachtige trek gleed over haar gelaat.

--Maar mevrouw! stamelde zij. Waarom heeft u dat gedaan, o, waarom heeft u dat gedaan!... ik zing niet meer.

--Wat! Waarom niet? vroeg mevrouw verschrikt. Eline wierp zich zuchtend op een stoel.

--Ik mag het niet meer doen! kreet zij bijna smartelijk, daar de nieuwe piano de herinnering aan haar schitterende stem wreed bij haar deed oprijzen. De dokters, die ik in Parijs geconsulteerd heb, hebben het mij verboden. Want u moet weten, dat ik den heelen winter hoest en dat mijn hoest alleen met den zomer overgaat. De twee laatste winters heb ik voortdurend gehoest en ik had altijd pijn, hier op mijn borst. 's Zomers ben ik heel wel!

--Maar kind! sprak mevrouw angstig. Heb je je dan goed laten soigneeren in het buitenland?

--O ja, de Des Luynes wisten specialiteiten in Parijs voor borstaandoeningen en ze hebben me geklopt en getikt en geausculteerd, tot vervelens toe! Ik ben ook lang onder geregelde behandeling geweest van twee dokters, maar ik kreeg op het laatst genoeg van ze: ze maakten me toch niet beter, en beweerden, dat ik altijd in een zacht klimaat moest wonen, maar ik kon toch niet in mijn eentje in Algiers of de hemel weet waar zitten en oom Daniël moest terug naar Brussel. U ziet--eindigde zij met een zenuwachtigen lach--ik ben heelemaal een ruïne, van binnen en van buiten.

Mevrouw drukte, steeds voor haar staande, Eline's hoofd tegen zich aan, haar oogen vol tranen.

--Het is jammer van de mooie piano! sprak Eline, zich losmakend uit mevrouws omhelzing en zich nerveus voor de piano zettend. Wat een volle klank, wat mooi....

Heur vingers gleden snel over de toetsen als in snikkende gamma's; de tonen schenen te weenen van smart over die verloren stem. Mevrouw zag droef toe; zij had zich illuzies gemaakt, dat Eline zou zingen, met Paul zou zingen, dat Paul, door dien zang geboeid, 's avonds veel thuis zou blijven, dat eene melodieuze, huiselijke gezelligheid hare eenzame, stille kamers zou vervullen. Maar zij hoorde slechts luide, snikkende gamma's, den weenenden dauw van een chromatischen triller, en de groote, losse tranen van pijnlijke staccato's.

--Ik zal werk maken van mijn spel, ik ben nooit een groote pianiste geweest, maar ik zal mij zooveel mogelijk zoeken te perfectionneeren! U zal toch muziek hooren, moesjelief! Wat een klank, wat een mooie klank!

En de mooie klanken ruischten door, als een stortvloed van smart.

IV.