Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 30
Zij dreigde hem met den vinger en nam den arm van haar bruidegom en zij dreef Georges fluisterend verder door een dichten drom van meisjes en jongelui.
Paul zag Cateau Van der Stoor bij een paar azalea's staan met een langen, bleeken jongen, dien hij niet kende. Hij knikte haar familiaar toe, als hij een kindje gedaan had, terwijl zij koel even boog. Dat kleine nest, hij zou haar leeren vanavond... hij zou haar niet om een dans vragen, misschien wel haar in het geheel niet aanspreken.
Hij gevoelde zich juist in een humeur om iedereen voor den gek te houden, toen hij in een dichten groep Frédérique en Marie bespeurde, beide in roze tulle.
--Zoo, late bruidsjonker! riep Marie. Durf je je nog vertoonen, bloos je niet...?
Hij hoorde niet naar heure overstelpende verwijtingen, maar vroeg Freddy aanstonds naar de dansen, die zij hem beloofd had. De eerste wals?
--Natuurlijk! sprak Freddy. Ik wachtte al op je, ik dacht dat je me geheel vergeten was.
Uit de serre klonken reeds de eerste maten der Invitation à la Valse en het dichte groepje, waarin zij zich bevonden, begon zich te verspreiden.
--En nu gaan we zeker al dansende filozofeeren, zooals gisterenavond, niet waar Freddy? vroeg hij.
--Dank je wel, hoor. Vanavond filozofeer ik niet, vanavond dans ik en amuzeer ik me!
Haar stem klonk vol van een uitgelaten vroolijkheid en zij zag hem lachend, met haar schitterende oogen, zoo betooverend aan, dat hij zijn hart sneller voelde kloppen. Gelukkig, zij boudeerde nu niet. Wat was zij mooi zoo, met die roze kleur, als een weêrschijn van heur toilet, op hare wangen; wat was zij mooi in dien dartelen glans van bijna niet te betoomen vroolijkheid! Mooier, mooier dan eene van die anderen, mooier dan dat bleeke bruidje daar ginds. Hij had haar kunnen omhelzen, maar hij vroeg slechts met zijn oogen in de hare:
--En de polka vóor de pauze en de wals na het souper? En de cotillon? Alles voor me opengehouden?
--Ja, alles! antwoordde zij blozend; ofschoon je het volstrekt niet verdient. Maar ik blijf trouw aan mijn eens gegeven woord. En je ziet, al mijn andere dansen heb ik weggegeven.
Zij toonde hem haar balboekje; hij zag glimlachend naar de blanke ruimte achter de dansen, die zij hem beloofd had, en hij kraste nu achter elk dier dansen een groote brutale P.
De wals was reeds begonnen en terwijl hij zijn arm om Frédérique's middel boog, zag hij Cateautje met den bleeken jongen voorbij dansen. Hij knikte haar voor de tweede maal met een vaderlijk knikje toe en genoot van zijn wreedheid, toen hij haar, met een kleur als vuur, over den schouder van haren langen cavalier, een woedenden blik naar hem zag werpen. En daarna dacht hij niet meer aan haar, daarna dacht hij slechts aan Freddy.
Hij herinnerde zich niet ooit zoo zoet gedanst te hebben, nu hij haar, gestrengeld in zijn arm, als zwevend op de punt harer roze schoentjes rondvoerde tusschen de andere paren, waarvan de meisjes hem, met een vluchtige liefkoozing harer linten, voorbij draaiden. Als onwillekeurig drukte hij haar een weinig aan zijn borst en zijn blik daalde lachend over haren hals, over hare mooie, volle schouders. Het gewemel harer roze tulle bezwijmelde hem, als was dit een tintelende wijn, dien hij met langzame teugen genoot en terwijl haar hoofd bijna op zijn schouder lag, bespiedde hij het kroezen van een paar kleine, zijden haartjes in heur nek. Zij had nu niets van een wijsneus, niets van een kleinen professor en zij walste heerlijk, heerlijk.
Toen werd het hem of het leven niets dan éen zoete wals was. Altijd de bedwelmende maat van die zachte duizelende wending, altijd dezelfde... En altijd, bij die wending, dat mooie kopje bij zijn schouder, dat ranke figuurtje in zijn arm, en altijd die roze wervelwind van ruischende plooitjes als een gedwarrel van rozenbladeren... En altijd die kroezende lokjes in haar nek en die zachte blankheid van hare schouders, als van twee lelies... Altijd, altijd...
--Paul, hou me toch niet zoo vast; ik zal niet wegloopen! fluisterde zij en zag lachend tot hem op en hij zag haar vol terug in die schitterende oogen. Maar hij wond zijn arm niet losser om haar leest en zij schikte zich in zijne halve omhelzing, een vaag lachje om de lippen. Zij spraken niet meer.
Het was hem, of hij uit een zoeten droom ontwaakte, toen de muziek ophield.
--Waarom maar zoo niet door te walsen, hè Freddy altijd door? Tot je dood ging...
Zij lachte en antwoordde iets, maar hij hoorde niet wat. Hij droomde nog, dat zij walsten!
VI.
In de Lanciers, waarin Paul naast bruidje gestaan had met Frédérique, Marie, Cateau, Georges, Etienne en Jan, die zich reeds piqueerde keurig te dansen, had Paul, telkens dat zijne hand Cateau's vingers aanraakte, ze met een drukje geknepen. Hij plaagde haar den geheelen avond door met zijne spottende blikken en Cateau zag hem nu minachtend terug aan. Hijzelve wist niet, waarom hij zoo wreed was, maar hij kon het niet nalaten: hij moest dien avond iedereen voor den gek houden. Hij stond zich nu te dandineeren tusschen een troep van lachende, jonge meisjes, die hij elk op hare beurt, zonder dat zij er boos om konden worden, een brutaliteit toediende. Alleen Françoise Oudendijk zag hij nauwelijks aan, hoewel zij het niet scheen op te merken, daar zij telkens schertsend hem iets vroeg. Hij deed of hij haar niet hoorde en draaide zich ineens verbaasd naar haar toe, zoodat hij haar vlak in het gezicht zag. Op eens vroeg zij, terwijl zij zijne gardenia even aanroerde:
--Zeg eens, Paul, hoe komt het toch, dat je tegenwoordig zoo vreeselijk dol bent? Heel anders dan een paar jaar geleden.
--Kan je dat niet raden? vroeg hij terug met een zachte stem en een verliefd spel zijner brutale oogen. Kan je dat niet raden?
--Ik? Neen, hoe zou ik...?
--Mag ik het je dan straks zeggen? Mag ik? smeekte hij.
--O, dolgraag!
--Geef me dan een halven praatdans, onder de Scottisch, sprak hij eensklaps kortaf.
--Wat noem je een halven praatdans?
--Ik promoveer den eersten Scottisch tot een praatdans met twee dames, maar ik praat niet met de een na de ander, ik praat met allebei tegelijk. Mijn eerste dame is Léonie Eekhof, wil jij nummer twee zijn, dan zal ik je vertellen, waarom ik tegenwoordig zoo dol ben.
Zij zag hem even aan, als wist zij niet, of zij zich boos moest maken, ja of neen.
--Als je me niets beters te offreeren hebt, dankje! antwoordde zij, quasi gekrenkt.
--Zooals je verkiest! boog hij terug, en hij zag haar zoo spottend aan, dat zij hem haar rug toedraaide.
Intusschen hadden de andere meisjes door hun gesprek heengerateld.
--Lieve kinderen, je praat me mijn ooren doof! riep hij pedant uit en hij baande zich een doortocht tusschen al dat lichtkleurig gefladder en liep op een drafje naar den kleinen salon. Hij moest al die mama's, welke daar langs den wand hare dochters zaten te bewonderen, eens onderhanden nemen. Maar hij werd tegengehouden door Betsy, die met Emilie zat te spreken.
--Zoo, kapel! sprak Betsy, terwijl zij hem even bij zijn mouw vasthield. Waar papillonneer je naar toe?
--Naar de oude muurbloemetjes? fluisterde hij terug. Dans je niet? Niet dat ik je vraag, ik spreek alleen maar uit louter belangstelling.
Betsy verzocht hem, s'il lui plaisait, niet zoo brutaal te zijn en zij begonnen schertsend met elkaâr te kibbelen, tot Emilie de tranen in de oogen kreeg van het lachen. Paul won het toch van zijn schoonzuster in brutaliteit. Betsy zag met genoegen naar hem op: ook zij begreep niet, hoe die dikke doezel van een jongen zoo iets aantrekkelijks had gekregen, dat alle vrouwen dol op hem werden! Hij had lang noodig gehad om uit zijn dommel te ontwaken, en hij werd uitgelaten vroolijk op een leeftijd, dat anderen reeds gepozeerd wierden, maar zij kon het zich niet ontkennen: hij had tegenwoordig iets, dat ieder jong meisje het hoofd op hol kon maken, iets van een donkerblonden Don Juan, met onbeschaamde blauwgrijze oogen.
Paul had zich reeds weggespoed, naar de mama's en hij boog voor mevrouw Eekhof en mevrouw Van der Stoor, samen op een canapé gezeten. Nadat hij eenige woorden met haar gewisseld had vroeg mevrouw Eekhof:
--Maar dans je niet, Van Raat? Ik hoor de muziek al.
Paul beweerde, dat hij niets gaf om een Mazurka en hij vroeg of de dames een weinig wilden opschuiven. Toen nestelde hij zich tusschen haarbeiden, zonder eerbied voor heur krakende zijden japonnen en terwijl hij met zijn gibus speelde, antwoordde hij haarbeider vragen met een gezicht, alsof hij tot haar gekomen was, om zich op zijn gemak te laten bewierooken. Neen, hij schilderde tegenwoordig in het geheel niet meer, hij had zijn ezel op zolder laten zetten; het was zoo een onaangename lucht, die olieverf. Aan de muziek was hij ook geheel en al ontrouw geworden, sinds Eline Vere weg was en zijn duetten waren gestaakt. Vergenoegd draaide hij zijn dikken, blonden snor op, nu mevrouw Eekhof betuigde, dat het toch jammer was die talenten zoo te negligeeren; zij herinnerde zich, dat Cateau in extaze was geweest, als zij hem vroeger had hooren zingen.
--A propos van Eline, vroeg mevrouw Van der Stoor; komt ze nog niet terug? Reist ze nog altijd?
--U weet, ze is eerst in Spanje geweest, met haar oom en haar tante. Later heeft ze lang bij hen gelogeerd in Brussel; toen heeft ze, geloof ik, in Nice een séjour met hen gemaakt; ook heeft ze gelogeerd bij familie van haar tante, ergens op een kasteel bij Bordeaux, en ik weet niet waar ze nog meer geweest is.
Het gesprek begon hem te vervelen. Eline interesseerde hem niets op het oogenblik, en de jammerklachten van mevrouw Eekhof over Eline onderbrekend, nam hij plotseling afscheid. Hij ging langs zijne tante Verstraeten al de andere mama's, op een rijtje af, aanspreken, glimlachend en zeer beleefd, maar inwendig genietend dat hij haar allen zulke verwachtingen deed koesteren. O, mevrouw Oudendijk was nu zeker overtuigd, dat hij Françoise van avond zou vragen; zij zag hem nu reeds met zoo iets schoonmoederlijks aan, en zij legde haar hand met zoo iets vertrouwelijks op de zijne. Hij putte zich dan ook uit in de verfijndste complimentjes over Françoise, welke hij mevrouw Oudendijk toediende, als zoete fondants... o, hoe behagelijk slikte zij ze! Françoise had hem gezegd, dat zij zoo dolgraag paard wilde rijden; waarom gaf mevrouw haar geen rijpaard? vroeg hij goedig; ze zou een betooverende amazone zijn! En hij wachtte met een brutale naïveteit op haar antwoord. Ze zou het hem zeker niet willen bekennen, dat zoo een rijpaard haar allesbehalve conveniëerde, maar gaarne zou ze gelispeld hebben, dat hem alles conveniëerde en dat hij dus Françoise het paard maar moest aanbieden, met den gever op den koop toe. Nu, als ze dàt dacht....
VII.
Terwijl Paul langs oom Verstraeten en langs Henk ging, hoorde hij hen praten... ook al over Eline. Eline zou misschien met den zomer in Den Haag terugkeeren en Paul herinnerde zich iets gehoord te hebben, als zou zij in den eersten tijd, bij de oude mevrouw Van Raat, bij zijn moeder haar intrek nemen. Nu, dat zou wel gezellig zijn, zoo een mooi meisje in huis; ze was nu... laat eens zien... vijf-en-twintig jaar: toch nog jong genoeg om aardig te zijn; hij zou ten minste eens zien, of hij haar niet verliefd op zich zou kunnen maken, voor de grap.
Toen hij in den grooten salon terugkwam, zag hij er bruid en bruidegom omringd van hunne geheele hofhouding en er ontstond een drukte nu zij Paul terugzagen. Eenige meisjes vlogen op hem af, om hem te verwijten, dat hij als bruidsjonker niet nauwkeuriger zijne plichten waarnam en hij verdedigde zich op zijne kluchtige wijze.
Léonie schaterde het uit.
--Die Paul is tegenwoordig toch zoo grappig! lachte zij.
--Die Paul! Ach ja.... die Paul, hé? riep hij haar toe. Naar die lachebek had hij maar éen vinger uit te steken en.... hap zou ze zeggen! En hij zag uit naar Frédérique. Zij liep met Georges; zij zou den Scottisch met den bruidegom dansen.
--Kom, ik heb je een heelen boel te vertellen! sprak hij tot Léonie, met eenigen spijt, dat Frédérique zoo ver was. Maar je weet, we dansen niet, we praten.
--Hé Paul, even een toertje....
Maar na het toertje sleepte hij dwars door de anderen het kleine, steeds lachende, meisje naar een canapé in den hoek overlooverd door afhangende palmbladeren.
--Léonie, nu niet vermoeiend zijn; je bent net een elastiek poppetje, dat den heelen tijd op en neêr wipt. Vertel me nu iets liefs!
--En jij had me zelf zooveel te vertellen? vroeg ze coquet
Hij wilde haar antwoorden, maar hij bemerkte Françoise, die zich met vluchtige gebaartjes, tusschen de stoelen en de, heen en weêr dansende, paren, voortschoof naar hun canapé.
--Ruim me een plaatsje in? vroeg Françoise. Je hebt me immers als tweede praatdame gevraagd.
--En nu accepteer je zeker die gunst, omdat je geen danseur gekregen hebt, hé? Maar nu wil ik je ook niet meer hebben, ga maar weg....
--Ach Paul, wees nu niet flauw, laat me nu zitten; ik kan er immers niet meer door; ik weet niet, waar ik anders naar toe moet!
Hij was genadig en schoof in het midden van de canapé, zoodat Françoise kon zitten en zijne beenen bijna bedolven waren onder de tarlatan der beide meisjes.
--Nu gaan we al de anderen uitlachen! sprak hij, als gaf hij een bevel.
En terwijl een paar zwarte panden of een gedwarrel van rokken langs hem heen zwaaiden, zaten zij met hun drieën, in een dwaze pret, zich te amuzeeren ten koste der dansenden. Paul had Françoise's waaier genomen en sloeg er de maat mede; hij leunde behaaglijk tusschen zijne dames achterover en liet zich, als een sultan, door hare opmerkingen vermaken.
--Kijk, Freddy danst keurig, sprak Françoise. Georges en Freddy dansten hun voorbij en zij applaudisseerden alle drie zoo luid, dat de canapé dreunde. Het was te dol, te dol.
--Te dol, te dol! herhaalde Paul en sprong op en neêr, zoodat hij haar toiletten verkreukte.
--O ja, van dol gesproken! riep Françoise, Paul, waarom ben jij zoo dol tegenwoordig? Je zou me dat vertellen!
--Ik ben dol, omdat ik dol ben op jou! riep hij hartstochtelijk; op jou Françoise! Ik sterf van liefde voor je! Laat me je zoenen.
En Léonie dreigde te stikken om dat verontwaardigde gezicht van Françoise, die achteruit deinsde!
VIII.
Het was pauze en de tafeltjes voor het souper werden gedekt binnengebracht, zoodat de salons snel in elegante restauraties konden herschapen worden.
Overal in iederen hoek, in de serre, waaruit de pianist verdwenen was, vormden zich verpoozende, schertsende groepjes, waarin de waaiers der meisjes, als een gefladder van vlinders, op en neêr wuifden. Er scheen een schitterend stofgoud als uit de lucht neêr te zinken, een stofgoud, dat in een blik, in een lach glansde, een ontastbaar stofgoud, dat zich over hun aller vroolijkheid verspreidde, als een bezwijmelend getintel.
Mevrouw Verstraeten kwam in de serre bruidje bezorgd aan heur oor vragen, of zij niet moê was, maar zij schudde ontkennend heur kopje, al lag zij wat mat in een rieten stoel, geheel wit en geurende van de verwelkende jasmijnen in haren bouquet. Zij gevoelde zich zoo gelukkig, dat iedereen feestvierde en lachte en danste, alleen omdat zij met haar Georges ging trouwen; zij gevoelde zich steeds als een jong vorstinnetje, dat men huldigde, steeds huldigde.
Want Pauls overmoedige stem deed alle andere groepjes naar de serre stroomen, naar de "residentie van het hof", zoodat het er stampvol werd en men er zich ternauwernood kon bewegen. Ieder wilde hooren, wat Paul aan den bruidegom vertelde en waarmeê Paul bruidje plaagde en ze drongen in het hof binnen tot Paul aan Léonie en Françoise vroeg, of zij ook op zijn schoot wilden zitten, ieder op een knie....
--Paul, ik vind je schandelijk brutaal, je wordt iederen dag brutaler! riep Marie, maar hij hoorde niet: hij rees op en drong door hen allen heen. Hij had Cateautje Van der Stoor om een hoek van de serre zien kijken, en hij moest haar toch eens even aanspreken; hij gevoelde een plotseling berouw.
--Toosje, ben je erg boos op me, dat ik je een beetje voor den gek heb gehouden?
--Ik heb er niets van gemerkt! antwoordde zij, maar haar trillend mondje getuigde, dat zij zich niet goed kon houden.
Hij vleide met zijn oogen en met zijne stem en bad om vergeving. En hij vroeg om een dans.
--Ik heb geen dans meer open! sprak Toos fier, en blij dat zij weigeren kon, toonde zij hem haar boekje.
--Ik moet toch met je dansen! Laat eens zien: Hijdrecht. Hijdrecht... Tweemaal Hijdrecht, dat is niet noodig! Ga meê en zeg aan Hijdrecht, dat je met mij wilt dansen!
--Maar dat durf ik niet doen!
--Hij zal je toch niet opeten! Allons Toos, ga meê, ik wil het hebben!
Hij troonde haar naar Hijdrecht en hij dwong haar den volgenden Scottisch terug te vragen. Cateau werd boos op zichzelve, dat zij zoo had toegestemd, maar het was onmogelijk Paul iets te weigeren.
--Tot straks dus en niet meer boos zijn, mijn Toosje-lief! murmelde hij verliefd.
--Ik ben je Toosje-lief volstrekt niet! riep zij quasi geërgerd, maar zij vond het toch aardig, dat hij het goed had willen maken.
IX.
Het bruidspaar met de bruidsmeisjes en bruidsjonkers soupeerde aan de grootste tafel in het midden van den salon, terwijl de anderen zich bij groepjes van vieren aan de kleinere tafeltjes zetten. Paul gevoelde zich in eene recht aangename stemming, nu hij de laatste Polka met Frédérique gedanst had, naast haar zat en haar bediende, en liet zich zeer gewillig de les lezen door bruidje en door Marie, die hem verweten dat hij veel te brutaal was tegen al die meisjes. Etienne had een kleur van de champagne en kreeg, tot vermaak van Marie, melancholieke aanvechtingen; waarvoor toch zoo te dansen, en je zoo te vermoeien, en waarvoor champagne te drinken, terwijl het leven zoo kort en zoo droefgeestig was! Pauls tweede wals met Freddy na het souper! Misschien was die nog wel zoeter dan de eerste, meende hij, nu, in de roze bedwelming van het gewemel harer tulle plooitjes zich het getintel der champagne mengde, waarmede zij samen aan het souper geklonken hadden, nu dat getintel flikkerde in hunne oogen en in hunnen lach! Toch was hij niet verliefd, dacht hij, want hij vond, dat alle meisjes er vanavond aardig uitzagen, maar in zijne stemming van algemeene bewondering, bleef Freddy hem toch de mooiste, de allermooiste...
Met Etienne geleidde hij daarop de figuren van den cotillon en tusschen het gefladder der vlaggetjes, het quasi intrigeeren der maskers, onder het gewissel van ridderorden en bouquetjes, en het banale spel van het spiegeltje, dat Ange coquet, bij iederen cavalier, die er inzag, omdraaide en weder omdraaide--zeker hopende, dat hijzelve zou komen!--verzon hij spiksplinternieuwe figuren.
Op het einde van het bal, dansten de meisjes, dronken van opgewondenheid, om hem heen en hij liep ze na en speelde, dwars door een geïmprovizeerden galop, krijgertje met Ange en Françoise, die beiden in een azalea terecht kwamen, zoodat Emilie De Woude vond dat het bal een bacchanaal was geworden.
--O, die Paul, die Paul! riepen zij allen.
Maar de sorties werden in de eetkamer binnengebracht en men vertrok. Het was drie uur.
--Je bent veel liever, zooals je vanavond geweest bent, dan zooals je gisteren was, Freddy, sprak Paul, terwijl hij haar hielp.
Zij lachte hem droomerig toe, terwijl hij haar zorgvuldig inmoffelde. Zij dacht, of zij ook iets tegen hem gezegd had dat ze niet had moeten zeggen, maar ze herinnerde zich niets...
En terwijl Paul met een paar jongelui naar huis ging, de kraag op, en de handen in den zak, dacht hij er nog eens over na en hij werd er geheel overtuigd van; ze waren allemaal dol op hem, zonder uitzondering, dol op hem.
X.
Den volgenden Donderdag trouwden Georges en Lili en men was het er over eens, dat men haar een allerliefst, fijn bruidje vond, zoo als men haar in de kerk aan de zijde van haar bruidegom zag binnentreden, zeer bleek en blond in den witten nevel van haar sluier, haar lange sleep van zwaar blank moiré door Ben Van Raat en Nico Van Rijssel, als door twee miniatuurpagetjes, getorst, en gevolgd door den heer De Woude en mevrouw Verstraeten, den heer Verstraeten en Emilie, door de bruidsjonkers en bruidsmeisjes, door de getuigen en de overige leden der familie. Om éen uur reed de stoet terug naar de Princessegracht. Het déjeuner dinatoire was daarna de laatste feestelijke plechtigheid en er werd getoast en mevrouw Verstraeten weende en Lili weende ook en Marie ook. Om zeven uur zaten in den kleinen salon nog slechts familie en intiemen. Het jonge paar was onder het déjeuner onmerkbaar verdwenen; het zou twee weken in Parijs doorbrengen en Marie had schreiend aan Lili's oor verzekerd, dat zij er goed voor zorgen zou, dat hun huisje in de Atjehstraat, na die twee weken, kant en klaar zou zijn, als een nestje voor twee duifjes...
De oude mevrouw Van Raat en Emilie, Henk en Betsy, Frédérique, Otto en Paul bleven de Verstraetens gezelschap houden en hoewel men nu en dan eens lachte en zijn best deed vroolijk te zijn, scheen het, of er langs de guirlandes een geur van weemoed neêrzonk, die zich vermengde met den stervenden geur der welkende bouquetten en bloemenmanden. De heer Verstraeten liep alle kamers rond, geërgerd door dat groen en die bloemen en inwendig meer geroerd, dan hij wilde laten blijken. Eene enkele maal klopte hij mevrouw op den schouder en gaf haar een snellen kus op het voorhoofd en Emilie vroeg hem fluisterend, terwijl zij hem omhelsde, of hij erg boos was, dat zij zoo gepleit en geijverd had voor die twee kinderen... Otto nam ook afscheid en toen Marie de zachte treurigheid zijner stem hoorde, had zij in tranen kunnen uitbarsten. Zij vluchtte naar boven, naar de twee kamers, waar zij van hare kinderjaren af met Lili geleefd had en waar zij nu alleen zou moeten leven.
In de slaapkamer, op Lili's bed, waarop Lili nimmer meer sluimeren zou, lag haar bruidstoilet en de witte sleep slierde gekreukt over het tapijt, terwijl de sluier en oranjebloesem als in haast op een stoel lagen neêrgegooid. Twee witte schoentjes slingerden over den grond.
En Marie weende zachtjes, nu zij op Lili's bed zat en het moirè betastte en ruischen deed. Eenzaam bleef zij over: het werd haar, of Lili gestorven was, of zij reeds begraven was geworden. Het moiré scheen haar kil als een lijkwade toe. Maar de deur ging open; Dien kwam binnen.
--Kom, beste meid, je moet er niet om huilen, hoor! Ze komt immers weêrom en ze blijven in de buurt. Je zal ze iederen dag kunnen zien, als je wil. Ach, wat was ze een lievertje in dat wit, wat een lievertje! Ze zijn toch een bestig paartje met hun beidjes! Ach, ach!
Dien werd ietwat aangedaan en zij trok het gordijn hooger op, zoodat de zon binnenstroomde.
--Ja, ja, zoo gaat het: je brengt je kinderen groot en dan gaan ze van je weg, dan gaan ze naar Indië of dan trouwen ze... En jij, die nou er om zit te grienen, denk je, dat jij dan altijd in huis blijft? Je zal zien, jij trouwt ook; als die komt, dan trouw je; zoo gaat het altijd, zeg ik je!
Marie zag met een glans van vroolijkheid door heur tranen op.
--Ach, wat weet jij ervan, Dien! Misschien word ik wel een oude vrijster!
--Maar kind, dat kan je geen ernst zijn! Neen, daar zal je je toch nooit in schikken! Je zal net als dat kind doen, let op mijn woorden.
Marie lachte. De zon stroomde in de kamer, als een weêrglans van hoop en verwachting en gloeide over het verkreukte bruidstoilet, tot het moiré tintelde van witte vlammen! Zoo was het geen lijkkleed meer, zoo was het een schitterend feestgewaad, blank als sneeuw en lelies, en Marie hoopte! Zij hoopte en zij nam de lentezon op in hare ziel, tot alles er ontlook en bloesemde....
Hoofdstuk XXVII.
I.