Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 3
Op de eerste verdieping bewoonde Eline twee kamers, gescheiden door een portière: een slaapkamer en een ruim boudoir. Met een verfijnde zuinigheid en takt had zij deze vertrekken een aanzien van weelde weten te geven, waarover iets als een artistiek waas lag. Het was er bont en vol, terwijl een gewilde wanorde hier en daar natuurlijke stillevens vormde. Haar piano stond schuin in een hoek. Een lage divan, overdekt met een Perzische stof, was overlommerd door een volbladige aralia. Een kleine schrijftafel was overladen met tallooze kleine voorwerpen van weelde. Beelden, platen, veêren, palmen vulden alle hoeken. De roze marmeren schoorsteen was bekroond met een Venetiaansch spiegeltje, door roode koorden en kwasten als opgebeurd. Een Amor en Psyche, naar Canova, in biscuit, vormde daar een groep van een, zich overgevende, ontsluierde jonkvrouw en een minzieken gevleugelden god.
Toen Eline met Ben binnenkwam, streelde de rossige gloed van den haard heur aanstonds de wangen. Zij wierp het kind eenige verscheurde, uit hun banden hangende, prachtwerken toe, om het bezig te houden; en het nestelde zich op den divan, onder de aralia. Eline trad even haar slaapkamer binnen, waarvan de ramen nog eenige smeltende ijsbloemen vertoonden, fijn geëtst, als in kristal.
Als een apotheoze van tulle en kant stond daar een toilette-duchesse, grillig omgeven met de satijnen cornets van oude balbouquetten, en overladen met flacons en coupes van porcelaine-de-Sèvres en kristal. Tusschen al dit wit en roze schitterde de spiegel als gepolijst metaal. Het ledikant verschool zich achter roode draperieën; een breede psyché, dwars in een hoek, ving in zijn glas een groote watering van licht op.
Even zag Eline rond, of de meid alles naar behooren had geschikt; toen, huiverend in de kilte van het juist geluchte vertrek, ging zij opnieuw haar zitkamer in en sloot de deur. Het was er zeer behagelijk in die iet of wat orientalische weelde, terwijl van buiten de sneeuw een schelwitte weêrkaatsing naar binnen schoot.
II.
Eline voelde haar keel vol melodie. Zij zocht dus, in een aandrang zich te uiten, tusschen haar muziek, en koos de wals van Mireille. Zij zong ze met variaties van zichzelve, met lange points-d'orgue, fijn uitgesponnen als zwellende glazen draden met jubelende trillers, als die van den leeuwerik in haar lied. Zij vergat de sneeuw en de koude daarbuiten. Toen kreeg zij een gewetenswroeging bij de gedachte, dat zij in geen drie dagen gestudeerd had, en zij zong gamma's, fileerde haar hooge tonen of zocht de smelting van een moeilijken overgang te volmaken. En het metaal van haar stem klonk glansrijk op, een weinig koud maar helder, vol kristal en parelen.
Ben, hoewel gewend aan dit gejubel, dat het geheele huis doortrilde, bleef toch met open mond luisteren, zonder zijne illustraties verder om te bladeren en opschrikkende bij de doordringende schelheid van een hooge si of do.
Eline begreep nu zelve niet, waarom zij den vorigen dag zoo treurig was geweest. Hoe was die bui van melancholie toch komen aandrijven, zonder eene bepaalde aan te duiden oorzaak; hoe weggezweefd, eveneens zonder een alles overstroomende vreugde? Nu voelde zij zich opgewekt, vroolijk, gezond; het speet haar gisteren niet de tableaux te hebben gezien, waarvan zij gaarne door Betsy meer had hooren vertellen, en zij vreesde zeer, dat de heer en mevrouw Verstraeten haar ongesteldheid niet ernstig zouden hebben opgenomen. Die goede, gezellige meneer Verstraeten, altijd vol vroolijkheid en gekheid, en die lieve mevrouw! En zij dacht, steeds voor haar piano, nu een roulade, dan een paar voorslagen studeerende, aan andere lieve menschen, die zij kende. Ze vond goede eigenschappen in al haar kennissen: in de Ferelijns, Emilie De Woude, de oude mevrouw Van Raat, mevrouw Van Erlevoort, ook in mevrouw Van der Stoor. Cateau was een poetje. En zij betrapte zich op het idée, wel eens met dien komedietroep te willen meêdoen: ze vond dat Frédérique, Marie, Lili, Paul en Etienne een uitstekende levensopvatting hadden, altijd vroolijk samen, vol plannen van pretjes. Het was wel aardig zich te laten bewonderen, mooi gedrapeerd. En Paul had een lieve stem, ze vond het heerlijk duo's met hem te zingen, en ze vergat, dat ze een paar dagen geleden aan haar zangmeester had gezegd, dat hij hoegenaamd geen klank in zijn orgaan had.
Ze was dus aangenaam gestemd en ze zong een tweede wals, die van Juliette uit Gounods opera. Ze dweepte met Gounod!
Het was half elf, toen er geklopt werd aan haar deur.
--Binnen! riep ze en liet, omziende, haar fijne vingers rusten op de toetsen.
Paul van Raat trad de kamer in.
--Bonjour Eline. Dag, kleine rakker.
--Zoo, Paul!
Zij stond op, eenigszins verbaasd hem te zien. Ben liep naar zijn oom toe en trok zich aan zijn beenen op.
--Wat kom je al vroeg. Ik dacht, dat je vanmiddag zou komen zingen. Maar daarom ben je niet minder welkom, hoor! Ga zitten, en vertel mij van de tableaux! riep Eline opgetogen.... toen, zich bedenkende, dat zij den dag te voren ongesteld was geweest, hernam ze kwijnend:
--Het speet me vreeselijk, dat ik gisteren zoo ziek en akelig was. Vreeselijke hoofdpijn....
--Ik kan het je niet aanzien.
--Heusch, Paul! Denk je, dat ik anders niet was gekomen om je talent te bewonderen? Kom, vertel me, vertel me alles! en zij trok hem meê naar de sofa, vanwaar zij de prachtwerken afwierp.
Paul had zich eindelijk bevrijd van Ben, die, aan zijn handen hangend, zich op de hielen liet wiegelen.
--Kom, laat los, Ben, dikke jongen! En is de hoofdpijn nu over?
--O ja, heelemaal. Ik ga vanmiddag meneer Verstraeten nog feliciteeren, en mijn excuses maken. Maar Paul, vertel me nu....
--Ik kwam je juist vertellen, dat ik van middag niet kom zingen, hoor Elly. Ik heb geen toon in mijn stem; gisteren heb ik zóó moeten brullen en brommen, dat ik er schor van ben. Maar we hebben veel succes gehad....
En hij begon honderd uit te vertellen over de tableaux. Het waren zijn idées en veel was zijn handenarbeid geweest, o.a. het kladderen van de achtergronden; maar ook de meisjes hadden een maand lang zwaar werk gehad met de costumes en duizenden kleinigheden. Dien middag zou Losch komen om fotografies te nemen van de laatste groep; zelfs al was hij dus op stem geweest, had hij niet kunnen komen zingen. En daarbij gevoelde hij zich zôo stijf; hij had gewerkt als een timmerman, maar de meisjes zouden zeker ook wel uitgeput zijn. Gepozeerd had hij niet; hij had het reeds zoo druk met de organizatie der voorstelling gehad.
Hij liet zich een weinig achterover vallen in de Perzische kussens der sofa, overlommerd door de aralia, en streek zich met de hand over het haar. Het trof Eline, hoe hij op Henk geleek, ofschoon hij tien jaar jonger, slanker en levendiger was, fijner besneden van gelaat en verstandiger van blik. Maar een enkel gebaar, een optrekken der wenkbrauwen, deed die gelijkenis soms treffend uitkomen, en al waren zijn lippen dunner onder zijn blond kneveltje, dan die van Henk, onder zijn dikken snor, toch lachte hij met den zelfden trek en de zelfde volle diepe zachtheid van zijn broêr.
III.
--Waarom neem je toch geen goede schilderles, Paul? vroeg Eline, als je toch talent hebt....
--Dat heb ik juist niet! lachte hij. Het zou de moeite niet loonen. Ik klodder zoo wat, precies zooals ik wat galm. Het is allemaal niets.
En hij zuchtte om zijn gemis aan energie om zijn onbeduidende talentjes tot iets hoogers te ontwikkelen.
--Je laat me denken aan papa, sprak zij, en er trok een waas van weemoed over haar woorden, toen het gepoëtizeerd beeld haars vaders voor haar blik verrees....--Hij had bepaald buitengewoon veel talent, maar zijn gezondheid was in den laatsten tijd te zwak, dan dat hij iets groots kon scheppen. Ik herinner mij, dat hij juist aan een kolossaal doek bezig was, een scène uit Dantes Paradiso, geloof ik, juist toen.... toen hij stierf. Arme papa! Maar jij, je bent nog jong en flink, ik begrijp niet hoe je niet verlangt om wat te doen, iets groots, iets bizonders.
--Je weet, dat ik bij Hovel werken ga; oom Verstraeten heeft het voor mij bedisseld.
Hovel was advocaat en procureur en daar Paul inderdaad nog al vroeg, na een afwisseling van hard blokken en lang luieren, in de rechten gepromoveerd was, had oom Verstraeten gemeend den jongen meester een dienst te doen, door hem zijn vriend aan te bevelen. Paul zou dus op Hovels kantoor werken, tot hij zichzelven als advocaat zou vestigen.
--Bij Hovel? Een heele beste man! Ik mag zijn vrouw heel gaarne. O, maar dat zal uitstekend zijn, Paul!
--We zullen hopen!
--Maar zie je, als ik een man was, zou ik maken, dat ik beroemd werd. Kom Ben, wees nu niet lastig, ga nu de mooie plaatjes kijken, hier op den grond! Zou je het niet heerlijk vinden beroemd te zijn? Zie je, als ik niet Eline Vere was dan werd ik actrice!
En zij galmde een roulade uit, die van haar lippen viel als een ris diamanten.
--Beroemd!--minachtend haalde hij de schouders op. Neen, dàt vind ik zoo een kinderachtig idée! Beroemd te zijn! Dat kan me niets schelen! Maar ik zou wel goed willen schilderen of... goed willen zingen, soit.
--Maar waarom neem je dan geen les, hetzij in schilderen, hetzij in de muziek? Wil ik mijn meester vragen?
--Dank je, laat dien brompot van een Roberts er maar buiten. En daarbij, waarlijk Eline, het is de moeite niet waard, ik zou toch niet kunnen volhouden in het een of ander. Ik heb vlagen, rages, weet je en dan meen ik alles te kunnen doen, dan zoek ik groote onderwerpen voor een schilderij...
--Zooals papa, glimlachte zij weemoedig.
--En dan ben ik vol ijver om van mijn stem te maken, wat er van te maken is, maar heel gauw branden die mooie plannen uit als afgestoken lucifers.
--Je moest je schamen.
--Ik ga mijn geniale aspiraties in proceszaken wegstoppen, weet je! antwoordde hij lachend opstaande. Maar nu moet ik gauw naar de Princessegracht, naar de Verstraetens. Je rekent dus niet op me, van middag. We moeten nu nog het een en ander gereed maken, vóor Losch komt. Adieu, dag Eline, dag Ben, dikke peuter.
--Bonjour, beterschap met je schorheid.
Paul ging en Eline zette zich weder aan haar piano. Een korte pooze mijmerde zij er over, hoe jammer het was, dat Paul zoo weinig energie toonde, en dit deed haar weêr aan Henk denken.
Maar ze gevoelde zich te opgeruimd om veel te peinzen en te filozofeeren, en zij zong, vol van een weelde, die zich klaterend moest uiten, tot het belletje van twaalf uur haar en Ben naar beneden riep.
IV.
Paul had zijn moeder gewaarschuwd, dat hij dien middag niet thuis zou komen koffie drinken, daar hij dit bij de Verstraetens dacht te zullen doen. Hij woonde met mevrouw Van Raat in de Laan van Meerdervoort samen. Zij, eene oudere zuster van mevrouw Verstraeten, was eene deftige dame met peinzende, lichtblauwe oogen, met eenigszins ouderwets opgemaakt, zilvergrijs haar, en met een waas van berusting en vermoeidheid over geheel haar wezen verspreid. Daar het loopen haar moeilijk begon te worden, zat zij meestal neêrgebogen in haar gemakkelijken stoel met hoogen rug, het matte grijze hoofd gezonken op de borst, en de blauwgeaderde handen in de schoot gevouwen. Zij leefde nog een stil, eentonig bestaan voort, na een kalm en tevreden, bijna wolkeloos leven aan de zijde van haar echtgenoot, op wiens portret zij vaak de doffe oogen sloeg, zooals het ginds, in generaals-uniform, goed geschilderd, vóor haar hing: een knap, fiksch, open gelaat, met een paar trouwe, verstandige oogen, en een innemenden trek om den vastgesloten mond. Het leven had haar weinig groote smarten aangebracht en zij was er, in de kleine poëzie van haar eenvoudig geloof, God dankbaar voor; maar toch, nu was ze moê, zeer moê, onherstelbaar getroffen door den dood van dien man, welken zij tot het laatst had aangehangen met een genegenheid, kalm als een rimpelloos meer, waartoe het bruisen harer jeugdige liefde vervloeid was. Toen was zij een weinig gaan tobben, meestal over duizenden nietigheden, dagelijks terugkeerende kleine beslommeringen met haar meiden en haar leveranciers, hetgeen zich in hare gedachte alles aaneenschakelde tot een keten van last. Zij gevoelde het, ze werd oud, en het leven kon haar weinig meer geven, en ze vermijmerde zich met een stil egoïsme in de vervlogen poëzie van haar weleer.
Zij had drie kinderen gehad; haar jongste, een meisje, was gestorven.
Van haar beide zonen beminde zij Henk het meest, die forsch en groot haar uiterlijk het meest aan zijn vader liet denken, terwijl zijn soezige goedmoedigheid, in haar oogen, meer naar de ronde, oprechte flinkheid van dezen zweemden, dan Pauls fijner bezenuwde wispelturigheid en vleugellooze genialiteit. Paul was haar steeds nu te onrustig, dan te nerveus geweest, zoowel vroeger, in zijn telkens afgebroken juridische studiën te Leiden--eindelijk, dank zij een weinig moreelen dwang van oom Verstraeten, met een promotie bekroond,--als nu, wanneer hij 's avonds laat uit bleef, rages had van schilderen, tableaux-vivants en duetten of van luierend nietsdoen, waarin hij een geheelen middag over een sofa hing, met een boek, dat hem verveelde.
Vóor Henk gehuwd was, had hij, rustiger en huiselijker dan Paul, zich ook beter kunnen schikken in het huis zijner oude moeder; al was hij stil, zijn zwijgen had haar nooit geërgerd: het was als de gezellige stilzwijgendheid van een trouwen New-Foundlander, die met zijn slaperige oogen over haar waakte. Zij gevoelde zich zoo veilig bij haar Henk. Zij hield van geen eenzaamheid, waarin haar het verledene te rooskleurig bij het grijze heden voor den geest placht te trekken, en Paul zag zij zelden anders, dan in haast dineerende, daar hij een afspraak had, of zich vervelende op zijn eigen kamer. Uitgaan deed zij daarbij zelden, ongewend geworden aan de woelende drukte der straten, of de gonzende conversatie van vele menschen te zamen.
Henk was haar lieveling, en zij betreurde, door den nevel harer tobberigheid, waar het haar zoon aanging scherp en helder ziende, zijn huwelijk met Betsy Vere. Dat was nooit een vrouw geweest voor haar kind, en zij had hem ook niet van harte haar toestemming en moederlijken zegen kunnen geven, toen hij haar zijn voornemen had meegedeeld. Toch had zij den geliefden zoon niet in die keuze willen tegenstreven, bevreesd anders wellicht zelve tot zijn ongeluk mede te werken; zij had dus met een verloochening van gewone oprechtheid, een verloochening, die haar somwijlen zelve verbaasde, haar afgunst voor de indringster verborgen en deze ontvangen als een dochter. Intusschen, zij bleef een zwaar hoofd hebben in de toekomst van Henk: zij had mevrouw Vere een weinig gekend; driftig en heerschzuchtig was deze haar steeds een onaangename persoonlijkheid geweest en deze dochter deed haar veel aan die moeder denken. Ofschoon Henk, in haar oogen, een veel vaster en flinker karakter bezat dan Vere, dien zij zich slechts doodsbleek en met zware hoofdpijn kon voorstellen, terwijl zijn vrouw voor hem dacht en handelde, ofschoon Henk, naar zij meende, de ronde flinkheid van zijn vader had, en zich niet zou laten bedillen, gelukkig, gelukkig als zij met Van Raat was geweest, zou hij nooit met Betsy wezen. En zij zuchtte bij die gedachte met vochtig oog; heur moederlijke liefde deed haar, trots haar moederlijke blindheid, als door een onfeilbaar instinct iets van de waarheid gissen, en zij had gaarne heur vroeger geluk gegund aan haar zoon, om in zijn plaats te hebben geleden.
Met dwalende gedachten had zij nu gezien, hoe Leentje, de meid, in de andere kamer de ronde eettafel voor de lunch had gedekt, voor haar alleen, en met een matte berusting zette zij zich neêr, loodzwaar gedrukt onder een hatelijke verlatenheid. Morgen zou zijn als heden; het leven was haar een uitgebloeide zomer geworden en bleven herfst en winter ook stormenloos, zij brachten dorre melancholie en kille lethargie over. Waarom leefde zij nog....?
En ze gevoelde zich zoo moede onder het gewicht dier versuffende eenzaamheid, dat zij Leentje niet eenmaal de les las over haar ruwheid, ofschoon zij toch een porseleinen vleeschschaal in het oog kreeg, waarvan de rand bij het vatenwasschen zeer gekarteld was geworden.
V.
Vroeger dan zij placht uit te gaan, ging Eline dien middag naar de Verstraetens. Het was in de laatste dagen van November en een strenge winter was vroeg ingevallen. Het vroor; de sneeuw knarste, nog onbezoedeld en blauwig-blank, onder Eline's lichten, regelmatigen tred, maar liever zocht haar voet de gladheid der schoongemaakte trottoirs. De fijn geschoeide handen in het kleine mofje verschuilend, soms van onder haar witte tulle voilette een kennis, vriendelijk glimlachend, toeknikkende, nam zij haar weg door de Javastraat naar de Princessegracht. Ze gevoelde zich nog zeer opgeruimd in haar elegant, met bruin bont omzoomd, wintertoilet en in haar aangename gemoedsstemming, zelfs niet verbroken door een kleinen twist met Betsy, welke haar verweten had, hoe zij Grete werk liet doen, dat Mina paste. Zulke kleine oneenigheden waren tegenwoordig geene zeldzaamheid, echter steeds tot groote ontstemming van Henk, wien niets zoo tegenstond als die lichte uitbarsting van huiselijk gekibbel.
Eline had zich echter Betsy's opmerking weinig aangetrokken en deze met minder bitsheid dan gewoonlijk beantwoord; zij wilde zich niet door zulke nietigheden uit haar goed humeur laten brengen, het leven was er haar te lief voor....
En dankbaar, dat zij zich ingehouden had, sloeg zij de Javastraat om.
Bij de Verstraetens vond zij nog een ongewone wanorde. Dien gaf haar niet-thuis, maar Eline verbrak het consigne en drong door in de groote suite, waar zij mevrouw aantrof, die zich verontschuldigde over haar peignoir. Losch, de fotograaf, was, half bedekt onder het groene kleed van zijn toestel, bezig de reeds gepozeerde groep der Vijf Zinnen te beschouwen. De meisjes, Etienne en Paul, lachten Eline toe, en zij zeide, na mevrouw haar excuses gemaakt te hebben, hoe heerlijk zij het vond nog iets van de tableaux te kunnen zien. Maar het tafereel maakte in het kille, door den besneeuwden tuin weêrkaatste, daglicht, niet meer dien indruk van gloed en weelderig kleurgeflonker als den vorigen avond in een verheerlijking van Bengaalsch licht. De draperieën hingen slap en verkreukeld, het goudlaken van Frédérique had een vaal verlepte tint; haar hermelijn bleek molton te zijn, met zwarte wol opgewerkt. Etienne's blonde pruik was een weinig uit de krul. Tevergeefs maande Losch aan een weinig vriendelijk te kijken: Lili, als de Reuk, lag half te sluimeren in haar kussen.
--Ik geloof, dat er niet veel van komen zal, zeide Marie, terwijl Losch aan haar draperie schikte; maar Toosje Van der Stoor had er wel idée op, en bleef liggen, onbeweeglijk, met een onuitstaanbare kramp in haar middel, door heur moeielijke poze.
Eline was, om de gepozeerde artisten niet af te leiden, naar de serre gegaan en zette zich neêr bij den heer Verstraeten, dien zij nog met zijn verjaardag feliciteerde. Hij legde zijn boek uit de handen en zijn bril af, terwijl hij met zijn tintelende, bruine oogen vol welgevallen het elegante meisje beschouwde.
--Weet u wel, sprak ze, terwijl zij het, met bont omzoomde, manteltje loshaakte; weet u wel, dat ik eigenlijk jaloersch ben van dat troepje daar ginds. Je ziet ze maar altoos samen, altijd vroolijk, vol van allerlei plannen en pretjes.... Ik voel me heusch oud bij ze....
--Verbeeld je! antwoordde mevrouw lachend, terwijl zij in haar peignoir achter een stoel bleef staan; je bent even oud als Marie, drie-en-twintig, niet waar?
--Ja mevrouwtje, maar ik ben niet zoo bedorven geweest als Marie en Lili worden, en ik geloof, dat ik het me toch zoo goed zou hebben laten welgevallen! Ach, u weet, vroeger bij ons, toen ik nog een kind was.... papa was meestal ziek en dat maakte ons natuurlijk stil, en later bij tante Vere.... tante was een allerliefste vrouw, maar veel ouder dan papa en vroolijk was zij niet....
--Je mag geen kwaad spreken van tante Vere, Eline! zeide de heer Verstraeten; ze was nog een oude vlam van me....
--O, en u mag niet met haar spotten; ik hield dol veel van haar, ze was ook een tweede moeder voor ons, en toen ze, na die lange ziekte, stierf, voelde ik mij verschrikkelijk verlaten, als alleen op de wereld.... Ziet u, dat alles heeft me nu juist geen erg vroolijke jeugd gegeven! en ze glimlachte met een weemoedig trekje, terwijl haar oogen, bij de gedachte aan wat zij gemist had, vochtig werden. Terwijl, als je Paul en Etienne en de meisjes ziet, dat is altijd een gelach en een vroolijkheid.... heusch om er jaloersch van te worden. Die Toos is ook een lief kind.
Men hoorde de artisten van de estrade springen. Losch was klaar. Paul en Etienne kwamen met Freddy, Marie en Cateau in kostuum de serre binnen, terwijl Lili naar bed ging, afgewonden door de drukte der twee laatste dagen.
--Dag juffrouw Vere, sprak Cateau en reikte Eline haar hand. Eline gevoelde plotseling een onbeschrijflijke, onberedeneerde sympathie voor dat kind, zoo eenvoudig en onbewust-innemend, en ze moest haar aandoening, terwijl ze opstond om heen te gaan, verbergen door Cateau met een brusk gebaar, al spelende, te omhelzen.
--Dag schat! zeide ze dwepend. Kom mevrouwtje, ik ga u verlaten, u zal nog veel te doen hebben, nu de drukte is afgeloopen. Alleen.... heb ik Betsy beloofd u de kaartjes te vragen voor de opera.... Zou ik ze mogen meênemen, als u ze bij de hand heeft?
VI.
Het was nog vroeg, even over halfdrie, en het kwam Eline in de gedachte, hoe zij in vele dagen de oude mevrouw van Raat niet had opgezocht, ofschoon zij wist, dat deze veel van haar hield en gaarne des middags iemand ontving, om een praatje te kunnen maken. Henk ging zijn moeder trouw iederen morgen bezoeken, nadat hij gereden had en de twee, door zijn vrouw verbannen, Ulmerdoggen renden ongestraft de trappen van het huis zijner moeder op. Betsy zag deze zelden: Betsy zag wel in, dat mevrouw Van Raat haar weinig genegen was. Eline had haar hart weten te winnen, door een zekere, allerinnemendste wijze, waarop zij met oude dames omging, iets in haar toon van spreken, in haar kleine attenties, iets als een geur van eerbied, die der oude vrouw weldeed.
Eline ging weêr terug door de Javastraat naar de Laan van Meerdervoort, en vond mevrouw Van Raat alleen, in haar hoogen stoel, de handen gevouwen in den schoot. En zij scheen het jonge meisje een beeld van zóo groote, onuitgesproken treurigheid toe; er zweefde over de rijke, versleten meubels zulk een waas van vervlogen gezelligheid; er hing in den corridor, in het vertrek zulk een atmosfeer van weemoed; er lag over de plooien der donkergroene ripsen gordijnen zulk een nevel van melancholie, dat zij zich bij haar binnentreden beklemd om het hart voelde, als was het leven de moeite niet waard. Waarom waarom....?
Toen deed zij zich geweld aan. Zij verzamelde die gedachten, waarin zij des morgens zoo opgeruimd was geweest, zij glimlachte en nam in haar toon dien vagen eerbied, met iets van liefde en medelijden, aan, en zij sprak opgewekt over Paul, over het diner van dien middag en de opera.... en zij beloofde mevrouw Van Raat eenige boeken te sturen, lieve, lichte lectuur, waarin men de wereld door roze glaasjes bekeek.
Het deed haar pijn zoo te ratelen, terwijl zij gaarne met de oude vrouw had willen schreien, in een sympathie van weedom, maar zij hield zich goed, en durfde zelfs een ernstiger onderwerp aan te vatten; zij keurde het, steeds met haar lieven, eerbiedigen toon af, dat mevrouwtje zooeven, toen zij binnen was gekomen, vochtige oogen had gehad en dit nu niet wilde erkennen; zij was niet nieuwsgierig, maar zij zou haar zoo gaarne willen troosten, zoo ze kon; had mevrouwtje haar niet wel eens meer als confidente beschouwd..?
Zij doelde op klachten over Betsy, op andere, kleinere beslommeringen, maar raakte ze niet verder aan.