Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 29

Chapter 294,136 wordsPublic domain

--Ja? Arme meid! Ach, we hielden geen correspondentie; maar.... maar ik mocht haar heel gaarne....

Ze had het op de lippen om te zeggen: "maar we zijn haar zooveel verschuldigd!" Zij dacht aan Eline. Doch zij vervolgde slechts:

--Toe Mathilde, als je iets naders hoort, schrijf het me dan, wil je? Je zal er mij veel plezier meê doen.

--Goed! sprak Mathilde en Betsy ging met Henk naar bruid en bruidegom. De Van Raats kwamen ook niet meer bij de Erlevoorts aan huis, maar men was toch steeds goede vrienden gebleven. En Mathilde dacht aan Jeanne, die zij misschien voor goed verloren had, toen hare arme vriendin, reeds zes maanden geleden, haar man terug naar Indië was gevolgd.

Henk en Betsy waren Georges en Lili genaderd.

--O Betsy, Henk! riep Lili uit; wat hebt je ons vreeslijk bedorven! En het was zoo geheel en al een verrassing voor me! Het is prachtig. Het is zoo mooi!

Zij omhelsde hen beiden voor het blauw satijnen ameublement.

--Als het maar niet te veel zal afsteken bij het andere! sprak Georges, die ook bedankt had.

--Ach, wel neen! riep Lili. Die mannen zijn altijd ondankbaar, niet waar, Betsy? Nu ik niet, ik ben er dol blij meê, dol blij!

--Net een kind dat een poppenhuis krijgt! sprak Emilie lachend tot Betsy.

In de serre was Marie, met Etienne op de blauwe canapê en de causeusetjes zittende, bezig te onderzoeken, welke het zachtst en molligst was. Marie was in den laatsten tijd vroolijk tot in het uitgelatene toe. Zij sprongen nu zittend op en neêr, gierend en zonder eerbied voor de krakende veeren van het blauwe ameublementje.

Wel, waarom zou ze niet vroolijk zijn, al trouwde hare zuster? Wanneer die uit het huis was, zou het toch nog tijds genoeg zijn, om zich te verkniezen, want eenzaam... ja, dat zou zij, Marie, het dan wel hebben. Maar geen verdriet van te voren!

Mathilde was met Otto in de serre gekomen, ten einde de geschenken te bezichtigen. En Marie wees hun alles aan, dit van die, en dat van die...

--Waarom kom je morgen niet dansen? vroeg zij Otto, het zou zoo gezellig zijn.

Hij schudde met een zachten glimlach het hoofd.

--Waarlijk, dring er niet meer op aan. Het spijt me, dat ik weigeren moest. Maar ik dans niet, ik ga niet meer uit.

--Je bent een kluizenaar geworden!

--Ik word al oud!

--Ach, kom, gekheid! Amuzeert het je niet meer menschen te zien, die zich amuzeeren?

--Jawel, zoo nu en dan, maar over het algemeen blijf ik liever thuis.

Er klonk een zachte weemoed door zijn stem en zij drong niet meer aan en wees hem, om over iets anders te spreken, een groote mand met bloemen.

--Wat een mooie rozen al... kijk eens! Heerlijk als die bloemen komen; ik ben zoo dol op rozen... we zullen zeker een mooien zomer krijgen.

--Ja, we hebben ook een mooi voorjaar, sprak hij dof. Zij schrikte en zweeg, een weinig geërgerd en toch vol van medelijden om zijn stillen weemoed. Hij dacht zeker aan een vorig voorjaar, aan een vorigen zomer.

II.

De "verbintenis des harten" tusschen Georges en Lili, voor welke Emilie, nu ongeveer anderhalf jaar geleden, bij den heer en mevrouw Verstraeten gepleit had, had het jonge paartje niet lang gebonden, zonder weldra tot een hechter band verstrengeld te worden. Iedereen wist er immers van, en iedereen sprak er over, hoe bescheiden Georges ook geweest was. De heer en mevrouw Verstraeten zagen in, dat die toestand niet langer houdbaar zou zijn. Want Lili zeurde nu eens en boudeerde eens, en Emilie, waarachtig! begon meê te zeuren. Mevrouw kwam dan wel eens klagen bij hare zuster Dora, de oude mevrouw Van Raat, maar de moede, grijze vrouw, die zich steeds in het verleden geluk verdiepte, gaf haar niet gelijk. Waarom maar geen formeel engagement; alles zou zich daarna wel schikken--zoo drong mevrouw Van Raat met haar treurige stem aan, en Lili dweepte dan ook voortaan met hare oude tante en vond, dat er niemand op de wereld zoo lief was als zij.

Toen was het gebeurd, dat, zoodra Georges in zijn examen voor vice-consul geslaagd was, het engagement, voor niemand meer een geheim, publiek was geworden. Georges was daarna éens gedetacheerd geweest naar Parijs en éens naar Hamburg. Toen hij teruggekeerd was, dreven Emilie en Lili opnieuw de hardnekkige ouders tot een stap verder. De toestand werd gewikt en gewogen en men kwam tot het besluit, dat als Georges nu op Buitenlandsche Zaken werkzaam, zoo zuinig was, als hij voorgaf te zijn en Lili verstandiger werd--wat zij nog lang niet was, meende mevrouw Verstraeten--het huwelijk gewaagd zou kunnen worden met een kleine bijdrage van de zijde der Verstraetens. De dag werd bepaald op 30 Mei. Mevrouw, Emilie en Lili beijverden zich voor het uitzet en er was niemand zoo gelukkig in heel Den Haag als die twee kinderen, welke, zooals Emilie schertste, na een roman van lotverwisselingen, omzwervingen en booze ouders, edele zusters en tantes, ten laatste elkaâr gekregen hadden! Zoo werden deugd en trouw beloond!

Marie lachte hartelijk, toen Emilie aldus declameerde. Want Marie was in den laatsten tijd zoo vroolijk en levenslustig geworden, dat Frédérique geheel en al vergeten was, hoe zij vroeger vreemde, nerveuze buien had gehad, hoe zij vroeger zich steeds eenzaam had opgesloten en reisbeschrijvingen had pogen te schrijven. Zij dwaalde, jubelend van vroolijkheid, het huis door, plaagde Lili, plaagde Jan, pakte oude Dien bij de schouders, om met haar rond te tollen. Het scheen, of er een glans over haar gelaat straalde, die zich weerkaatste in het zachte bruin harer oogen, Zij had steeds een eenvoudig, weinig opvallend gezichtje gehad, en men verwonderde zich er nu vaak over, in den kring harer kennissen, dat Marie zoo opknapte.

Die glans over haar gelaat scheen als de weêrschittering van den dageraad eener nieuwe verwachting in haar hart. Wanneer zij tegenwoordig voor haar venster stond, en naar het Malieveld tuurde, dat, in de zachte Meizon, als met een geparel van dauwdruppelen schitterde, terwijl het geblaârte van het Bosch zich in teeder geelgroene tinten schakeerde, sloeg geen weemoed meer een nevel over haar ziel, maar jubelde die integendeel op.

Zij mocht zich hem, Otto, nu denken, zij mocht zich thans bekennen, dat zij hem liefhad! En het scheen haar, of zij hem nog meer liefhad, nu, dat een innig medelijden hare liefde verhoogde, dan vroeger, toen zij hem beminde om zichzelve, met een stille ijverzucht op die andere, welke hem weldra van zich gestooten had als een waardeloos iets.

Hij scheen nog wel te treuren om die andere, maar toch mocht zij hopen, en die hoop schitterde van uit heur hart op naar heur gelaat, en deed haar glanzen van een nieuw schoon.

III.

Des avonds, na de receptie, waren de Verstraetens een weinig moê. Zij verkleedden zich en meneer trok zich in zijn kantoor terug. Mevrouw ging een dutje doen, afgetobt door duizend bruiloftbeslommeringen, en Lili, uitgeput na een geheelen middag, staande, bedankt te hebben voor een stortvloed van felicitaties, had zich in haar geliefden stoel van oud tapisserie werk neêrgeworpen en sluimerde bijna met half gesloten oogen.

--Lili, waarom ga je niet wat boven op je bed liggen? ried Marie aan.

--Ik dank je hartelijk, ik voel me daar in niets geen stemming toe! Maar ik ben dood, dood...

Georges naderde zijn bruidje bezorgd en hij zette zich bij haar, vatte heur hand, en zij fluisterden samen in het zachte schijnsel der halfverlichte salons. Frédérique, Paul en Etienne waren, evenals Georges, blijven eten, maar Etienne nam nu afscheid; hij had een afspraak met eenige kennissen.

--Ga je meê, Paul? vroeg hij.

Paul hief even het hoofd op en dacht na. Toen rekte hij zich uit.

--Neen, dank je, ik ben wat lui.

--Maar ze rekenen op je!

--Ja, ik heb toch geen lust; excuzeer me maar.

Etienne mopperde ontevreden en ging heen. Marie dwaalde neuriënde door de salons, verschikte met Frédérique eenige bouquetten en bloemenmanden en besprenkelde ze met de druppels, die zij van hare vingers, na ze in een kom met water bevochtigd te hebben, aftikte. Marie alleen had zich, om in een feeststemming te blijven, niet verkleed, maar zij zou nu toch haar roze toilet voor iets eenvoudigers verwisselen. De anderen waren toch saai en lui en moê. Lili lag met haar hoofd op Georges' schouder; Paul hing in een stoel, met wijd uitgestrekte beenen...

--Zet die groote mand op het tafeltje in de serre, wil je, Freddy; hij staat hier wat in den weg; we zouden hem morgen omver kunnen dansen. Dan ga ik even naar boven.

--Goed, sprak Frédérique.

Marie ging en Frédérique tilde de mand op, toen Paul zich verhief.

--Wil ik je even helpen? vroeg hij.

--Ja, zet hem dan in de serre, op het tafeltje. Dank je.

Zij nam de kom met water en besprenkelde de bloemen, die Paul nu verplaatst had. De serre was niet verlicht en scheen een somber priëel van groen. De geschenken waren reeds opgeruimd; alleen het blauwe ameublement stond er nog verspreid. Paul met de handen in den zak staarde op Frédérique's vingers, die de druppels over de bloemen neêr tikten.

--Freddy, begon hij. Ik moet je eens iets vragen.

--Wat dan?

--Waarom boudeer je tegenwoordig tegen me?

--Ik boudeeren? Ik denk er niet aan. Alleen kan ik niet lief zijn tegen iemand, van wien ik op het oogenblik niet hou.

--En waarom hoû je op het oogenblik niet van me?

--Die vraag kan jij jezelve beantwoorden, als je even nadenkt, antwoordde zij en zij wilde zich met haar kom verwijderen. Hij echter vatte haar bij de beide polsen.

--Loop nu niet boos weg en zet die kom maar neêr. En antwoord me nu niet met halve woorden.

Hij dwong haar zacht te gaan zitten en ontnam haar de kom, maar zij maakte heure polsen los uit zijn greep. Gaf zij hem nu ook toe door te blijven zitten, bereid hem aan te hooren, toch gevoelde zij iets, of zij een zege behaald had: er was iets smeekends in zijn zachten dwang geweest.

--En vertel me nu eens wat je tegen me hebt?

Dat hij zoo aanhield maakte haar verlegen: het was haar toch wel moeilijk hem tezeggen, wat zij tegen hem had.

--Je weet, dat ik een groote fout heb, Paul! begon zij. Ik kan namelijk nooit mijn gevoelens verbergen. Ik vind je tegenwoordig niets lief en dat schijn ik onwillekeurig te laten blijken. Het spijt me en ik verzeker je, dat het onwillekeurig is; ik zal voortaan probeeren vriendelijker te zijn en een beetje te huichelen.

--Waarom ben je toch zoo bitter, Freddy? Spreek liever ronduit met me.

--Ach, beste Paul, wat valt er te spreken. Als ik met je sprak, zou ik je misschien het een of ander gaan verwijten, en ik heb geen recht je verwijtingen te doen.

--En als ik je nu het recht gaf me verwijtingen te doen? Verwijtingen zijn me in alle geval aangenamer dan die korte, booze woordjes, die ik tegenwoordig telkens van je krijg.

--Je wilt dus absoluut door mij de les worden gelezen? vroeg zij, een weinig verzacht en glimlachend.

--O zoo graag, dol graag.

--Zie je, je maakt er gekheid van. Ik wil heel graag gekheid maken, maar laten we dan over iets anders praten en naar binnen gaan.

--Neen, neen, juist niet, het is hier juist een plekje om vertrouwelijk te zijn, en ik ben hoogst ernstig, ik verzeker het je.

Zij poogde hem in de oogen te zien, want hij zat in de sombere schaduw der palmen. Hij had in den laatsten tijd een toon van spot, een satirieke tint in zijn stem, die haar hinderde, en zelfs nu hij een verklaring met haar zocht, merkte zij dien cynischen klank op.

--Je bent zeker zeer tevreden over jezelven, niet waar? Je spreekt tegenwoordig over alles zoo luchtig, zoo minachtend.

--Ah, nu komen we verder. Dit zijn ten minste grieven; luchtig, minachtend, ik wist niet, dat ik zoo sprak. Maar waarom zou ik niet tevreden zijn over mezelven?

--Omdat je tegenwoordig zoo een allernuttigst leven lijdt.

--O, ik weet al waar je naar toe wilt. Je meent dat ik tegenwoordig niet meer bij Hovel werk. Ik ben van plan me als advocaat te vestigen.

--Dat wist ik; tenminste, dat heb ik meer gehoord.

--Nu, stelt dat je dan niet gerust?

--Mij gerust? Ik ben over niets ongerust, Paul, ik heb over niets ongerust te zijn. Ik bid je, laten we toch over iets anders spreken want ik heb heusch de pretentie niet, je tot een bezigheid aan te sporen. Het kan mij niet schelen, of je iets doet, of dat je leêg loopt. Ga je mee naar den salon?

--Toe Freddy, wees nu niet zoo kort van stof. In den salon hinder je Georges en Lili, die met elkaâr liggen te vrijen. Ik wou nu zoo graag eens vrede met je maken.

--We zijn toch niet op voet van oorlog, meen ik.

--Neen, maar ik kan niets zeggen of je vat het verkeerd op. En je bent toch niet zoo koel tegen me, alleen, omdat ik op het oogenblik niets uitvoer? Zeg me dus ronduit; waarom ben je zoo koel tegen me?

Hij dreef haar een beetje in het nauw, maar zij liet het niet blijken.

--Zooals ik je zeg, je luchtige, minachtende toon bevalt me soms niet. Je kan soms vreeselijk arrogant spreken. Bij voorbeeld verleden, toen je over Georges en Lili sprak.

--Omdat ik het dwaas vond,--en dat vind ik nog,--dat ze met elkaâr armoede willen gaan lijden? Enfin, ze moeten het weten, niet waar, maar waarom is het arrogant dat te zeggen?

--Omdat niet iedereen millionnair is, Paul. Hij zag haar doordringend aan.

--Ik begrijp niet wat je daarmeê bedoelt.

--Het is toch niet moeilijk te vatten, geloof ik! antwoordde zij met een lachje.

--Je meent toch niet, dat ik me.... op mijn geld laat voorstaan?

--Nu.... zoo een klein beetje.

--Ach kom, dwaasheid!

--Heusch, je hangt tegenwoordig wel wat "le seigneur opulent" uit. Je hebt, geloof ik, een kring van arme vrienden, die goed van je beurs profiteeren, en waarmeê je orgies houdt, in het huis van je moeder, zoodat de goede vrouw niet slapen kan, niet waar?

--Hoe kom je aan dat verhaal?

--Je vergeet, dat ik een broêr heb, die ook in dat clubje is. En dat je mama wel eens behoefte heeft haar hart lucht te geven.

--O, ik denk er al lang over op mijzelven te gaan wonen. Het is te lastig als jongmensch in een zoogenaamd geordend huishouden te zijn. Ik heb een appartement op het oog en dan heeft mama geen last meer van mijn orgies.

--Een appartement? Ik zou een hôtel laten bouwen, Paul, met logeerkamers voor je arme vrienden.

--Wat hamer je toch op mijn arme vrienden! Wie bedoel je daarmeê! Hijdrecht is toch niet arm en Oudendijk ook niet.

--Je noemt wel de twee fatsoenlijkste op van het troepje.

--Je kent de anderen niet, Frédérique.

--O gelukkig niet, goddank niet!

--Wat weet je dan van ze? En hoe kan je ze dan beoordeelen? Als je ze niet kent....

--Ik weet genoeg van ze, om te weten, dat ze als een troepje parasieten op je geld azen.

--Zoo, denk je? Etienne heeft zeker geleuterd over iemand, dien ik wel eens geld gaf. Etienne moest beter weten, wat hij zeggen kan en wat hij voor zich moet houden. Je leent onder jongelui elkaâr zoo dikwijls; daar kan jij niet over oordeelen.

--Dat zal wel zoo zijn, we zullen er dus niet meer over spreken.

Er was in den salon beweging gekomen en het gas brandde er nu hel. Frédérique stond op.

--En de vrede is dus niet gesloten? vroeg Paul, eveneens opstaande.

--Er was geen oorlog, Paul, antwoordde Frédérique. Je hebt alleen me willen spreken en ik heb met je gesproken. Heb ik je soms iets gezegd, dat je niet aangenaam is, vergeet dat dan; ik herhaal je, ik zou je niets verweten hebben, als jezelve geen verwijtingen had uitgelokt. Je bent oud en wijs genoeg om je leven van jongmensch in te richten, zooals je verkiest. Een raad van een jong meisje heb je daartoe niet noodig en zou je niet van nut zijn.

Zij begaf zich naar binnen. Mevrouw Verstraeten was juist met Marie teruggekomen, en Dien bracht het theeblad. Lili vroeg waar Frédérique gezeten had.

--Ik heb met Paul zitten wachten op de thee, antwoordde Freddy. Ik versmacht van dorst, mevrouw.

Paul echter nam afscheid. Hij zou nu toch maar Etienne en, zijne kennissen, die hem wachtten, zoeken, zeide hij, en in zijn stem klonk iets uittartends.

--Tot morgen dus... Adieu tante! Dag Lili, Georges, Marie. Dag Freddy!

--Dag Paul, amuzeer je. Tot morgen, antwoordde Freddy koel en zij legde achteloos hare vingers in de hand, die hij uitstak.

IV.

Met een zeer ontevreden gevoel over zichzelven, in een onbehagelijke stemming, wandelde Paul de Princessegracht af, op weg naar de stad. Tevergeefs poogde hij dat ontevreden gevoel af te weren; het had een grijzen sluier over zijne gewone loszinnigheid geworpen en hoe meer hij zich uit die vale plooien zocht los te winden, hoe dichter zij hem omhulden. Wat toch behoefde hij zich het hoofd zwaar te maken over de bouderie van een jong meisje, dat bij toeval het een en ander van zijn jongelui's-leven gehoord had, en dat zich uit die oppervlakkige kennis een romanesk-idée schiep, zeker een fantazie van stroomen champagne, rollende gouden tientjes en smachtende vrouwenarmen ... Wat had Frédérique hem eigenlijk verweten? Dat hij geene betrekking had? Waarom zou hij zich niet amuzeeren, zoolang hij het doen kon? En waarom zou hij naar een betrekking zoeken, die hij niet noodig had, en aldus den een of anderen armen drommel, die zijn brood moest verdienen, door concurrentie zoeken te benadeelen? Hijzelve zou ook gaarne een aangenamen werkkring gehad hebben, maar zooveel betrekkingen waren er niet te krijgen, dat men er eene voor de luxe op na zou houden en Frédérique moest in plaats van hem de les te lezen over zijn "allernuttigst leven", het in hem apprecieeren, dat hij niet een ander zijn brood ontstal! Zijne arme vrienden... Frédérique wist immers zelve, dat niet iedereen millionnair was; zou ze dus willen, dat hij zijne vrienden alleen uit Nabobs koos! Waarom zou hij zijne vrienden niet helpen als ze in den piepzak zaten, terwijl hij slechts de moeite had bij zijn bankier aan te loopen. Maar Etienne had soms zulk een kinderachtige, tactlooze manier om zaken, waarover men niet onder dames of met zijne familie sprak, klakkeloos uit te flappen; hij zou dat jongetje eens onderhanden nemen; Frédérique moest eens weten, dat Etienne, zoo goed als de anderen, telkens bij hem aanklopte, nu om honderdvijftig gulden en dan om een rijksdaalder.

En terwijl hij in de schemering voortliep, groot en flink, met zijn breede borst en zijn breede schouders, het hoofd in den nek, en iets voor-den-gek-houdends in zijn lachende oogen en om zijn pedant omgekrulden mond, bedacht hij, met een inwendig genot, dat het toch wel lastig was rijk te zijn. Die verlangde, dat je geld rondom je heen zou strooien, en die, dat je er op ging zitten. Toch maakte wel iedereen je het hof, vooral de mama's van huwbare dochters: zooals mevrouw Eekhof, die hem met alle geweld scheen te willen lijmen aan Ange of Léonie, of mevrouw Oudendijk, die hem minstens eens per week inviteerde en hem zooveel mogelijk met Françoise alleen liet, terwijl nu, dat Cateautje op jaren kwam, mevrouw Van der Stoor ook moeite ging doen. En dan nog andere mama's met meisjes, die en die, en die... Hij liet ze allen in gedachten voorbij trekken, als een processie van bejaarde dames, die glimlachend en buigend, hem hare quasi zedig blozende dochters voorstelden, als ware hij een Pacha, die er een harem op na ging houden en maar voor het nemen had. Zoo loerden ze om hem te vangen, allen tuk op een ton of wat. Hij had zijn hand maar uit te strekken en hij zou er tien aan elken vinger hebben. Ja, ja, het was wel lastig rijk te zijn!

Hij sloeg het Korte Voorhout om. Zijn gedachte had zich langzamerhand uit dien grijzen nevel van ontevredenheid losgeplooid en fladderde nu spottend over al die aanprijzende mama's en die koopbare dochters. Hij moest er nog niets van hebben; hij hoopte zijne lieve vrijheid nog lang ongerept te kunnen bewaren! Maar stel eens, dat hij arm geweest was, wie van die ris schoonheden zou hem dan hebben willen hebben? Françoise zeker nog wel; die zag hem altijd zoo verliefd vlak in zijn oogen aan! Ange en Léonie draaiden ook nog al om hem rond, als zochten ze krijgertje met hem te spelen, en als hij ze nageloopen had, zouden ze zeker in zijn arm gevallen zijn, met haar halfdichte oogjes en haar mooie poppenfiguurtjes. Alleen Cateau, die gaf zich airs, de kleine meid!

Terwijl zijne spottende gedachte over haar allen met een liefkoozende minachting heengleed, rees een enkele maal Frédérique, fier als een jonge vorstin, tusschen al die sultanetjes. Maar haar trof geen spot en bij haar stond ook niet mevrouw Van Erlevoort, die ze te koop bood. Zij stond alleen, en blikte met een rustigen hoogmoed op hem neêr; zij zou zich niet in zijn armen geworpen hebben of aan zijn voeten gevallen zijn, zooals die anderen. En hij eerbiedigde er haar om....

--Maar dat ze zooveel tegen me heeft bewijst toch wel, dat ik haar niet onverschillig ben! dacht hij, terwijl hij langs den Schouwburg ging en de Houtstraat insloeg. Ze beweert nu wel: het kan haar niet schelen, of ik dit doe of dat doe, of ik zoo leef of zus leef, maar kòn het haar niet schelen, dan zou ze me niet boudeeren, en niet tegen me spreken als ze gedaan heeft. Ach natuurlijk, ze kent me zoolang, dat ze vanzelf eenig belang in me stelt... En ze hoort natuurlijk een heele boel slechts van me door mama en tante en de nichtjes... Het is een lieve, degelijke meid, ik mag haar heel graag...

Het streelde hem nu bijna, dat die lieve, degelijke meid hem zooveel verweten had en hij verlangde haar weder te zien en opnieuw zulk een gesprek met haar te wisselen, als zij dien avond gewisseld hadden, onder de schemerende palmen der serre.

--Natuurlijk, ze is een jong meisje en ze maakt zich dus wat nuchtere ideeën van een wereld, die ze alleen uit den een of anderen slechten roman kent, maar ze kan toch zoo aardig praten over de parasieten, die op mijn geld azen. Dat heeft ze zeker ergens gelezen! Het is net een professortje... Ik zal haar voortaan professor noemen, die kleine wijsneus!

Zijn spot dreef weêr boven, maar hij mocht zich even vroolijk maken over wat hij Frédérique's deftigheid noemde, zij bleef in zijne gedachte toch tronen boven die andere meisjes, welke door haar mama's hem in den arm werden geduwd....

En terwijl hij de Witte Sociëteit, waar hij wist nog zijne kennissen te zullen vinden, naderde, herdacht hij het met een heimelijk genot: ja, ja, het was wel lastig geld te hebben, het was wel lastig...

V.

Den volgenden avond was het bal bij de Verstraetens zeer vroolijk. Daar men natuurlijk slechts intieme kennissen genoodigd had, lag er over de drukte in de salons, de eetkamer en de serre, niettegenstaande al het groen, en de luchtige toiletten der meisjes en de rokken der jongelui, eene tint van huiselijke gezelligheid. Men kende elkander onderling goed en in plaats eener stijve gelegenheidsconversatie heerschten onder alle groepen eene ongedwongen vroolijkheid en een schitterende scherts.

Paul kwam te laat. De Polonaise en de Polka waren reeds geëindigd, toen hij binnentrad en terwijl hij deftig voor het bruidje boog, maakte zij zich boos.

--Je moest je schamen, dat je geen tijd vond eerder op mijn bal te komen! Ik hoop, dat je er goed voor gestraft zal worden, akelige jongen!

Hij verontschuldigde zich met zijn lachende oogen en zijn spottenden mond, en rook even aan haar prachtigen, witten bouquet, met kanten cornet, zijn gibus onder den arm, en zich zijne gris-perle handschoenen aan de vingers schuivend. Hij vond, dat zij er bijna etherisch uitzag in de wolkende witheid van heur tulle en oranjebloesem, met haar fijn, bleek gezichtje en haar pruilend mondje, als van een bedorven kind.

--Ik hoop, dat alle meisjes haar dansen al zullen hebben, en dat je alleen overblijft! sprak zij opstaande.

--Maar bruidje, bruidje, wat ben je weinig mild van humeur! Wil je een pari met me aangaan, dat ik niet alleen overblijf en dat ik den heelen avond dans, wil je? murmelde hij haar dicht in het gelaat, terwijl hij heur fijn stemmetje nadeed.

--Neen, neen, geen pari! riep zij verschrikt. Je bent brutaal genoeg om allerlei dwaasheden te doen. Je gedraagt je netjes vanavond, hoor.