Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 28
--Hoor eens, Ferelijn! sprak Betsy onrustig, je begrijpt, hoe wanhopig ik ben. Groote goedheid, ik heb wel eens met Eline gekibbeld, maar wie kon vermoeden, dat ze tot zoo een dollen streek capabel zou zijn! En zooals je zegt: heel Den Haag zal er den mond vol van hebben! Als je haar dus weet over te halen terug te komen, zal ik je eeuwig dankbaar zijn. Ons huis staat altijd voor haar open. En wat die sleutels betreft, laat die maar hier: ik denk ook wel dat nog alles goed zal afloopen. God, wat een geluk, dat ze naar jullie is gegaan! Maar in dien nacht, alleen, in dien storm! Hoe heeft ze het gedaan, God, God! Hoe heeft ze het gedaan!
Frans besprak met Henk nog het een en ander en Henk verzocht hem te blijven tot den volgenden morgen, daar Frans zijn rijtuig had weggestuurd en de storm nog niet bedaarde. Gerard geleidde Frans naar Henks kleedkamer, opdat hij zich van zijn natte kleêren kon ontdoen.
--Je mag Ferelijn wel op een delicate manier vragen, hoeveel hij voor dat rijtuig betaald heeft, Henk! sprak Betsy met een nederige stem, zoodra zij alleen waren. Het zal hem toch heel veel gekost hebben in dat weêr, en het is toch aardig, dat hij dadelijk gekomen is.
--Delicaat, ja praat jij me van delicaat! donderde Henk haar toe, en hij liet haar alleen, huiverend van schrik bij de gedachte aan wat de wereld van hen zeggen zou.
VIII.
Den volgenden morgen reed Henk met Frans zeer vroeg naar een oculist. Er waren in Henks oog slechts een paar aârtjes gesprongen en hij gevoelde zich reeds verlicht toen het lancet hem van een enkel glaskorreltje verlost had. Over zijn wang was echter een lange sneê zichtbaar.
--Ik zie er uit, of ik uit den oorlog kom! sprak hij met een poging tot scherts Ferelijn toe, zoodra zij weder in den coupé zaten, op weg naar de Hugo De Grootstraat. En o, kerel, het schijnt tegenwoordig wel oorlog bij ons: ik krijg er tenminste mijn buik vol van.
Ferelijn gevoelde eenig medelijden met hem, toen hij dat goede joviale gelaat overtogen zag met een sombere versuffing. Het was hem duidelijk, dat Henk zeer tegen het onderhoud, dat hij met Eline zou hebben, opzag.
Maar het werd hem bespaard. Eline weigerde hartstochtelijk hem te ontvangen, en in de aangrenzende kamer luisterde hij angstig naar hare verwijtingen tegen Frans. Waarom wilde Frans haar tot hem brengen, en waarom had zij Frans hare sleutels gegeven? Kon zij Frans ook al niet meer vertrouwen?
Eline's stem klonk schor en heesch en het scheen Henk, dat zij ijlde. Daarop vernam hij een zacht verwijtend gefluister van Jeanne, vervolgens hoorde hij Eline snikken en zich van ondankbaarheid beschuldigen.
Frans kwam weldra tot hem en haalde zijn schouders op.
--Ze wil je niet zien. Ik zou er maar in berusten. Ik geloof, dat ze een violente koorts heeft. Zou Reijer nog thuis zijn? Rij dan naar hem toe.
--Goed, sprak Henk gedrukt. Ik zal gaan.
Eline lag nog steeds op haar bank, onder hare wollen dekens, en zij woelde zich kreunend om en om, als wierd zij gefolterd op een pijnbank. Jeanne had de kinderen boven doen blijven.
--Je bent zoo goed voor me, Jany, maar je begrijpt, ik kan je niet lang blijven lastig vallen! ijlde zij smartelijk. Je bent klein gehuisvest, ik doe je overlast aan, ik zal vanmiddag naar een hôtel gaan.
Jeanne zette zich bij haar neer en vatte heure handen.
--Eline, als je nu verstandig wilt zijn, praat daar dan niet meer over. Geloof me, je bent ziek. Blijf rustig bij ons. Ik dring niet bij je aan, dat je naar Betsy terug gaat, maar ik wil ook niet hebben, dat je van een hôtel spreekt.
--Ja maar, als ik ziek ben--ik geloof het niet, maar enfin, je beweert het--als ik ziek ben, dan zal het lang duren eer ik je verlaten kan. En... en... o, neem het me niet kwalijk, als ik je dat zeg; ik weet, dat je het niet doen kan, mijn Jany-lief; vergeef me, dat ik het je zeg, vergeef het me.
Jeanne zag Eline zacht aan en hare oogen schoten vol tranen.
--Als het dat is, Eline, betaal ons dan en blijf bij ons; betaal ons dan en spreek niet meer over een hotel. Ik zal er mij niet voor schamen; je mag me voor mijn zorg betalen, als je dat verlichten kan. Maar blijf.
Eline schrikte op met haar woeste oogen en haar verwarde haren, die Jeanne steeds tevergeefs wegstreek. En zij omklemde Jeanne wild, als dompelde zij zich, brandend van smart, in een koele bron van sympathie.
--O, engel, engel! gilde zij uit. Vergeef me, ik meen het zoo niet, maar.... maar.... O ja, ik wil gaarne blijven, je bent zoo goed. Mag ik blijven?
IX.
Dien middag kwamen de oude mevrouw Van Raat en mevrouw Verstraeten om Eline te zien, en haar over te halen naar het Nassauplein terug te keeren. Eline weigerde echter ze te ontvangen. Zelfs Betsy liet zich daarop door Jeanne bewegen tot Eline te komen, om haar vergiffenis te vragen. Jeanne meende, dat Betsy dit aan hare, nu zoo zieke zuster verplicht was en dat het Eline misschien roeren zou. Ook Betsy liet Eline niet tot zich toe. En in de aangrenzende kamer vernam Betsy met haar schoonmoeder en haar tante, evenals Henk dien ochtend, zwijgend, en angstig, hoe Eline zich tegen Jeanne verweerde; zij wilde, zij wilde niemand van hen zien. Zij wilde alleen Jeanne bij zich hebben, alleen Jeanne!
Weldra verhaalde men in den kring hunner kennissen, hoe Eline zich gebrouilleerd had met de Van Raats en bij de Ferelijns, als het ware, gevlucht was. Men verwonderde zich zeer, toen men hoorde, dat zij den vorigen middag nog bij de Hovels gedineerd hadden, maar de jonge Hijdrecht beweerde toch ook--hij was ook op het diner geweest--dat de zusters toen al niet zeer opwekkende conversaties hadden gewisseld en dat hij zich nog nooit zoo naast freule Vere verveeld had, als dien middag: ze had haar mond niet tegen hem opengedaan. De détails van den twist wist men niet goed; alleen was men er zeker van, dat Eline 's nachts--in dien storm!--met een nachtwacht en een jong mensch in een rijtuig gezeten had, en men vond dat, minstens genomen, vreemd!
Enfin, Eline was altijd nogal excentriek geweest; des winters ging ze alleen ochtendwandelingen maken in het Bosch--welk fatsoenlijk jong meisje deed dat nu!--die geschiedenis met Erlevoort was ook toch nogal duister, en nu die roman met een jongmensch en een nachtwacht! Het was zoo jammer, want ze was toch au fond zoo lief, zoo mooi en zoo elegant; maar was het niet altijd een vreemde familie geweest bij die Vere's?
Betsy verbeet zich van nijdigheid over deze praatjes, waarvan zij het geruisch als in de lucht ried en zij vertoonde zich ternauwernood en zocht alleen hare toevlucht bij de Verstraetens en Emilie De Woude.
Hoofdstuk XXV.
I.
Er was een maand verloopen, een maand, welke Eline bij de Ferelijns doorbracht, daar Jeanne haar niet van zich wilde laten gaan, voor zij geheel hersteld zou zijn. Reijer had namelijk geconstateerd, dat Eline eene zware koude gevat had, die haar bij de minste verwaarloozing noodlottig zou kunnen worden. Jeanne intusschen verpleegde haar met medelijdende zorg; zij had Frans' kantoortje voor Eline laten inrichten, en toen Eline zich verweerd had en opnieuw van een hôtel had gesproken, meende Frans zelve, dat hij toch niet zooveel werken mocht als hij placht te doen: de professor uit Amsterdam was daar ook tegen. Eline omhelsde Jeanne dus met een hartstochtelijke dankbaarheid en bleef, terwijl hare krijschende hoestbuien het kleine bovenhuis als met eene smartelijke echo vervulden.
Zij hoestte nu iets minder; zij gevoelde nu ook minder pijn op heure borst. Maar zij was vermagerd, en hare oogen stonden wat hol en somber in heur gelaat, waarover nu eene vaalgele bleekte lag. Zij zat in een grooten stoel dicht bij het kleine kacheltje en zij tuurde uit het raam en vermaakte zich een weinig met de leveranciers te volgen, den slager, den groenteboer, den melkboer, die aan huis na huis belden; zij vermaakte zich een weinig met de meiden, die open deden: een dikke, roode in die deur, en een lange, magere in die deur, terwijl de deur verder door een juffrouw werd geopend, met een zwarten boezelaar en een vuil kanten mutsje.
Daarna stond zij, hoestende, op en zag even in den kleinen spiegel, een zeer kleinen met zwarte lijst, eenvoudig als alles nu eenvoudig om haar heen was. Zij wachtte iemand en zij bestudeerde haar gelaat: zij had hem in zoo lang niet gezien; welken indruk zou zij op hem maken met dat gele gezicht en die holle oogen?
Betsy had namelijk een langen brief geschreven aan haar oom, Daniël Vere, die tijdens Eline's minderjarigheid haar toeziende voogd was geweest, en die, nog jong, sedert kort getrouwd, te Brussel woonde. Toen oude tante Vere stierf, was hij nog ongehuwd, zoodat er geen sprake van was geweest, dat Eline bij hem haar intrek zou nemen. Hij kwam weinig in Den Haag en toen hij Betsy's brief, die Eline's vlucht uit hun huis beschreef, ontving, scheen het hem, dat men hem in zaken haalde waar hij niets mede te doen had. Hij antwoordde desniettemin en schreef tevens Eline, met verzoek om een onderhoud. Zijn brief verraste haar en verraste haar aangenaam, als voorzag zij in zijn bemiddeling eene uitkomst uit haren tegenwoordigen toestand, die, als zij genezen zou zijn, onhoudbaar zou worden. Zij antwoordde hem dus in de liefste termen, en beweerde zich te zullen schikken naar zijne wenschen, mits hij niet eischte, dat zij zich met hare zuster verzoenen en opnieuw bij de Van Raats haren intrek nemen zou; dit zou zij coûte-que-coûte moeten weigeren, daar het verleden geleerd had, dat Betsy en zij niet met elkaâr overweg konden: door wier schuld, liet zij in het midden.
Vere telegrafeerde daarop dag en uur, waarop hij Eline zou komen zien. En nu wachtte zij hem, en bestudeerde zij de trekken van heur vermagerd gelaat, en zij vreesde, nu zij zich zoo vermagerd zag, dat zij niet meer die onwederstaanbare bekoring, waarmede zij iederen man won, van zich zou kunnen doen uitstralen. Het gordijn liet zij een weinig neêr, zoodat het licht niet zoo schel op heur teint viel.
Des middags liet Jeanne hem bij haar binnen. Hij was lang en slank, met de eenigszins vermoeide bewegingen, die de Vere's, behalve Betsy, welke meer harer moeder geleek, eigen waren. Op Eline, die hem in twee jaar niet gezien had, maakte hij, in zijn pels, een indruk van vriendelijke distinctie en elegante wereldkennis, en zij schaamde zich een weinig haar oom te ontvangen in dit kleine kamertje, in deze eenvoudige omgeving. Zij rees langzaam op, als een loome vorstin en trad hem tegemoet, terwijl Jeanne de deur sloot en zich terugtrok.
--Dag oom! sprak Eline zacht en zij verkende het terrein een weinig. Ik ben heel blij u te zien, heel blij...
Zij reikte hem de hand en wees hem een stoel. Hij zette zich, zag haar onderzoekend aan, glimlachte vriendelijk weemoedig en schudde ten laatste afkeurend het hoofd.
--Foei, foei, Eline! begon hij langzaam. Wat heb je me een verdriet gedaan. Weet je wel, dat ik niets tevreden over je ben, nichtje!
--Heeft Betsy u veel kwaads van me geschreven? vroeg zij innemend, innerlijk nieuwsgieriger dan hare conversatietoon blijken liet.
--Wat Betsy me alzoo geschreven heeft, heeft me verrast, alsof ik het in Keulen hoorde donderen! Ik wist er niets van, dat je niet met je zuster sympathizeerde. Ik dacht, dat je gelukkig bij Van Raat was. Je schreef me verleden voorjaar een opgetogen brief over je engagement, en nu een paar maanden geleden hoor ik door Betsy, dat je Van Erlevoort zijn woord terug hebt gegeven. Maar nog was dat geen reden, om zulke scènes te vermoeden als er nu zijn voorgevallen. Eline, Eline, hoe kan je je zoo, alleen door je gevoel, laten meêsleepen, zoo, zonder de minste zelfbeheersching...
Hij zocht een weinig naar zijn woorden, voorzichtig, wantrouwend of zij zich door hem zou laten leiden. Hare vlucht had in hem een denkbeeld opgewekt, alsof zij onbesuisd en niet te regeeren was, koppig en hartstochtelijk driftig. Hare zachte gedruktheid scheen hem zelfs verdacht en hij vreesde, dat zij plotseling zou opspringen en iets geweldigs doen. Zij antwoordde echter zeer rustig.
--Oom, al ben ik van Henk en Betsy weggeloopen, daarom moet u toch niet van me denken, dat ik niets dan dwaasheden doe. Ik was mezelve niet meer van drift, zoo agaceerde Betsy me. Zelve heb ik nu berouw, dat ik me niet meer heb kunnen intoomen, dat ik haar niet eenvoudig den rug heb toegedraaid, en den volgenden dag, op een kalmere wijze, haar huis vaarwel heb gezegd. Maar ik hoop, dat u me zal toegeven, dat er soms momenten in het leven zijn, waarop men... ja, niet meer weet wat men doet!
--En je blijft er dus bij niet bij hen te willen terugkeeren?
--Ik dacht, dat ik over dit punt geschreven had! antwoordde zij, een beetje hoog.
--Dat is ook zoo, maar ik hoopte... je zou misschien van opinie kunnen veranderen.
--Nooit! sprak zij kalm en beslist en steeds uit de hoogte.
--Enfin, dan zullen wij er maar niet op terugkomen. Het spijt me, maar als jij zoo gedecideerd bent, heb je er zeker goed over nagedacht, niet waar?
--O, ja! sprak zij en hoestte.
--Nu, dan moet ik je wat anders voorstellen; of eerst... wat denk je zelve te doen, als je dien akeligen hoest kwijt bent?
Eline zag hem angstig aan en haar trots verzwond.
--Daar heb ik ook al eens over zitten denken. Ik weet het niet. Misschien op mezelve gaan wonen. Ik bezit toch genoeg van mezelve en ik ben zuinig. En dan iemand bij me te nemen.
Hare verbeelding dacht zich haar wonende op een klein, bekrompen bovenhuisje, als dit, en de tranen welden in hare oogen.
--Dit is ten minste een verstandig idée. Hier in den Haag?
--Ach ja, ik denk wel, ik weet het ook niet. Misschien op een kleine plaats.
--Enfin, dat is dan nog iets van later zorg. Want, zie je, ik wou je iets voorstellen.
Hij nam hare hand en zag haar met zijn moede oogen aan. En zij dacht, dat hij haar zou vragen bij hen in Brussel te komen; zou zij dat aannemen?
--Ik ga van den winter met je tante Elize op reis. Ik moet lachen nu ik van je "tante" spreek, want ze is, zooals je weet, maar vijf jaar ouder dan jij. Als je haar dus ziet, zal je haar zeker Elize noemen. We gaan eerst naar Parijs, en later denkelijk naar Spanje. En nu wou ik je voorstellen, beste meid, of je niet met ons meê zou gaan. Je hebt wel eens afleiding noodig, na al wat er gebeurd is. We blijven denkelijk den geheelen winter uit, misschien korter, misschien ook langer. Verveel je je, dan kan je altijd terugkeeren en zooals je dat verkiest, op jezelve gaan wonen. Met mijn vrouw zal je wel sympathizeeren, al ken je haar niet; ze is levendig en vroolijk, een echte Française. Wat zeg je van dat plan?
Eline zag hem verward aan, met haar weenende oogen. Ja, zij had afleiding noodig, zij zou een geheelen winter reizen! Het was of zij een zee van zonneschijn door de sombere duisternis harer ziel voelde vlieten. Afwisseling was het leven, zeide Vincent altijd.
--Oom, ik weet heusch niet! begon zij ontroerd. Ik ben tegenwoordig niet vroolijk, ik zal geen prettige reiskameraad zijn.
--Lieve meid, dat weet je niet. Zoodra je een andere omgeving ziet en andere menschen, krijg je ook andere ideeën. Er is niets wat zoo een levensbehoefte voor een mensch is, als afwisseling.
Zij schrikte en zag hem glimlachend aan. Hij sprak daar evenals Vincent! En zij gevoelde zich dankbaar, zeer dankbaar voor zijn vriendelijke stem. Ja, zij nam aan, zij nam dankbaar aan.
--Zie je, kom dan eerst wat bij ons logeeren te Brussel en blijf bij ons, tot we gaan. We reizen nogal veel en doen het zuinig, zonder ons eenig pleizier te ontzeggen--want we hebben er tact van--en jij.... je bent immers toch zoo een rijke partij! eindigde hij schertsend.
--Ik een rijke partij! Mijn rijkdom is niet schitterend, oom, en à prendre ben ik niet meer! sprak zij, weemoedig lachend. Ik word zoo langzamerhand oud; ik heb uitgediend.
Hij wekte haar vroolijk op; hunne reis zou haar wel genezen van die sombere ideeën. Nadat Jeanne, die Eline geroepen had, van het plan had gehoord, vertrok hij; hij moest nog op het Nassauplein een visite maken, bij Van Raat.
Eline bleef alleen, terwijl Jeanne hem uitliet. Honderden gedachten bruisten in haar op als dwarrelende rozebladeren, als sparkelende zonnevonken, als tintelende schuimbellen. Zij zag naar buiten, maar de wind blies er eene vale stofwolk van de straat omhoog. En zij wendde zich om, huiverend van dien herfst daar buiten, toen haar blik plotseling op Frans' scheurkalender viel, die aan den wand hing en door Jeanne trouw werd afgescheurd. Met groote, zwarte cijfers zag zij er: 15 November.
O God, dat was de dag, dien Otto en zij een paar maanden geleden bepaald hadden als... hun trouwdag! Zij staarde als wezenloos naar die zwarte cijfers. Wilde smart overbruiste eensklaps hare nieuwe, heldere vreugde en zij wierp zich woest in haar grooten stoel en snikte, alsof zij haar ziel uit wilde snikken.
II.
Men wist het spoedig; de Eekhofs, Hijdrechten en Van Larens vertelden het aan elkander: Eline Vere ging op reis naar haar oom Daniël Vere, die te Brussel woonde en een jaar geleden getrouwd was. Ook Henk en Betsy zouden, met den kleinen jongen, den Haag voor eenigen tijd verlaten. Zij gingen denkelijk naar Algiers.
Hoofdstuk XXVI.
I.
Anderhalf jaar was verloopen. Bij de Verstraetens op de Princessegracht zag het er allerfeestelijkst uit. De vestibule, de eetkamer, de beide salons en de serre geleken bevallige wintertuinen, daar kunstige palmgroepen zich in de hoeken als pyramiden van groen verhieven, terwijl de roze en witte bloesems der volbloeide azalea's daartusschen hare groote, ronde bouquetten opbeurden. Want er was eene bruid in huis en men vierde hoogtijd.
Het was de middag der receptie en de salons waren gevuld met eene steeds wisselende drukte van gelukwenschende kennissen. Het tuinraam van den grooten salon was geheel en al verborgen door een groep van groen, waarvoor zich een halve cirkel van fauteuils aan weêrszijden eener canapé rijde en voór die canapé stonden Georges De Woude Van Bergh en Lili Verstraeten als een jeugdig vorstenpaar, dat audiëntie verleent. Het twintigjarige bruidje schitterde in den glans van haar geluk, in haar witte zijde en haar oranjebloesem en zij werd niet moede hun allen, die daar kwamen, haar lieve woordjes toe te fluisteren:
--Dank u, dank u wel en dank u nog hartelijk voor uw mooi cadeau!
Haar bruidegom, in zijn rok met zijn witte roos, bedankte eveneens, innerlijk wenschende, dat de parade was afgeloopen, maar steeds een en al glimlach en vriendelijkheid. Mevrouw Verstraeten stond aan de zijde harer dochter en Emilie De Woude kwam zich nu en dan aan die van haar broêr stellen, maar zij nam heure moederlijke plichten zeer ongedurig waar en was, wanneer men haar zocht, dikwijls verdwaald tusschen de gonzende groepen der bezoekers. Marie en Frédérique waren met Paul en Etienne het gevolg van het jeugdig vorstenpaar, de bruidsmeisjes in het roze, de jonkers in hun rok met bloesemend knoopsgat, en zij brachten de steeds wisselende gasten naar de serre, waar, op een lange tafel de geschenken stonden uitgestald. Het zilveren theeservies in het midden van den heer De Woude: daar omheen al het zilver, al het kristal, al het fijn porselein, door verwanten en vrienden geofferd, terwijl het prachtig cadeau der beide neven Van Raat, Henk en Paul, een elegant ameublementje van dof blauw satijn voor den kleinen salon der jonggehuwden, de geheele serre, als het ware, encombreerde. Het geschenk van de ouders der bruid was niet zichtbaar; het zou te veel plaats ingenomen hebben, want het bestond uit het geheele ameublement der slaapkamer, keurig maar niet luxueus, zooals het betaamde voor een jong paar, dat nog fortuin moest maken, beweerde Emilie tot mevrouw Van der Stoor, die met Cateau was gekomen.
--Ze gaan wonen in de Atjehstraat, niet waar, freule? vroeg mevrouw Van der Stoor, met een onderzoekenden blik naar een confituurlepel en -vork met agathen heft.
--Ja, in de Atjehstraat, in een klein huisje, net geschikt voor twee van die kinderen. Wat zegt u er au fond van, twee van die kinderen, die gaan trouwen! Enfin, ze moeten weten wat ze doen, niet waar?
Zij mopperde met een glimlach, innerlijk zeer gelukkig over de keuze van haar broêr en mevrouw Van der Stoor lachte ook. Cateau bewonderde het satijnen ameublement.
--Dit hebben uw broêr en uw schoonzuster gegeven, niet waar, meneer Paul?
--En de ondergeteekende! sprak Paul en wees op zichzelven. Maar wat wordt je al een dame, Cateau! vervolgde hij terwijl zijn blik streelend over hare gestalte gleed. En wat draag je een hoogen chignon. Het is kolossaal, hoor!
--Wel, waarom zou ik mettertijd geen dame worden en mijn haar hoog dragen? vroeg Cateau, een beetje uit de hoogte en geërgerd over zijn familiariteit. Ze was nu toch bijna zeventien, en hij had volstrekt niet noodig haar maar altijd bij den naam te noemen, terwijl zij nooit wist, wat zij tot hem zeggen moest, Van Raat, meneer Van Raat, of meneer Paul. Ze vond hem tegenwoordig ook volstrekt niet meer aardig; zij hoorde steeds allerlei slechte dingen van hem; hij moest zoo pierewaaien en zooveel geld stukslaan!
--Maar je bent al een dame! riep Paul spottend uit. Je bent al geheel en al een dame; denk je, dat ik dat niet zie? Zeg eens, Cateau, hoe lang is het nu toch wel geleden, dat ik je drapeerde, voor het tableau-vivant van de Vijf Zinnen? Herinner je je het nog?
Cateau bloosde.
--O, dat is nu wel, laat eens zien.... wel twee en een half jaar geleden; dat was in mijn jeugd! Ik zou het u nu niet meer laten doen; daar kan u zeker van zijn.
Als hij dàt soms dacht, dan had hij het mis! En zij wendde zich met een knikje van hem af, terwijl hij zich inwendig vroolijk maakte over haar nuffig gezichtje. Daar kreeg hij Frédérique in het oog, die in den grooten salon van zijne moeder, welke vertrok, afscheid nam en hij spoedde zich tot haar.
--Gaat mama al weg? vroeg hij.
--Ja, ze is moê! antwoordde zij kort, zonder hem aan te zien.
Hij merkte haar koelheid op en zij deed hem pijn; het scheen wel, of ze hem allemaal brusqueerden, eerst Cateau, nu Freddy.
--Zeg, Freddy, sprak hij gedwongen vroolijk. Ik kan niet zeggen, dat je prettig bent, om meê bruiloft te vieren.
--Waarom? vroeg zij koel.
--Ik heb vandaag nog geen lief woord van je gehad. Je hebt toch niets tegen me?
--Ik? O, volstrekt niet. Wat zou ik tegen je hebben?
--Ben je niet te verzoenen? Zie je, als ik mijn schuld nu maar wist.
Etienne kwam op hen toe.
--Zeg eens, komen jullie toch je plichten waarnemen! Er zijn twee oude dames, die ik niet ken, en die naar de cadeaux kijken, of ze er een paar in hun zak willen steken. Kom toch! Marie vraagt ook naar jullie.
Zij volgden hem naar de serre, waar men zich bijna verdrong en Paul gevoelde zich wrevelig, dat Etienne hen was komen storen. Hij moest toch eens met Freddy spreken: het begon hem te vervelen, dat eeuwige boudeeren.
Henk en Betsy waren binnengekomen, door de eetkamer, en zij zagen er den ouden heer De Woude zitten met zijn dof, goedig gelaat en zijn fijn, grijs haar. Hij had zijn stok, waarop hij steeds leunde, tusschen de knieën, en sprak met Otto Van Erlevoort, die voor hem stond, en dien hij telkens iets liet herhalen, daar hij wat doof was.
Otto zag de Van Raats een enkele maal bij de Verstraetens of bij anderen en zij waren steeds vriendelijk tegen elkaâr gebleven, hoewel hij niet op het Nassauplein kwam. Toch spraken zij nooit veel met elkaâr, daar er een nevel van treurigheid tusschen hen scheen te hangen. Nu ook gingen Betsy en Henk weldra verder en zij wenschten den heer Verstraeten geluk, die in den kleinen salon met Mathilde Van Rijssel sprak.
--Zoo, dag Bets, dag Henk.... dank je, dank je! Zeg, verbeeld je wat mevrouw Van Rijssel me hier vertelt.
--Wat dan, oom? vroeg Betsy.
--Dat je oude vriendin, dat vrouwtje van Ferelijn, zoo ziek is.
--Jeanne? Zoo ziek?
--Ik heb gisteren een brief van Ferelijn gekregen uit Bangil, sprak Mathilde zacht.
--Waar ligt Bangil? vroeg Betsy.
--In Pasoeroean. Ze was bevallen toen hij schreef en men vreesde voor haar leven.