Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 27

Chapter 274,127 wordsPublic domain

--"Ik wil! Ik wil!" Wat denk jij te willen, wat heb jij te willen. Jij bent hier bij mij, en jij hebt niets te willen! Wat verbeeldt je je, hè? krijschte Betsy, zich thans opwindende tot een brieschende drift. Denk je soms, dat je een prinses bent, die hier kan doen en laten wat ze verkiest? En denk je soms, dat ik me door jou de les laat lezen aan een diner bij vreemden, denk je dat? Denk je, dat ik niet weet wat ik zeggen mag en niet, en dat ik niet vrij ben Hovel te amuzeeren, zooals ik wil? Je raad heb ik niet noodig.

--En ik verzeker je, dat voortaan, telkens als je je zoo laag over Vincent uitlaat, als je iederen dag doet, als je je zelf nu niet geschaamd hebt bij Hovel te doen, ik je je mond zal doen houden. Dat verzeker ik je.

--Zoo, verzeker jij me dat? Ik heb je verzekering anders niet noodig! Ik ben niet van plan me te storen aan jouw idiote gevoeligheid voor Vincent! Nu Vincent het huis uit is, heb je, verdraaid! nog last door dat être! heeft hij je soms die nette manieren geleerd om iemand onder vreemden zoo te interrompeeren, als jij mij hebt durven doen? Ik begrijp niet, hoe het je in je hersens komt, om het te durven... hoe je het durft! Ze zullen gedacht hebben, dat je stapelgek was. Als je dat bent, dan is dat je eenige excuus! Mij, mij noem je vulgair, hè, en wat ben jijzelf? Jij, die alle vormen vergeet en mij bij vreemden....

--Ja, dat weet ik nu al; je hebt durven interrompeeren, wil je zeggen! Zeg toch niet altijd het zelfde! Maar je zal zien, dat ik nog meer durf dan dat, als je Vincent weêr aanvalt. Je vindt hem valsch, maar ik vind jou valsch, jou, die hem zelf vraagt hier te komen, die hem daarna het huis uitjaagt, door om een nietigheid tegen hem te schelden als een vischwijf! Jou, jou vind ik valsch!

--Hou je gedistingueerde benamingen voor je, alsjeblieft!

--Hou jij dat lamme gescheld op Vincent dan ook voor je, alsjeblieft! gilde Eline, ziedende van hartstocht. Ik verkies het niet meer, hoor je, ik verkies het niet meer aan te hooren ik heb het al lang genoeg in je verdragen om den vrede te bewaren, en nu verdraag ik het niet langer! versta je!

--Zoo, verdraag je dat niet langer! Heb je om dien lieven Vincent misschien Otto ook niet langer verdragen...?

--Zwijg over hem! schreeuwde Eline radeloos.

--Ben je misschien gecharmeerd van dat reptiel, en heb je misschien daarom Otto behandeld, alsof hij een kwâjongen was, waar je een amouretje meê had? Je verkiest niet langer mijn gescheld op Vincent te verdagen, maar ik verkies dan ook niet langer door je gecomprometteerd te worden! Het zou waarachtig mooi zijn! Eerst ben je zoo zot je engagement af te maken, louter uit een gril, zonder de minste aanleiding, zeg ik je! zoodat iedereen je over den tong haalt; dan stel je je hier in mijn huis met Vincent aan, alsof je verliefd op hem was, en op het laatst durf je me nog impertinenties toe te dienen onder vreemden! Dat verdraag ik dan niet langer, begrijp je? Als je die onbeschoftheden geleerd hebt in je idiote, filozofische gesprekken met Vincent...

Eline was zich niet meer meester. Hare zenuwen waren als koorden gespannen en trilden onder Betsy's beleedigingen als onder ruwe handen. En Betsy's toespelingen op Otto, op hare sympathie voor Vincent, die zij geheel en al meende verborgen te hebben, maakte haar razend van machtelooze woede. Zij greep Betsy's polsen in den nerveuzen greep harer vingeren en, sissende tusschen hare tanden, kreet zij met een schelle stem:

--En nu stil! Hou je mond, zeg ik je. Praat niet meer over Otto, praat niet meer over Vincent, want ik bega... ik bega een ongeluk aan je! Je agaceert me, je agaceert me, ik word dol, zooals je me agaceert... Pas op!

Betsy rukte zich gekrenkt los.

--Eline, wordt je krankzinnig? riep zij, maar Eline liet haar niet uitspreken. Zij bleef vlak voor Betsy staan en hare sidderende handen balden zich.

--Ik zeg je, je agaceert me, je agaceert me met dat geroep over je huis. "Mijn huis! Mijn huis!" Ik weet wel, dat ik in je huis ben, maar ik heb niet gevraagd bij je te komen en ik wil niet herinnerd worden, dat ik in je huis ben, alsof je me een weldaad doet. Ik ben niet afhankelijk van je en al ben ik in je huis, ik wil niet door je beperkt worden, ook niet in de minste van mijn handelingen. Ik ben vrij te doen en te laten wat ik wil.

--Dat ben je niet, je bent bij mij en je hebt je te gedragen, zooals ik het wensch! En als je niet weet hoe je je te gedragen hebt, zal ik je dat zeggen, zoolang je in mijn huis bent.

Henk verscheen in de opengebleven deur. De luide zinnen van haarbeider twist weêrklonken door het geheele huis, scherp en schril te midden van de weeklagende stormvlagen, die gierend om het huis joegen en aan de vensters schudden. Henk verscheen en hij wilde met een strenge stem haarbeiden bevelen zich te matigen, maar het was hem onmogelijk zich te doen verstaan.

--En ik laat me niet door je zeggen, hoe ik me te gedragen heb! krijschte Eline. Ik zeg je, ik ben vrij! Ik heb je huis, waarover je zoo schreeuwt, niet noodig en ik zweer je, dat ik er geen seconde langer in blijf! Dat zweer ik je bij al wat heilig is! Geniet van je huis of stik er in voor mijn part!

Zij was zich nauwelijks meer bewust wat zij zeide, daar zij zich tot een paroxysme van woede had opgeschroefd, en zij was nauwelijks meer bewust, wat ze deed, nu zij den neêrgevallen mantel opraapte en dien om haar schouders wierp. Zoo stortte zij naar de deur, maar Henk hield haar tegen.

--Eline! begon hij streng.

--Laat me, laat me los! brulde zij hem in het gelaat, als met den smartelijken kreet eener gewonde tijgerin en zij duwde zijn groot lichaam met zulk een kracht van overspanning weg, dat hij even wankelde. Hij wilde haar nogmaals tegenhouden, maar zij stortte reeds de deur uit, de trap af.

--Eline! In Godsnaam. Eline! Je weet niet wat je doet! donderde hij haar wanhopig van het portaal toe, en hij vloog haar achterna ...

Zij hoorde niet meer, zij had slechts éene gedachte: weg te vluchten van onder dit dak, waar men haar heure aanwezigheid verweet. Zij zag niet meer: noch Gerard, noch de meiden, die haar met ontzetting nastaarden; zij ijlde de vestibule door, slingerde de glazen deur open, en rukte den grendel van de voordeur weg. Maar nu, nu hoorde zij achter zich een knetterend gerinkel; de glazen deur viel door de plotselinge tochtvlaag in een geratel van scherven neêr....

IV.

Ook de voordeur sloeg rammelend dicht en zij stond op straat. Een stortregen plaste stroomend neêr en de gierende wind rukte haar mantel op en sloeg haar als met vochtige geesels in het gelaat. Het was haar onmogelijk tegen die woeste kracht in te gaan en zij wendde zich om en liet zich doelloos voortstuwen door den storm, die haar in den rug vloog als een reusachtige vampyr, met breede, verscheurende klauwen. Doelloos liet zij zich voortsleepen in dien jammerenden nacht. Niemand zag zij op straat en in hare eenzaamheid van sombere duisternis, van plassende stortregen, van rukkende vlagen, overviel haar, nu zij zichzelve bewust werd, een kille ontzetting. Het was haar, of zij uit het gewone leven was weggerukt en in een sfeer vol helsche angst en rampzaligheid neêrzonk. Zij stierf bijna van angst voor dat donker, dat haar als een floers van angst omwaaide, voor dien zondvloed, die zich op haar bloot hoofd uitgoot, zonder dat zij zich beschutten kon, voor de windstooten, die haar bijkans heur mantel afrukten, die haar deden verstijven van koude in die zwarte tulle, welke om haar heen fladderde. Haar kleine, verlakte schoentjes waadden in wanhoop door plassen en modder, die onder heur tred opplofte; heure verwarde haren hingen haar kletsnat over het gelaat, en eene ijzige vochtigheid voelde zij onder heur mantel, langs haar hals en over haar ontbloote borst glijden. Zij wist niet meer waar zij was; zij schrikte voor de twijgen, die om haar heen vielen, voor het zink der daken, dat zij boven zich als een onheilspellend gerammel hoorde verschuiven. En zij zag niemand, niemand...

Haar toestand bracht haar geheel tot zichzelve. Zij werd zich bewust gevlucht te zijn uit het huis van haar zwager. Zij wilde even blijven staan om zich te bedenken, maar de wind blies haar voorwaarts, als ware zij een dier herfstbladeren geweest, welke zij over zich voelde dwarrelen. En zij liet zich voortblazen, en dacht na, loopende, met een, haars ondanks versnelden, tred. Berouw gevoelde zij, trots haar rampzaligen toestand, niet. En zij verbaasde zich op eens over haar moed. Nooit had ze gedacht dat ze had durven wegvlieden in een nacht als deze, zonder te weten waarheen. Die verbazing wekte eenigen hoogmoed in haar op, die haar schraagde. En zij dwong zich te denken; zij kon zoo niet blijven dwalen, zij moest een doel hebben.

Zij bespeurde eensklaps, dat zij zich in de Laan Copes van Cattenburgh bevond. Door den wind gedreven, ijlde zij over het doorweekte, modderige pad, terwijl de orkaan over het Alexandersveld loeide.

Telkens deinsde zij voor de takken terug, die de boomen over haar neerschudden, en zij begreep nu voor het eerst, dat zij gevaar liep verpletterd te worden door een dier krakende stammen. Eene vrees voor haar leven belette haar te denken, maar hoe angstiger die vrees haar het harte omklemde, hoe krachtiger zij er zich toe dwong. In Godsnaam, waarheen moest zij zich wenden? Kille ontzetting doorsidderde haar thans geheel en al en zij wankelde in de modder, terwijl hare, in radeloosheid vergroote, oogen starend door de duisternis zochten te blikken. Naar wie te gaan? Naar de oude mevrouw Van Raat? O, al had die haar lief, zij zou nu tegen Eline partij trekken voor haar zoon en hare schoondochter! Naar de Verstraetens, naar familie van haar zwager? Het stormde om haar heen en zij.... zij voelde zich verloren in hare zwarte eenzaamheid, steeds meer en meer zinkende in een afgrond van smart en modder! Otto's gestalte rees haar voor den geest en zij had haar verder leven er voor willen geven, zoo hij nu tot haar had kunnen komen, zoo hij haar nu in zijn armen had kunnen wegdragen, gekluisterd aan zijn hart, naar een oord van warmte, licht, liefde en veiligheid. Zijn naam welde als een klagende kreet van angst haar op de lippen, maar zijn naam verdoofde in de angstkreten der natuur. Zij voelde nauwelijks nog moed verder te gaan, zij had zich nu kunnen storten in die modder, waardoor zij waadde en blijven liggen en de stormen over haar heen laten zwiepen, totdat zij gestorven was! Maar dat zou te laf zijn na den moed, dien zij betoond had en zij wilde, zij wilde nu denken, waar zij zou kunnen wegschuilen. Mevrouw Van Raat niet.... de Verstraetens niet.... o God, waarheen, waarheen? En eensklaps, als een bliksemstraal door dien nacht van somberheid en rouw, flitste eene gedachte in haar op, eene gedachte aan een klein bovenhuis, eene gedachte aan Jeanne, haar oude vriendin. Het moest zoo: zij wist niemand anders en zij kon niet eeuwig blijven doordwalen in dien stortvloed, in den wind. Zich als eene wanhopige tegen den wind inzettend, sloeg zij dus het Alexandersveld links om, teneinde zich naar de Hugo De Grootstraat te begeven. Zij worstelde tegen de vlagen op, haar openwaaienden mantel om heur borst dichtklemmende, verkleumd en nat tot op de huid. Daar zag zij, aan de andere zijde van het veld, den, hier en daar verlichten, achterkant der huizen van het Nassauplein, maar ze wist niet goed te onderscheiden welk het hunne was--nu niet meer het hare. Een woest verlangen vol berouw doorgloeide thans haar arm, radeloos hart bij de gedachte, aan wat zij ginds verlaten had, bij de gedachte, dat zij nog zoo lang door den stortvloed te waden had, vóór zij de Ferelijns bereikt zou hebben. En zij was vermoeid, tot in onmacht zinkens toe, vermoeid door haren twist met Betsy, door den regen, die haar onophoudelijk vlak in het gelaat snerpend striemde met scherpe, ijzige stralen; door den wind, waarmede zij streed als met een onmetelijk, zwart monster, dat haar als speelbal her- en derwaarts slierde. Zij was vermoeid van elken tred met haar verlakte schoentjes, die vol modder liepen, en telkens aan haar voet dreigden te ontslippen. En zij had kunnen sterven van rampzaligheid, van armoede, van gebrek....

Maar zij moest voort, voort en zij kampte door met het monster en won telkens een pas verder. Zoo bereikte zij de Javastraat en sloeg zij rechts om, naar de Laan van Meerdervoort toe. De storm schudde haar, of hij haar breken wilde als een riet, en een groote tak viel haar over den schouder neêr en schramde heur gelaat, zoodat zij een smartelijken gil gaf. En eensklaps, wanhopig in geheel haar lichaam en hare ziel, wanhopig van angst en smart, poogde zij, snel, als op een draf te vluchten.... naar de Ferelijns toe! Maar de woedende wind hield haar, als met opengesperde armen, tegen: zij mocht slechts pas na pas moeizaam haar weg winnen.

--O God! Wat heb ik gedaan! kreet zij in vertwijfeling uit. De straten, welke zij iederen dag betrad, waarlangs zij iederen dag reed, waren haar in die loeiende duisternis als de onbekende wegen van een demonische stad, waarin zij ronddoolde gelijk eene, door God vergeten, schim. Zij moest al haar moed en wilskracht verzamelen om voorbij het huis van de oude mevrouw Van Raat te gaan, om niet te bellen aan die deur, welke haar geopend zou worden, welke haar toegang zou geven tot warmte en licht. Maar neen, het was zoo laat, mevrouw zou reeds slapen; zij zou Eline hare vlucht van het Nassauplein verwijten. En zij ging door, tragisch voortgedreven door den wind en door een hardnekkig idée-fixe, dat haar de Ferelijns toejoeg. Zij ging door, hoewel zij haar doorweekte schoentjes, zwaarder en zwaarder, bij iederen tred als lood voelde wegen. Zij ging de Van de Spieghelstraat in.... nog hoeveel minuten zou zij moeten lijden?.... Toen.... de Hugo de Grootstraat....

En vlijmender snerpte de striemende regen in haar gelaat, woedender rukte de wind aan heur mantel, nu zij.... Goddank! voor hun deur stond.... Nergens zag zij licht, maar zij aarzelde niet.... Slechts hier was redding.... En zij belde, hevig, hartstochtelijk, dringend, als met een rinkelenden roep om hulp, zij belde, zij belde door....

V.

Het scheen haar zoo lang toe, dat men haar wachten liet, eene onmetelijkheid van seconden! Toch, ten laatste, hoorde zij stappen de trap afdalen, den grendel knarsen in het slot, de deur werd op een kier geopend, en een gelaat verscheen in dien kier....

--In Godsnaam! riep zij smeekend en zij duwde de deur geheel open en stortte naar binnen. Ik ben het, Eline....

De deur sloeg dicht en zij stond in het duister voor Frans Ferelijn, die, ontzet van verbazing, haar naam uitriep. Boven aan de trap verscheen Jeanne met een lamp, en daar Eline vooral behoefte aan licht, aan warmte, aan gloed gevoelde, hief haar wil nogmaals heure zinkende krachten op en ijlde zij de trap op....

--Jeanne!.... Jeanne!.... Ik bid je.... help me.... Ik ben het.... Eline! O, help me! Help me!

--Mijn God! Eline! kreet Jeanne verpletterd.

--Help me, toe.... ik ben van.... hen weggeloopen.... toe, help me of ik zal doodgaan.

Zij was druipnat voor Jeanne's voeten neergezonken, terwijl ook de trap droop van het vocht, dat uit haar sleependen mantel vloeide.

--Mijn God! Eline! Eline! kreet Jeanne, die hare oogen niet gelooven kon.

Eline was in snikken uitgebarsten en bleef aan heure voeten liggen. Jeanne poogde haar op te richten. En waar zij Eline voelde, voelde zij haar steenkoud en druipend van de regen.

--God! Eline! Wat heb je gedaan? Wat is er gebeurd? Je bent zoo nat.... zoo nat.... overal nat en koud. Mijn God! Eline!

Zij voerde Eline, die wankelde, in het kantoortje van Frans, en zette de lamp neêr. Eline zonk uitgeput in een stoel, alles bezoedelend met de zwarte, vuile vloeistof, die haar ontsijpelde.

--Ja.... ja! riep Eline. Ik ben van hen weggeloopen! Ik kon niet langer bij hen blijven.... En ik kom bij je.... ik kom bij je.... omdat ik niet weet, waar ik anders naar toe moet.... o Jeanne, ik bid je, help me! eindigde zij, brekende van snikken.

Jeanne beefde van zenuwachtigheid en medelijden.

--Vertel mij dat later, Eline! Laat mij je uitkleeden.... Je zal doodziek worden in dat natte goed....

--O ja, toe kleed me uit.... Die mantel, oh! Die schoenen, oh! Ik walg van mezelve.... Ik ben een en al modder.... O God! O God, waarom ben ik maar niet dood!

Zij wierp zich snikkend achterover. Frans was binnengekomen.

--O, Frans, zie eens! sprak Jeanne sidderend en wees op Eline. Als ze maar niet ziek wordt.... Zonder hoed, in dat dunne toilet en.... gedecolleteerd!!

--Ik zal beneden de kachel zien aan te maken. Kleed haar uit....

Hij was nog verpletterd door Eline's verschijning en ook hij trilde van medelijden, zonder zijne woorden te kunnen vinden, nu hij haar in dien stoel zag hangen, met hare druipende haren op heur doodsbleek gelaat en haar marmerkouden hals klevend in haar zwart avondkleed, dat als een natte, uitgewrongen lap om haar heen plakte. Maar hij ging. Hij moest handelen.

En buiten gierde de storm.

VI.

Zij lag nu in hunne verlichte huiskamer, op eene bank, die Frans naast de vlammende kachel getrokken had, en zij rilde van koorts onder haar wollen dekens. En toch gevoelde zij zich zalig, in dat licht, bij die vlammen, zalig, dat zij gered was uit de demonische machten der duisternis. Eensklaps richtte zij zich op.

--Jeanne! krijschte zij met een schorre stem tot het bevende vrouwtje, dat een gloeienden grog gereed maakte, Jeanne! Ik bid je, vergeef het me, dat ik je in zoo een nacht wakker hoû door mijn ellende! Maar God! Waar moest ik naar toe! O, die regen, die wind! Ik word gek, als ik er aan denk! Ik wist niet dat een mensch zulke armoede kon lijden, als ik dezen nacht gedaan heb! Maar zie je, ik kon niet langer bij hen blijven! O, die Betsy, die Betsy, die Betsy, ik haat haar, ik haat haar!

--Eline! Ik smeek je, neem nu rust!

--Waarom heeft ze Otto's naam genoemd! Wat heeft zij het recht Otto's naam te noemen! Ik haat haar! Ik haat haar!

--Eline! kreet Jeanne met gevouwen handen.

Zij wierp zich voor de bank neêr.

--Eline, ik smeek het je, ik smeek het je bij God! wees kalm! Ga liggen! Rust uit, rust nu uit, Eline.

Eline zag met hare koortsige oogen Jeanne lang aan en zij wond heur arm om Jeanne's hals.

--Rust nu, Eline rust nu, als je niet slapen kan. Een holle snik doorknarste Eline's keel.

--Engel, die je bent! fluisterde zij brekend. Ik zal het nooit vergeten, wat je voor me doet, nooit. Het is of je me gered hebt van een afgrond. O, die modder! Je houdt dus van me, Jany?

--Ja, ja, Eline, ik hoû van je, maar rust nu, rust nu uit.

--O, rusten....

Dat eene woord doorsneed Jeanne's ziel. Eline sprak het uit met eene stem vol wanhoop, alsof er voor haar geen rust kon zijn, nooit meer. Maar toch liet zij zich, met een zwaren zucht, door Jeanne in de kussens vlijen en dronk zij het heete glas uit, dat Jeanne haar toehield.

--Dank je, dank je.... stamelde zij.

Jeanne dekte haar dicht in de dekens en zette zich naast haar neêr. De ruiten schenen in de vensters te klappertanden en heen en weêr geslingerde takken zwiepten er in wanhoop tegen aan. De pendule op den schoorsteen sloeg, kort en hard, drie uur.

VII.

Het had ook drie uur geslagen, dien nacht, in het huis der Van Raats, toen Frans Ferelijn met een rijtuig voor hun deur stilhield. De storm brulde nog als een gekwetst monster, dat zich boven de donkere stad woedend verweerde. Frans sprong uit het rijtuig en belde. Hij zag dat de vestibule verlicht was.

--Ik heb geen geld bij me, maar kom morgen! Je zal hebben, wat ik je beloofd heb! riep hij den koetsier toe.

Oogenblikkelijk werd hem open gedaan. Het was Henk, die iemand scheen te verwachten. Maar hij deinsde verbaasd terug, nu hij Frans zich naar binnen zag storten.

--Ben jij het, Ferelijn? riep hij uit.

--Ik ben het, wees kalm! sprak Frans, hem bedarend, daar hij zag, dat Henk in de grootste opgewondenheid was. Alles is terecht, Eline is bij ons.

Hij trad verder naar binnen en het kraakte onder zijne voeten: de geheele vestibule lag vol glasscherven.

--Bij jullie!! O, Goddank! kreet Henk. Ik was dol, ik was radeloos, ik wist niet wat ik doen zou! Goddank, dat ze bij jullie is!

--Kom binnen, Ferelijn! sprak Betsy bevend, die in de deur van de eetkamer verscheen.

Ook de meiden en Gerard waren in de vestibule en hunne angstige gezichten klaarden een weinig op, terwijl zij zich fluisterend in de keuken terugtrokken. Frans kwam met Henk de eetkamer in.

--Wees maar niet bang, mevrouw; waarlijk, het is voor het oogenblik geschikt. Eline was door- en doornat, maar Jeanne heeft haar goed verzorgd. Verbeeld u onzen schrik toen wij die late bel hoorden en haar zagen, druipnat...

Hij verhaalde kort Eline's aankomst ten hunnent in dien nacht van jammer en stelde hen gerust, toen hem eensklaps voor het eerst Henks gelaat opviel...

--Maar wat is jou overkomen? Je wang bloedt!

--Ja, maar het heeft niets te beteekenen. Toen Eline wegliep, wou ik haar achterna, om haar tegen te houden, en door den tocht is de glazen deur in de vestibule stuk geslagen. De scherven zijn me in mijn gezicht gesprongen en in mijn oogen; daardoor was het mij onmogelijk haar dadelijk achterna te rennen. Toch ben ik, zoo gauw ik kon, met Gerard op straat gegaan, om haar desnoods terug te sleepen. Maar het was zoo vervloekt donker--de lantaarns waren uitgewaaid--en ik zag haar niet meer. Ik wist niet meer wat ik doen zou. Toen zijn we naar het politiebureau op de Schelpkade gegaan, en vandaar zijn eenige nachtwachts haar gaan zoeken. Ze was in zulk een toestand... ik dacht, dat ze misschien een einde aan haar leven wou maken, en alles kon haar overkomen met dat helsche weêr. Ik heb nog pijn, hier, in mijn oog; ik zal morgen dadelijk naar een oogdokter gaan.

Betsy liet zich zuchtend in een stoel neer.

--Het is verschrikkelijk, verschrikkelijk! stamelde zij. Die Eline kan zijn, of ze dol is!

--Als je ook alles doet om haar dol te maken! riep Henk woedend uit, met de hand aan zijn oog.

--Ah, bien! Nu krijg ik er de schuld van.

--Van Raat, ik moet je nog het een en ander zeggen! viel Frans Betsy in de rede. Je begrijpt, ten eerste ben ik zonder aarzeling hier in den nacht gekomen, omdat ik vreesde, dat je in doodelijke ongerustheid zou zijn.

--Kerel, ik weet niet, hoe ik je danken moet.

--Dat is van later zorg. Maar ten tweede heeft Eline me verzekerd, dat ze niet bij je terug wil komen. Je begrijpt, zoo een historie lekt gauw genoeg uit; er komen praatjes en dat is allesbehalve aangenaam. De zaak wordt verergerd zoodra er over gesproken wordt. En de meiden en de knechts hebben alles gezien, nietwaar?

Betsy zag Frans dankbaar aan, dat hij dit punt aanroerde.

--Ach, wat is daar aan te doen! riep Henk ongeduldig. De menschen kletsen toch dadelijk.

--Daar is ook niet veel aan te doen, maar kom in elk geval morgen dadelijk bij ons aan en zie Eline over te halen hier terug te keeren. Ten minste, als ze niet ziek is; ik dacht zooeven, dat ze nogal koortsig was. Ik zou haar dus nu in alle geval rustig laten, maar kom morgen zoo vroeg mogelijk.

--Goed! sprak Henk, bijna versuft.

--Ik geloof, dat zij ijlde, toen ik een rijtuig ging halen, maar toch sprak ze zeer gedecideerd. Ze wou niet terug komen en ze gaf mij haar sleutels, die ze bij zich had. Ze droeg mij op--hij zag Betsy aan--haar zaken hier te regelen, en haar goed te laten wegbrengen. Maar ik geloof, dat zij dat alles in haar drift heeft gezegd; ik hoop ten minste, dat we morgen om dezen tijd veel in der minne geschikt zullen hebben.