Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 26
Men sprak, tot Betsy's ergernis, veel over Otto en Eline, nu hun engagement af was. Toch zou Betsy het onvermijdelijke dezer praatjes hebben ingezien en zich hebben getroost met de gedachte, dat zij spoedig zouden zijn uitgestorven, indien Eline, nu zij immers haar wil had, nu alles uit was, langzamerhand de zelfde geworden was van vroeger. Betsy bespiedde hare zuster, als in afwachting, wanneer zij eindelijk haar dwazen rouw over Otto van zich zou schudden, wanneer zij weêr glimlachend en vroolijk en innemend zou worden. Werd Eline weer zooals zij den eersten tijd van haar verblijf in hun huis geweest was, een prettig, mooi zusje, waaraan men iets had, en die lief hielp, als er een dinertje was of als er des avonds menschen kwamen, o Betsy zou niets liever gewenscht hebben, dan ze altijd bij zich te houden, altijd. Maar nu zij Eline nooit zag dan òf dof en teruggetrokken, met iets wezenloos' over haar bleek gelaat, òf driftig en schreeuwend; nu Eline niet uitging en eens, toen zij niemand anders ten eten gevraagd had, dan mevrouw Eekhof met Ange en Léonie, Marguérite Van Laren met haar aanstaande en den jongen Hijdrecht, zelfs hoofdpijn had voorgewend en op hare kamer was gebleven, werd Betsy wrevelig en alles aan Eline begon haar te ergeren. Waarom behoefde ze zich zoo leelijk te maken en zoo slaperig te kijken, en waarom kapte ze zich tegenwoordig zoo nonchalant? Ook de urenlange gesprekken van Eline met Vincent ergerden haar; al was hij een half doode neef, toch vond Betsy het niet passend, dat Eline zich, als het ware, met hem opsloot in het violette kabinetje, in haar boudoir, of in de serre. Betsy moest er iets over zeggen, het kon zoo maar niet voortgaan.
In deze ergernis, in deze kribbigheid was zij zeer prikkelbaar en kortaf en wanneer zij Eline of Vincent niet met tallooze kleine hatelijkheden, als met speldeprikken, kwetste, vaarde zij uit tegen de meiden en Gerard, tegen Ben en Henk. Zij had voor geen van allen een goed woord over, en zij liep, quasi druk bezig, door het huis te dwalen, telkens de bedienden op de vingers tikkend voor kleine onoplettendheden, voor een stofdoek die slingerde, of een looper die niet recht lag. Zij bromde op haar kind, terwijl het, steeds zoet en stil, een beetje soezig zat te spelen, of zij overstelpte haar man met verwijtingen, haar man, die de gewoonte had aangenomen, dadelijk de deur uit te gaan, zoodra zij begon! En het meest ontevreden was zij over zichzelve, daar zij haar goed humeur langzamerhand geheel en al verloor.... toch lag de schuld niet bij haar, maar bij haar neef en bij hare zuster.
Eindelijk barstte haar ergernis los. Het was op een middag, voordat zij aan tafel gingen. Er was niets anders gebeurd dan dat Vincent, die zich reeds, vóor er gebeld was, in de eetkamer bevond, uit een karaf wijn zijn glas had ingeschonken. Betsy kwam juist binnen, toen hij dronk en in de overmaat harer kribbigheid al hare vroegere vrees voor Vincent vergetend, voer zij woedend op hem los en verweet hem in de hevigste termen zijne onhebbelijkheid. Hij scheen niet te weten hoe hij zich in een fatsoenlijk huis te gedragen had, en zij had hem al lang eens willen vragen, of hij ook manieren bezat. Zij stonden beiden, vlammend van gramschap, tegenover elkander: hij kalm en zich inhoudend; zij schreeuwend en niet meer in staat heur haat in te toornen, die hare verwijtingen als met eene onbesuisde vlam doorgloeide. Zoo vonden hen Henk en Eline, die binnentraden, en terwijl Eline zweeg en geen partij scheen te kiezen, poogde Henk zijne vrouw te bedaren. Zij holde echter door, opgewonden van drift en kwaadheid, en haren man beschuldigend, dat hij te lam was om haar ook maar een enkele maal in haar recht te handhaven. Het kon haar niet schelen om dat enkele glas wijn: Vincent kon net zooveel drinken als hij wilde, maar hij dacht zeker dat hun huis een herberg was, waar niet betaald werd, waar hij precies zoolang kon blijven tot hij er genoeg van had, en waar hij maar van alles dat hij vond, kon eten en drinken... Ze wilde het nu eenmaal niet dulden dat hij aan haar tafel kwam, voor zij zaten: zij vond dat onhebbelijk, onhebbelijk en ploertig....
Zij overwon, want Vincent ging kalm de kamer uit, zonder haar te antwoorden dan met een enkelen blik, vol spot, haat en minachting, een blik waaronder zij had kunnen kruipen van angst, nu haar overmoed verspild was. Maar toen Vincent was verdwenen, vroeg zij Henk en Eline kort, of zij niet dachten te dineeren dien middag, zoodat Henk zich met een wanhopigen zucht aan tafel zette, en Eline, steeds zwijgend, het gelaat vol tragische, doodsche kalmte, haar stoel nam en haar servet langzaam openplooide. Noch Betsy, noch Henk spraken daarna veel, en Eline zweeg, zweeg steeds.
Dien avond pakte Vincent zijn koffer om den volgenden dag te vertrekken, naar Londen, zooals hij zeide. Henk poogde slechts zwakjes hem van zijn voornemen af te brengen; zelve begreep Henk, dat, als Vincent weg was, er ook een steen des aanstoots minder zou wezen. En al gevoelde hij een weinig medelijden voor Vincent, het was hem zoet, te denken, dat hij zijn huiselijke rust nog herwinnen kon, als Betsy niet meer geërgerd werd door een neef, dien zij haatte, dien zij vreesde, en dien zij uit vrees gekoesterd had, tot zij van hem walgde. Voor hij vertrok, des ochtends, had Vincent een laatst gesprek met Eline, in haar boudoir.
--Je gaat dus, onherroepelijk? vroeg zij.
--Maar natuurlijk, beste meid. Je ziet toch ook in, dat Betsy mij niet langer kan uitstaan.
--Wat ga je in Londen doen?
--Ik moet in Londen eenige vrienden opzoeken... eenige geldzaken regelen, voordat ik naar Amerika ga.
--Ga je dan naar Amerika?
--Dat weet je toch: je hebt me immers zelf den brief van St. Clare gebracht.
--Ik... ik wist niet, dat je gedecideerd was. Arme Vincent!
Hij zag haar zacht glimlachend aan. Nog niet geheel en al hersteld van zijne vorige zwakte, streelde het hem beklaagd te worden.
--Heb je zoo een medelijden met me?
--Ja... o ja, ik heb medelijden met je. Je zal nu weêr gaan zwerven en wie weet, of ik je ooit weêr zal zien... Misschien wel nooit, misschien wel nooit!
Zij zuchtte.
--Ik ben altijd het gelukkigst, wanneer ik zwerf! antwoordde hij.
Zij gevoelde een hartstochtelijk verlangen hem te vragen of zij hem vergezellen mocht, of zij aan zijne zijde ook haar geluk elders in verre streken zou mogen zoeken. Maar zij wist niet, hoe hare vraag in te kleeden en zij wachtte of hij misschien iets zou zeggen. Hij had haar immers lief; vroeger had hij om haar willen vertrekken, nu was er niets meer wat hen behoefde te scheiden.
--Hij durft niet... hij durft niet! dacht zij en zij wist niet, of zij verheugd was, dat hij niet durfde, of dat het haar smartte...
--Het gelukkigst, wanneer je zwerft! herhaalde zij peinzend en mat. Het is mogelijk... Je bent een man, je kan zwerven... En ik ben een jong meisje, ik heb hier altijd kalm gewoond... en gelukkig, God neen, dat ben ik niet!
Hij zag haar even aan, of hij haar iets vragen wilde, maar hij zweeg een pooze. Toch vroeg hij daarop:
--En waarom... ben je niet gelukkig?
--Waarom ik het niet ben! Ik weet het niet... ik weet het niet! murmelde zij.
Zij wachtte, tot hij verder zou gaan, tot hij wellicht eene vraag zou doen waarop zij reeds eenige dagen wachtte. Maar het was wellicht uit kieschheid, dat hij niet vroeg: het was nog zoo kort geleden, sinds zij Otto geschreven had... Toch meende zij in den zachten klank zijner stem liefde te hooren doorklinken en zij zag hem aan... Eenige zonneschijn vloot langs de ronding van het gordijn naar binnen en omgaf hem op de bank, waar hij zat, met een lichten glans, en zij ontstelde, toen zij hem, in die verheerlijking, treffend heuren vader zag gelijken... Deze schrik deed haar hart sneller kloppen, en zij wond zich op en meende, dat zij Vincent liefhad, terwille van de nagedachtenis haars vaders liefhad, omdat zij een slachtoffer van de kleingeestigheid der wereld in hem zag, iets ideaals en romanesks.
En ook hij bleef haar aanzien, met medelijden, want hij wist, dat zij haar geluk van zich had gestooten. Hij zelve meende dit vaak gedaan te hebben, maar van hemzelven had het hem nooit zoo duidelijk en klaar voor den geest gedoemd, als nu van haar. Een oogenblik meende hij haar zoo iets te zeggen, maar hij zag er geen nut in en hij zweeg. Zij zou het toch niet hebben willen erkennen.
--Vincent! stamelde zij ten laatste, zenuwachtig door hare overspanning, door het wachten op iets, dat niet kwam. Vincent, zeg me... misschien zien we elkaâr hierna nooit weer terug... heb je me niets... niets te zeggen?
--Heel veel, Elly-lief. Ik heb je te danken, dat je me als een zusje verpleegd en vertroeteld hebt, hier in je eigen kamer in een tijd, toen je geleden hebt.
--Hoe weet je, dat ik geleden heb?
--Ik heb een klein beetje menschenkennis.
Zij schudde ontkennend het hoofd.
--Ik geloof het niet, ik heb niet geleden, ik heb medelijden met.... met Otto, maar zelve heb ik niet geleden...
Zij martelde zich met die leugen, maar het was ter wille van Vincent, die haar liefhad en niet van haar smart mocht weten. Doordringend zag hij haar aan, zichzelven afvragend, waarom zij loog, maar hij moest zich het antwoord schuldig blijven, hij begreep haar leugen niet; hij begreep alleen, dat er in een vrouweziel altijd iets raadselachtigs bleef hangen, een nevel.
En ook zij begreep hem niet. Zij begreep niet, waarom hij haar niet vroeg hem lief te hebben, nu niets hen meer scheidde, en nu hij op het punt stond te vertrekken. Nog een uur en hij zou gegaan zijn. O, misschien dacht hij, dat het te laat was. Zij zuchtte en dringend sprak zij nu:
--Vincent, iets moet je me beloven: als ik ooit iets voor je doen kan, als ik je ooit van hier helpen kan, schrijf me dan uit New-York en ik verzeker je, dat ik je niet zal teleurstellen. Beloof me dat.
--Ik beloof het je en ik dank je.
--En dan nog iets: ik weet, dat je dikwijls in geldverlegenheid bent. Als ik je ook daarin kan bijstaan, schrijf mij dan ook. Op het oogenblik bijvoorbeeld, heb ik tweehonderdvijftig gulden liggen; kan je die gebruiken, dan zijn ze tot je dienst. Mag ik ze je geven?
Zij rees reeds op om hare schrijftafel te ontsluiten, maar hij vatte hare hand met iets als aandoening.
--Elly... Elly... neen Elly... dat niet... Ik dank je, ik vind het allerliefst van je, maar ik zou ze je moeilijk in den eersten tijd kunnen teruggeven...
--Toe, weiger het me niet, het zal me plezier doen...
--Nog eens ik weet niet, hoe ik je voor je aanbod danken moet, maar waarlijk.... ik.... ik kan het niet aannemen.... ik kan het niet....
Zij bleef staan en zij verbleekte.... Ja, ja, hij had haar lief; hoe had zij nog kunnen twijfelen, dat hij haar liefhad.... Had hij anders dit geld geweigerd? O, ja, hij wilde haar geen geld schuldig zijn, omdat hij haar liefhad.... Maar waarom sprak hij dan niet...?
Eindelijk stond hij op; het rijtuig zou over eenige minuten komen.
--Maak het nog goed met Betsy! sprak zij smeekend en smeltende van weedom. Het is zoo akelig zoo te scheiden.
--Zeker, ik denk wel in der minne van haar te gaan. Maar nu ga ik ook werkelijk. Adieu dan, mijn beste Elly, adieu dan: dank je nog duizend maal voor alles wat je voor me gedaan hebt...
--Adieu dan, Vincent, adieu.
Hij maakte een gebaar, of hij haar kussen wilde en zij sloeg hare armen om zijn hals en gaf hem een zoen op iedere wang.
--En denk nu en dan eens aan me, wil je? Ik hou van je en ik hou van niet veel menschen; ik kan mijn affecties wel tellen. Nu, dag Elly, adieu, misschien wel tot weêrziens...
Zij kuste hem nogmaals, de oogen vol tranen en terwijl hij wegging, zonk zij op den divan neêr en knikte hem voor het laatst toe. Hij verdween, de deur achter zich sluitend.
Een pooze tuurde zij op die deur. En toen zij na eenigen tijd zijn rijtuig hoorde wegrollen, verwonderde zij zich, dat hij haar zoo koel had gekust, in dat laatste oogenblik van vertrouwelijkheid. Zij wilde er in doordringen, zij wilde over hem peinzen, omdat zij hem niet begreep, zij wilde ook in zichzelve nagaan of zij hem waarlijk liefhad, maar zij was moê en zwaar in haar hoofd, dat zij met een zucht in de kussens liet vallen en met de handen bedekte.
II.
Betsy had zich op het laatste oogenblik nog met Vincent verzoend; nu hij ging was het niet noodig boos te blijven en zij had hem dus met eenige lieve woordjes zoeken wijs te maken, dat wanneer hij thans niet was weggegaan, hij toch spoedig hun huis had moeten verlaten, omdat zij reisplannen maakte, met het najaar. Zij werd na zijn vertrek ook weêr meer zichzelve en voer niet meer om de minste aanleiding tegen de bedienden of tegen Eline, Henk en Ben uit. Zij sprak zelfs somtijds Eline vriendelijk toe; het was toch niet goed zich zoo geheel en al van de wereld af te sluiten, men werd er eenzelvig en treurig door en het gaf aanleiding tot praatjes: de menschen zouden bepaald denken, dat ze Erlevoort regretteerde! Ze moest zich integendeel een enkelen keer vertoonen; ze behoefde niet iedere uitnoodiging aan te nemen, als ze nog geen lust in uitgaan had, maar voor alles te bedanken, waarlijk, dat zou geen goeden indruk maken. Bij voorbeeld, nu... een diner bij mevrouw Hovel over acht dagen. Mevrouw Hovel gaf altijd nogal intieme diners; de invitatie was ook intiem; ze zou er Emilie en Georges De Woude vinden en Paul... zou ze dus maar voor Eline accepteeren?
Eline zelve gevoelde behoefte aan een andere omgeving, dan die harer eenzaamheid, waarin hare gedachten, als over een cirkel, steeds een zelfden loop beschreven en steeds op het zelfde terugkwamen; zij gaf Betsy dus gelijk en zij accepteerde de invitatie van Mevrouw Hovel; het zou de eerste maal zijn, dat zij zich in gezelschap vertoonen ging na het verbreken van haar engagement. Dat diner over eenige dagen werd toen een rustpunt voor hare gedachten, die overigens doelloos rondwaarden, slechts somtijds zich op Betsy vestigend, welke, na het vertrek van Vincent, met wellust op hem losstormde, haar hart lucht gevend in, zich telkens herhalende, hatelijke zinnen. Het was toch een zegen, dat ze dien half gestorven neef kwijt waren; het was waar, ze had zich om een kleine onhebbelijkheid wel wat driftig gemaakt, maar een onhebbelijkheid was het toch geweest en nu haar drift zoo een goed gevolg had gehad, had zij er niet het minste berouw van! Lieve hemel, wat een jongen! Hoe had ze ooit kunnen denken, dat hij gezellig en causant zou zijn! Hij had haar verveeld met zijn half doode gezicht, tot zij hem verafschuwd had als een reptiel. Maar enfin, nu was hij gelukkig opgebonjourd, en wilde ze geen kwaad van hem spreken....
Aan tafel, iederen dag, vloeiden die zinnen van Betsy's lippen als een vlug gekakel, waarbij ze nauwelijks meer dacht, omdat zij het goed van buiten kende. En terwijl zij ratelde, ratelde over Vincent, tot zij voor dien dag uitgerateld was en zich geheel en al lucht had gegeven, zwegen Henk en Eline versuft door dien hagel van woorden, hoewel de laatste zeer geprikkeld werd tot tegenspraak. Zij was er echter te moê voor en ze zweeg en zuchtte van verlichting als Betsy ten laatste een ander thema ter tong nam, en zij leed stil om Vincent, die haar lief had en zoo kiesch was geweest.
De dag van het diner was aangebroken. Voor het eerst sedert weken had Eline zich weêr met zorg gekleed, hoewel Betsy, toen Eline binnen trad, in afwachting van het rijtuig, haar costuum aanstellerig genoemd had. Het scheen, of ze in den rouw was; het was ridicuul! Eline echter antwoordde niet en haalde hare schouders op. Ze zag in den spiegel en zij vond zich zoo goed; zij maakte een indruk van elegante melancholie met haar bleek, treurig gelaat en haar zwart tulle toilet, een wolk van zwarte tulle, een weinig open aan den hals.
Toen Eline bij de Hovels binnenkwam--de Van Raats kwamen het laatst,--meende zij, dat iedereen haar opnam met een soort van nieuwsgierigheid en zij gevoelde voor het eerst van heur leven eenige verlegenheid in het gezelschap dier menschen, welke zij toch allen intiem kende. Er waren niemand anders dan Emilie en Georges De Woude, Françoise Oudendijk, Hijdrecht en Paul. Maar het was de eerste maal, dat zij haar zagen, nadat het bekend was geworden, dat haar engagement verbroken was, en zij moest zich wel dat pijnlijk kruisvuur van blikken getroosten. Aan tafel zat zij tusschen Georges en Hijdrecht; zij gevoelde weinig lust tot spreken en vond het gemakkelijk, dat Hijdrecht zeer lange verhalen deed, waarnaar zij schijnbaar, met een vaag lachje, hoorde, zonder ze met een woord te onderbreken. Georges was stiller dan hij gewoonlijk placht te zijn. Maar aan de andere zijde der tafel ontvonkte een luidruchtige scherts tusschen Emilie en Françoise, die Paul, tusschen haar beiden gezeten, om strijd bedienden.
Het suisde Eline een weinig in het hoofd, de scherts daar ginds, de eindelooze verhalen van Hijdrecht, die zich door niets van zijn stuk liet brengen en het verwarde gegons der anderen. De knechts, die haar telkens wilden inschenken en den naam van een wijn noemden, haar cavalier, die haar bediende, verveelden haar. Maar eensklaps werd zij uit hare doffe neêrslachtigheid gewekt door een naam... Betsy vertelde aan den heer Hovel, dat Vincent hen verlaten had en misschien naar Amerika zou gaan.
--Om u de waarheid te zeggen, ben ik blij, dat hij weg is. Ik hou niets van hem, ik vind hem bepaald onaangenaam: een onaangenaam mensch... Ach natuurlijk, hij is een eigen neef, dus we kunnen hem niet geheel niëeren, maar hij is au fond zoo een raar sujet; ik was altijd bang, dat hij ons comprometteeren zou...
Eline hoorde niet meer naar Hijdrecht; zij was geheel en al oor voor Betsy, wier ratelende stem zij duidelijk onderscheidde tusschen het gegons en gelach der anderen. Het was dus niet genoeg, dat zij thuis die, zich immer herhalende, hatelijkheden slikte; zelfs hier, onder vreemden, moest Betsy heur haat tegen Vincent lucht geven! En Eline luisterde in een stijgende woede...
--Hij heeft zoo iets om van te huiveren... zoo iets van... een pad, van een reptiel, vindt u niet? Iets griezeligs, met die valsche, gluiperige oogen...
Eline kon haar gramschap niet meer beteugelen. Hem, die haar aan heur vader herinnerde, die haar nu het dierbaarst was van alle menschen ter wereld, hem hoorde zij door hare zuster verguizen met de laagste scheldwoorden. En Hovel lachte... hij lachte om die scheldwoorden! Hare oogen flikkerden en, hare stem verheffend, riep zij over de bloemen en het kristal der tafel hare zuster met eene stem vol trillenden trots toe:
--Betsy! Ik verzoek je, kies je woorden een beetje uit! Je bent niet thuis en ik raad je aan meneer Hovel met iets anders te amuzeeren dan met die vulgaire hatelijkheden op Vincent...
In hare stem klonk zulk een toon van hard bevel, dat de gesprekken allen even ophielden en ieder naar Betsy en Eline zag, verrast door dien brusken aanval, welke de vroolijke gezelligheid als met een killen tooverslag verbrak. En Eline, die eene scène onder vreemden vroeger het vreeselijkste onheil zou genoemd hebben, dat haar overkomen kon, bleef Betsy driest aanzien, haar uittartende, hen allen uittartende, die daar verrast waren, omdat zij hunne conventioneele wetten van fatsoen dorst te trotseeren. Betsy was op het punt een brieschend antwoord te geven, maar zij wist zich gelukkig in te toornen, en, met een hooge kleur van zenuwachtigheid, zich tot Hovel wendend, sprak zij schijnbaar kalm:
--Ik vraag u excuus, meneer Hovel, voor de interruptie van mijn zuster. Ze is een weinig prikkelbaar in den laatsten tijd; wees zoo vriendelijk en sla er geen acht op.
En, met tact hare woede terugdringend, praatte zij aanstonds over iets anders door en lachte zij weldra luid.
Mevrouw Hovel was een weinig verlegen geworden bij de gegeneerde stilte harer gasten. Maar Emilie De Woude, met hare jovialiteit, toonde nog meer tact dan Betsy te bezitten om de gastvrouw en hen allen uit dien hachelijken toestand te redden. Zij richtte rechtstreeks het woord tot Eline, die nog bleek, met schitterende oogen naar Betsy staarde en zij sprak eerst vriendelijk, later komiek:
--Ach, ja, Eline, ik vind hem nu ook zoo vreeselijk onverdragelijk niet, als de meeste menschen hem vinden. Maar je begrijpt, Betsy als huisvrouw heeft misschien een ondervinding van zoo een mannelijken logé opgedaan, die haar minder zachtzinnige ideeën heeft doen krijgen. Dat is zeer natuurlijk; zoo een jongen in huis geeft altijd last; daar heb je mij nu met Georges... Zou je wel willen gelooven, dat ik soms wanhopig word door al de drukte en de onaangenaamheid, die hij mij bezorgt?
--Ik! riep Georges verschrikt uit. Ik? en hij verdedigde zich met warmte.
Allen lachten spoedig hartelijk om dien komischen strijd tusschen een broeder en eene zuster, van wie men wist dat zij elkander aanbaden; zelfs Eline glimlachte even en mevrouw Hovel was Emilie zeer, zeer dankbaar!
III.
Het had dien dag zwaar geregend en een gierende herfstwind geeselde de kreunende takken, die een gedwarrel van bladeren en geknakte twijgen over den grond verspreidden. Met den avond, om half-elf, nu Betsy, Eline en Henk in den landauer huiswaarts reden, was die gierende wind tot een stormende woede gestegen, die razend langs de gevels der gebouwen huilde, die de glazen der lantaarns luid deed rinkelen en dakpan bij dakpan afsmeet... Betsy had zich voorgenomen Eline in het rijtuig goed de waarheid te zeggen, maar de tragische woede van den wind, die door het portier drong en Betsy deed huiveren, legde haar bijna het stilzwijgen op.
--Wat een weêr! mopperde zij angstig. Zou het niet gevaarlijk zijn, zouden de paarden niet schrikken, Henk?
Henk schudde van neen, eveneens luisterend naar de weeklagende jammerkreten van den storm en naar het geruisch van den regen, die op de kap van het rijtuig ratelend neêrkletste. Ook Eline bleef zwijgen.
Op het Nassauplein werden zij door Gerard opengedaan, nog vóor Herman gebeld had, en Betsy en Eline repten zich naar binnen, terwijl Henk Dirk eene zorgvolle vermaning over de paarden toeriep. Eline ging aanstonds naar heure kamer.
--Wat een weêrtje, mevrouw! sprak Mina bibberend, toen zij Betsy's rotonde afnam. Het is of de wereld vergaat. Er zullen zeker wel boomen in het bosch omwaaien, denkt u niet? Ik ben er bang van geworden met Grete... hè, ik ben blij, dat u maar thuis is!
Betsy antwoordde niet en begaf zich naar boven; zij zou nu met Eline spreken. Maar de wind die buiten gierde, scheen ook, een weinig, hare gramschap te verstuiven en zij wist niet goed meer, wat zij zeggen wilde, nu zij vreesde, dat er ergens een raam openstond, of dat de schoorsteenen van het dak zouden waaien.
--Gerard! Mina! riep zij van het bovenportaal.
Zij antwoordden beiden.
--Weet je zeker, dat alles goed dicht is?
--O ja, mevrouw!
--Ga toch eens kijken, op zolder bijvoorbeeld.
Mina betuigde, dat zij zeker was van den zolder; zij had er zelve de ramen gesloten, dien middag.
--Ga toch eens kijken, je kan nooit weten...
De meid en de knecht liepen het huis door, alle kanten onderzoekend.
Door hunne drukte vergat Betsy haren angst en begon een weinig tot zichzelve te komen. Ze ging dus naar Eline: Eline moest niet denken, dat Betsy zich alles zou laten welgevallen.
Betsy trad Eline's boudoir binnen. Het gas was er aangestoken; de wind jammerde tegen de trillende ruiten aan en de gordijnen sidderden voor de vensters. Eline deed juist haar grooten mantel af.
--Wat wil je? vroeg ze trotsch. Ik wou gaarne alleen zijn.
--Mag ik je doen opmerken, dat je in mijn huis bent, en dat als ik hier binnen wil komen, ik het doe. Ik kom je spreken.
--Maak het dan kort, want ik zeg je nog eens, ik wil alleen zijn.