Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 24

Chapter 244,175 wordsPublic domain

Eline intusschen was de trap opgevlogen en stortte haar boudoir in, maar eensklaps schrikte zij: zij had vergeten, dat Vincent er was en zij deinsde terug in de geopende deur, Intusschen was het toch te laat, maar... Vincent sliep nog, terwijl zijn middagmaal onaangeroerd op een tafeltje naast den divan stond. Vincent sliep en Eline gevoelde een wreede, romantische voldoening, dat zij voor hem zoo gestreden had tegen Betsy, tegen Otto.... Toch wilde zij hem niet wakker maken, en, de deur sluitend, sloop zij in hare slaapkamer en wierp zich op haar bed. Hare snikken waren eensklaps opgehouden en zij was wanhopig, dat zij niet weenen kon. Hare eenzaamheid, de kalmte om haar heen goten een koud bad uit over hare geprikkelde zenuwen, en hoewel zij zich hare woorden niet goed herinnerde, meende zij toch vreeselijke dingen gezegd te hebben vooral tegen Otto... Waarom had zij dat gedaan? Waarom was zij zoo tegen hem uitgevaren? Ter wille van Vincent? Ter wille van zichzelve, omdat zijne bedaardheid haar ergerde? Zij wist niet meer waarom; alles warde in haar brein door elkaâr en zij schudde haar hoofd op het kussen heftig heen en weêr, als om dat gewar te doen bedaren.... Ja, zij dacht, ze had zeker zoo gesproken om Vincent, die niemand op de wereld had dan haar en zijn vriend, die ver was.... Zij had medelijden met Vincent, maar.... had zij dan niet meer medelijden met Otto? Had zij zich dàt voorgenomen, zich zoo aan hare passies over te geven, als zij zooeven gedaan had? Was dát dan de wilskracht, waarmede zij zich had willen dwingen, willen dwingen van Otto te blijven houden, omdat zij hem en zichzelve ongelukkig zou maken, wanneer zij niet meer van hem hield? Vroeger, op de Horze--wat scheen dat lang geleden!--vroeger had zij nooit, nooit ook maar de minste oneenigheid met Otto gehad, en nu, nu had zij hem hare ziedende verwijtingen in het gelaat gegooid, en had zij... o God, waarom? Waarom moest zij dat gedaan hebben; zou Vincent zeggen, dat dit ook onvermijdelijk was voorbeschikt door een keten van andere, zich aaneenschakelende, onvermijdelijkheden...? Maar wat was dan het leven? Wat was dan een mensch? Een willooze speelbal, die door het noodlot her- en derwaarts geslingerd werd? Zij had gewild; zij wist het zeker, zij had zich willen dwingen, maar zij was zwakker dan haar noodlot en nu... wist zij het... nu was het uit! Het was gedaan... voor altijd; zij was overwonnen.

Langzaam begon zij te weenen en zij was blijde, dat zij het doen kon, en zij dwong zich al heviger en heviger te snikken... toch mocht Vincent het niet hooren... Het werd donker; daar hoorde zij Vincent loopen in de aangrenzende kamer daar zag zij een straal van licht door de reet der deur glijden, maar zij bleef liggen, en zij wrong hare handen en liet de snikken steeds haar boezem schokken.

V.

Otto was in den salon gaan zitten en hij tuurde op den grond met starende, vochtige oogen, toen Henk binnenkwam.

Hij bespeurde een enkelen traan in Otto's blik, en in Henks gewone soezige goedheid begon iets te koken.

--Erlevoort! sprak hij en legde de hand op Otto's schouder. Otto richtte het hoofd op.

--Erlevoort! Kom kerel, wees een man! Zusje is wel eens een lastig zeilschip, maar ze is niet kwaad! Je moet je niet aantrekken, wat ze tegen je gezegd heeft, hoor. Ze was alleen maar boos op Betsy, omdat ze nog al van Vincent houdt, en toen is het van den weêromstuit op jou neêrgekomen. Maar je moet het je niet aantrekken. Daar straf je haar het meest meê.

Otto antwoordde niet en bleef zitten, zooals hij zat; er was een te groote vertwijfeling in zijn ziel gezonken, dan dat Henks goedigheid hem zou kunnen opbeuren. Hij dacht er aan, hoe hij Eline eens gezegd had, dat zij maar éen fout had, dat zij zichzelve niet kende, dat zij schatten in zich liet sluimeren, dat hij haar wekken zou uit die sluimering, maar nu zag hij in, dat hij het niet vermocht, dat hij slechts ergernis in haar wekte, en.... dat zij dol werd en stikte.

--Ze kan soms vervloekt driftig worden! ging Henk voort, terwijl hij door den salon loopend, en innerlijk woedend, eenige troostredenen poogde te verzamelen. Maar als ze iemand heeft, waar ze van houdt, en waar ze tegen opziet, dan laat ze zich leiden, en dan.... Wil ik haar gaan opzoeken en eens met haar praten?

--Ik... zou haar... maar laten! bracht Otto met moeite uit. Ik denk wel, dat ze zelve....

Hij trachtte zich in haar te denken, en te raden hoe zij zich nu gevoelde, en waar zij was. Maar hij kon geen logischen gedachtenloop volgen, want hij leed nog te zeer onder haar slag. Hij had haar nog nooit zulke woorden hooren spreken, met die krijschende, schreeuwende stem; hij had nog nooit zoo haar gelaat, tot leelijkheid toe, verwrongen gezien door haar drift... En hoe hij ook trachtte te denken en te raden, hij kon het niet, in die eene groote, martelende smart, die hem overal doorvlijmde.

Zijn ineengezonken, troostelooze houding deed Henk pijn. En het was Henk eensklaps, alsof zich iets in hem staalde. Hij zou het niet dulden, dat Eline Otto, dien hij zoo hoog stelde, zoo straffeloos verguisde; hij zou het niet dulden. Er was iets veêrkrachtigs in zijn zwaren stap, nu hij den salon verliet. Op de trap ontmoette hij Betsy, die naar beneden ging.

--Waar is Eline? vroeg hij.

Betsy zag hem even aan, verrast door zijn beslisten toon.

--Ik weet het niet, antwoordde zij droog.

Henk steeg verder de trap op en trad Eline's boudoir in. Hij vond er niemand, daar Vincent, moede van zijn eersten toer, zich reeds in zijn slaapkamer had teruggetrokken, onbewust van den storm, die beneden gewoed had. En Henk klopte aan de tusschendeur.

--Eline! riep hij.

Er klonk geen antwoord en hij draaide kalm den knop om. Op den grond, bijna in het donker, lag Eline, haar tenger lichaam geschokt door een onhoorbaren snik en het gelaat verborgen in de, in elkaar gewrongen, handen. Hij bleef even wachten, maar zij richtte zich niet op.

--Eline, sta op! sprak hij kort, bijna bevelend.

Woest hief zij zich omhoog en woest krijschte zij:

--Wat is er? Wat moet je hier in mijn kamer? Ga weg.

--Sta op.

--Ik wil niet, ga weg, ga weg! Ik zeg je, ga weg!

Hij boog zich en vatte haar bij de polsen, vol van een drift, die al zijn bloed naar zijn gelaat joeg. Hij deed haar pijn en zij slaakte een kreet.

--Vervloekt! Sta je op? siste hij tusschen zijn tanden, bijna niet meer meester van zijn woede, terwijl hij haar woest omhoog trok.

Zij schrikte van zijn bloedrood gezicht, van zijn sissende stem en zijn vloek. Wankelend liet zij zich omhoog trekken.

--Wat wil je? vroeg zij nogmaals, maar nu kalmer, schijnbaar hoogmoedig in haar schrik.

--Dat zal je hooren. Ik wil, dat je oogenblikkelijk, oogenblikkelijk, versta je? naar Erlevoort gaat, en hem vergiffenis vraagt. Je weet misschien niet meer, wat je geraaskald hebt in je dolle drift, maar je hebt hem beleedigd, beleedigd. Ga, dadelijk!

Zij zag hem ontsteld, met open mond aan. Zij huiverde van zijn beslist bevel en kromp bijna ineen van angst, terwijl hij, in het halfdonker, zoo hoog en breed met zijn forsche gestalte, haar de deur wees.

--Je vindt hem beneden in den salon. Ga je haast?

Zij sidderde van vrees, maar zij wilde hem niet laten zegevieren.

--Ik wil niet!

--Als je niet wilt, sleur ik je de trappen af tot je voor zijn voeten ligt, ik verzeker je, dat ik het doe, ik verzeker het je! siste hij lettergreep voor lettergreep haar in het gelaat.

Zij deinsde gekrenkt achteruit.

--Henk! riep zij, ontsteld, dat hij zoo iets tegen haar durfde zeggen.

--Ga je?

--Ja.... ja, ik ga, ik ga, maar.... Henk! O spreek niet zoo tegen me, spreek niet zoo tegen me!... Waarom? God! Ik ben immers al zoo diep ongelukkig!

--Dat is je eigen schuld, dat maak je jezelve, maar dat is daarom nog geen reden, dat je het een ander hoeft te maken, vooral niet Erlevoort...

--Ja, ja, je hebt gelijk! snikte zij nu, gebroken. Ik zal gaan, maar ga met me meê, ga met me meê, Henk....

Hij ondersteunde haar, terwijl hij haar de kamer uitbracht en de trap afleidde. Zij schrikte echter, toen zij den salon binnentrad. Er was niemand anders dan Otto, die, met het hoofd in de hand, op de canapé zat. Maar in de tweede kamer der suite zag zij Betsy en Gerard, die het theeblad juist had binnengebracht. Zelfs toen de knecht vertrokken was, draalde zij nog, maar Henk zag haar aan, en zij durfde niet meer dralen; zij wilde ook niet meer dralen, toen zij Otto zoo stil wanhopig zag. Zij stortte op hare knieën voor hem neêr en wilde iets zeggen, maar vermocht geen woorden te uiten, zoo hevig snikte zij, nu niet meer gedwongen, met een onhoorbaar droog gehik, maar geheel natuurlijk, wegsmeltende in een vloed van tranen. Zij legde haar bonzend, gloeiend hoofd op zijn knieën en zij zocht zijne hand te vatten en snikte, snikte....

Ook hij sprak niet en zag haar diep in de oogen.

En ten laatste bracht zij het met moeite uit, terwijl Henk als een rechter naast haar bleef staan....

--Vergeef me, Otto, vergeef me, vergeef me....

Hij knikte haar langzaam en zacht toe, nog niet getroost door haar berouw daar hij wist, dat het niet worden zou, als hij het zich had voorgesteld, maar hij bukte zich, trok haar naar zich toe en kuste haar voorhoofd.

--Vergeef me, toe Otto, vergeef me, o vergeef me.... Hij strengelde zacht zijn arm om haar heen en drukte haar even aan zijn borst, terwijl zij snikken bleef, en hij sloot de oogen om een paar tranen tegen te houden, die hij niet kon bedwingen, en die tusschen zijn geloken oogleden afdrupten. Want hij wist het; het was gedaan....

Na een half uurtje ging hij dien avond weg, een weinig somber, hoewel Henk hem op den schouder klopte en hem joviaal vroeg nog te blijven, nu alles weêr in orde was. Van Eline nam hij weemoedig glimlachend afscheid. Eline vroeg daarna ook Betsy vergiffenis, in tegenwoordigheid van Henk. Betsy knikte haar toe met een knikje, dat het goed was en zweeg. Maar in haar oogen flikkerde bijna een blik van haat, terwijl zij Eline nastaarde, die verpletterd wegging. Toch, toen Henk haar daarna vertelde, hoe hij Eline gedwongen had tot Erlevoort te gaan, zagen die zelfde oogen Henk bijna bewonderend aan.... nooit had zij gedacht dat haar man sterker dan Eline zou blijken, als Eline zich tot een strijd had opgewonden.

VI.

Er waren een paar weken voorbij gegaan en schijnbaar was alles als vroeger geweest. Vincent was dikwijls gaan toeren met Betsy en Eline en voelde zich betrekkelijk gezond. Betsy zelve had echter Eline's woorden niet vergeten en zij voedde een stillen wrok tegen hare zuster. Zoo ging het... als je te lief was, zou je op het laatst niets meer te zeggen hebben in je eigen huis, een ziekelijke, akelige neef, terwille van wien de grootste onaangenaamheden oprezen en een zuster, die je in huis hadt opgenomen en die langzamerhand ongenietbaar werd! Zij werden met hun beiden de eigenlijke meesters, zij verstoorden de rust en de gezelligheid in haar, vroeger zoo prettig, interieur, maar--zij beloofde het zich!--het zou niet lang duren! Als Eline getrouwd was, ging zij, Betsy, met Henk en Ben op reis en Vincent de deur uit, om er nooit meer in te komen! Ze zou wel eens willen zien, dat hij er nog eens inkwam: al lag hij stervende voor haar deur, ze zou hem laten liggen, ja, daarin zou ze Eline gelijk geven!

Eline zelve gevoelde zulk diep berouw om haren uitval tegen Otto, dat zij al haar bekoring verzamelde om alles te doen vergeten. En omdat Otto gaarne wilde vergeten en gaarne nog wilde hopen, slaagde zij een weinig. Maar er was iets gescheurd, dat gescheurd bleef. Want Otto zag het in: ieder kon wel eens driftig zijn en in die drift woorden zeggen, die men daarna ongezegd wenschte, en Eline's woorden schenen hem, nu hun eerste krenking geheeld was, zelfs niet meer zoo vreeselijk toe, alleen... hij drong verder in hun diepere bekentenis, en toen vond hij, dat als Eline hem lief had gehad, zooals hij dacht dat zij deed,--een weinig uit egoïsme: niet zoozeer om hem als wel om haarzelve en omdat zij geluk en rust in hem vond,--zij nooit zulke woorden had gesproken. Zij had dan wel driftig kunnen zijn, om Vincent of om wien ook, maar zij had haar drift anders geuit. Hij zag het in: zij had hem niet lief om zichzelve, want zijn kalmte stilde haar niet meer, ergerde haar integendeel; zij had hem ook niet lief om hemzelven, dat nooit; zij dwong zich nog lief tegen hem te zijn, uit medelijden! Al zijn fierheid richtte zich gegriefd op, toen hij dit doorzag en een oogenblik dacht hij er aan haar heur medelijden in het gezicht te werpen, zooals zij hem zijn kalmte in het gezicht had geworpen, maar hij kon niet, hij had er haar te lief voor, en hij kon zichzelven dien slag niet toebrengen. Hij bukte zich dus onder haar medelijden als onder een laatste weldaad, die hem nog iets deed hopen, die hem nog een restje van zijn vroeger geluk gunde, en... toch wist hij, dat het gedaan was.

Dat het gedaan was, hij zag het in de zachte koudheid, waarmede zij hem ontving, nadat zij met haar bekoring er in geslaagd was hem een weinig de krenking te doen vergeten; hij zag het in de kille onverschilligheid, waarmede zij zijn lippen haar voorhoofd liet kussen; hij zag het in de haast, waarmede zij zich terugtrok als hij haar omhelsde; hij zag het in haar melancholiek zwijgen, in alles. En hij zag voor het eerst, hoe vol haar blik op Vincent rustte, en hoe zij, al was hij nu genezen, nog tal van oplettendheden voor hem had. Hij wilde daar niet verder in doordringen; dàt kon niet zijn....

Zijzelve gevoelde zich diep ongelukkig, want zij wist, dat zij zich niet dwingen kon Otto te blijven liefhebben, en zij stierf bijna van smart onder het verwijt van zijn weemoedigen blik. Zij wist, dat zij overwonnen was. En op een middag bleef zij boven en liet zij door Mina weten, dat zij ziek was en niet beneden kwam. Hij vroeg of hij op heure kamer mocht komen zien, maar zij liet antwoorden, dat zij moê was en behoefte had aan rust... En er teekende zich al duidelijker en duidelijker een voornemen in haar geest af: zij moest het doen, zij was het zijn geluk en het hare verplicht. Ook den volgenden dag ontving zij hem niet; hoewel Henk er zeer bij haar op aandrong, schudde zij slechts langzaam heur hoofd: zij kon het niet doen, zij was ziek. Reijer? Dien had ze niet noodig.

En zij bleef boven, terwijl hij beneden at met Betsy, Vincent en Henk en vroeg wegging.

VII.

Dien avond bleef zij lang op haar divan liggen, starende in het donker. Ook Vincent wilde zij niet ontvangen en eindelijk stak zijzelve het gas aan, deed de gordijnen dicht en zette zich aan haar schrijftafeltje. Het moest.

Kalm begon zij te schrijven, telkens ophoudende en ieder woord overlezende:

"Mijn beste Otto:

"Ik bid je, vergeef mij, maar het kan niet anders. Stel jezelven de vraag of ik je gelukkig kan maken en of ik je niet het leven tot een last zou doen zijn. Ik heb gedacht, dat ik je gelukkig zou kunnen maken, en die gedachte, zal ik me steeds herinneren, want zij is mijn grootste geluk geweest. Maar nu..."

De tranen waren haar in de oogen geweld onder het neêrschrijven dier woorden en op eens barstte zij in snikken uit en zij verscheurde het papier. Zij was niet in staat hem zulk een leed te doen. O God, zij kon niet! Maar wat dan? Die pijnigende verhouding laten voortduren, tot de eene of andere catastrofe toch een scheiding veroorzaakte? Neen, neen, dan was het nog beter in vriendschap elkander te verlaten met een laatst weemoedig vaarwel! Maar zij had hem reeds zooveel verdriet gedaan, zonder het te willen; zij verlangde hem voortaan zoo min mogelijk verdriet te doen, en nu... O, dat zij toch zoo geslingerd werd in zulk een strijd, alleen en verlaten, zonder iemand tot steun, en zonder eigenlijk te weten wat zij wilde en wat haar plicht was! Zij was er te zwak voor, voor zulk een strijd!

Maar zij nam toch een nieuw vel papier en schreef opnieuw:

"Mijn beste Otto!"

Eenige regels volgden daarop vlot, bijna gelijk aan het eerste begin, dat zij verscheurd had. Maar hoe het hem verder te zeggen, hoe... Toch vloog op eens haar pen over het papier, woest, met bijna onleesbare letters, en in een hartstochtelijke, overspannen stijl...

"Ik verzeker het je, dat mijn hart breekt, nu ik je zoo schrijf... nu ik je vragen moet... of het niet beter... was, dat wij elkander niet meer vleien met de hoop... dat wij in elkander ons geluk zouden vinden. Het is zoo wreed die vraag te doen, omdat er zoo een heerlijke tijd is geweest, waarin we..."

Zij bleef doorschrijven, verloren in de wreede herinnering dier dagen, terwijl een groote, sidderende snik haar borst telkens ophief als met een marteling, en een, steeds toenemende hoofdpijn, zwaar als lood, met tal van hamers in haar slapen klopte en heure hersenen in een ijzeren band scheen samen te schroeven.

"Een heerlijke tijd is geweest, waarin we... zooveel van elkander hielden... Ik verzeker je, dat ik onder dezen brief lijd... als ik niet wist, dat een mensch lijden kon, maar ik geloof, dat het mijn plicht is, en dat, zoo ik nu niet schreef, ik je ongelukkig zou maken.

"Wij moeten elkaâr vergeten, wij moeten nooit meer aan elkaar denken... Zoo zal het beter zijn, voor ons beiden, vooral voor jou. O, wanneer ik nog hoop koesterde, dat ik mij verbeteren kon en dat ik je nog waardig kon worden, dan zou ik dit papier verscheuren, maar al mijn hoop is weg.

"Ik geloof wel, dat ik jou, mijn beste Otto, ook onder dezen brief doe lijden, maar vergeef me die laatste smart, die ik je aanbreng en vergeet me. Je bent zoo goed en zoo lief; je vindt zeker later, als je me vergeten hebt, een meisje..."

Zij liet haar pen vallen en wierp zich, verbrijzeld van ziel, met haar hoofd op de tafel, in haar doorweekten zakdoek, terwijl de afmartelende, sidderende snik nu haar geheele lichaam doortrilde, en de hamers klopten in hare slapen, tusschen hare oogen en in heur nek. Zij schudde dat bonzend hoofd van links naar rechts, van rechts naar links, maar de pijn vermeerderde met duizend kleine speldeprikken, en zij richtte zich weêr op, en schreef verder, terwijl zij met haar gebalde vuist op heur hoofd klopte. Zij kon geen afscheid nemen van haar brief, die haar Otto zou doen verliezen, en zij schreef door, telkens in herhalingen vervallende en telkens hem verzekerend, dat zij zoo gelukkig met hem geweest was, dat zij leed nu zij hem verloor, en dat het haar plicht was te schrijven. Dat denkbeeld van plicht maakte zich, als iets romantisch, geheel van haar meester, en zij schreef het telkens neêr: plicht, plicht... Maar ook dacht zij dat, zoolang ze schreef, ze hem nog niet verloren had en er nog iets tusschen hen was dat hen bond... Zoodra zij haar naam gezet zou hebben, was het gedaan, voor altijd... En zij draalde dien naam te zetten en herhaalde telkens hare arme zinnen:

"Dan vindt je iemand, die je waard is en belangeloos van je houden zal, daar ben ik zeker van. Dan ben je gelukkig en dan heb je mij vergeten... Maar o, vergeet me dan niet geheel en al; vergeet dan alleen je liefde voor me, en denk dan nog eens om me...

Hare geheele ziel golfde op in die laatste smeekklacht...

"Denk dan nog eens om me, zonder wrok en haat, en heb dan nog wat medelijden met je arme Nily, die..."

--Ik kan niet, ik kan niet! gilde zij opeens, en vatte het papier, nat van tranen, en bijna onleesbaar, op, om het te verscheuren, maar zij zuchtte slechts diep... en zij eindigde snel en kort... Daarna wischte zij haar gelaat af en schreef den brief over, een weinig kalmer, nu zij niet meer te denken had, wat zij zou zeggen...

Toen een postzegel op eene enveloppe en het adres:

Den Hoog Welgeboren Heer den Heere O. Baron Van Erlevoort ter Horze, Lange Voorhout. Den Haag.

Daarop las zij den brief over. Hare smart verlevendigde zich dadelijk bij de lezing dier wreede woorden, en nu zij slechts den brief had in te sluiten, aarzelde zij nog ... Wilde zij dan haar Otto verliezen, of... of wilde zij het eigenlijk niet? Neen, neen, zij wilde het niet, maar zij moest het; het was haar plicht, haar plicht... En zij drukte een langen kus op het papier, en sloot de enveloppe.

O, God, waarom moest zij leven, als er zulke smarten bestonden?

Zij stond op en staande tuurde zij naar den brief, als verwachtte zij, dat die plotseling zichzelven zou vernietigen, zou verdwijnen. Maar de brief bleef onbewogen en vierkant liggen, met het koele adres: Den Hoog Welgeboren Heer... dat alleen nog zichtbaar was.

Eline zag even in den spiegel. Het was haar, of ze zichzelve niet herkende, zulk een bleek, overtraand, bijna vermagerd gelaat staarde haar toe, als een geest, met verwarde haren. Daarna belde zij tweemaal en wachtte even, steeds turende naar den brief.

Er werd geklopt: Gerard trad binnen.

--Gerard, hoe laat is het?

Zij schrikte van haar klanklooze, schorre stem.

--Bij twaalven, juffrouw.

--Is meneer nog op?

--Meneer is in zijn kantoor; mevrouw is al naar bed en meneer Vincent ook.

--Kan je even een brief voor me in de bus doen?

--Goed juffrouw.

--Nu dadelijk?

--Zeker juffrouw.

--Hier dan, maar dadelijk, wil je? Wanneer wordt de eerste bus gelicht, morgenochtend?

--Ik geloof om acht uur, juffrouw.

--O... hier... maar dadelijk, wil je?

--Subiet, juffrouw.

Gerard ging, met den brief, en Eline bleef staan, bijna wezenloos. Zij hoorde Gerard de trap afgaan, zij hoorde hem de zware voordeur achter zich dichttrekken. Verder bleef het groote huis stil.

En een kille schrik vloeide als een ijskoud water Eline over de huid.

Gerard was nu op straat, nu bij dàt huis, nu bij dàt huis, nu naderde hij de bus bij de Nassaulaan. En het was of zij den brief dof er in hoorde vallen, een slag als van een doodkist, die neêrviel. Zij was op het punt in onmacht te zinken, want het scheen in hare, door hoofdpijn toegeschroefde, hersenen, dat tastbare verschrikkingen als spoken haar omsingelden. En op eens, als ontwaakte zij uit een nachtmerrie, besefte zij wat zij gedaan had, eene onherroepelijke daad! Zij voelde nu haar geheele lichaam als in koorts sidderen en hare vingers, hare lippen trilden. Morgen, morgen in den ochtend, zou Otto den brief krijgen, dien brief...

O, God, het mocht niet, het kon niet zijn! Het was haar geluk, dat zij met de beide handen van zich geslingerd had, omdat de rust van dat geluk haar verveeld had! Het was haar geluk, dat zij nooit meer herwinnen kon!

Het scheen haar, of het plafond op haar neêrzakte, of zij niet ademen kon. En zij stortte wankelend naar de deur, haar kamer uit, het breede portaal over, de slaapkamer van Betsy in.

--Mijn God... mijn God... Betsy...! Betsy! schreeuwde zij benauwd uit, alsof een vuist haar worgde.

Betsy lag in bed, in de, slechts door een nachtlampje verlichte, kamer en zij ontwaakte met een doodelijken schrik. Een verwarde gedachte aan iets ontzettends, aan brand, aan moord rees bij haar op.

--Wie! Wat! Wat is dat? Wat is er, Eline?

--Ik.... o, God.... ach....

--Wat is er dan? Wat is er dan toch, Eline?

--Ik heb Otto.... ik.... heb Otto....

--Wat?

--Een brief.... gezonden....

--Een brief?

--Ik heb.... ik heb hem afgeschreven... ik heb het afgemaakt.... o God, o God!

Betsy was uit het bed gesprongen en zij stond rillend voor Eline, die op den vloer was gezegen en zich snikkend het gelaat, omwarreld door het losgewoelde, kronkelende haar, bedekte.

--Wat zeg je? vroeg zij verpletterd.

Eline sprak niet meer en snikte slechts. De deur van Henks kantoortje en van Bens kamer stonden beiden open, en Henk, die had zitten lezen, kwam haastig aan.

--Wat is er? vroeg hij ongerust.

--Sluit Bens deur, Henk. Hij zal wakker worden! sprak Betsy bevend.

Henk sloot de deur.

--Eline heeft Otto geschreven, ze heeft het afgemaakt! vervolgde Betsy, nog ontzet van verrassing.

Ook Henk bleef verpletterd staan, zonder te spreken, zonder Eline op te beuren. Maar zij richtte heur afgemarteld hoofd op en, hare handen wringend, ijlde zij bijna van smart: