Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 23

Chapter 233,969 wordsPublic domain

Zijn dagen bracht Vincent in Eline's boudoir door, daar Betsy hem geen aparte zitkamer kon geven. Hij lag er op den Perzischen divan en had zich uit zekere behaagzucht in een wijden Turkschen chambercloak gehuld, een herinnering uit zijn dagen van weelde te Smyrna. Vaalbleek, met zijn uitgebluschte oogen, als van dof blauw porcelein, met zijn kortgeknipt, lichtbruin haar, lag hij daar onder Eline's aralia, in zijn bloedelooze vingeren een boek, dat hij niet las. Het was hem, of er geen denkbeelden in zijn brein waren en of hij hersenloos was weggezonken in een matte rust, in een vermoeidheid, als van een zware lichamelijke inspanning. Hij had alleen kleine, kinderachtige gedachtetjes, die als broze bellen in zijn geest opwelden en aanstonds uitspatteden; hij had kleine genietingen en koesterde zich in Reijers lof, die hem streelde, terwijl hij zeer leed, wanneer hij, zonder honger, op Eline moest wachten, die hem twee minuten over den tijd zijn ontbijt bracht. En verder niets; hij lag slechts en tuurde Eline's kamer rond, en hij telde al de platen, de palmen, al de kleine voorwerpen van luxe, die er verspreid waren.

Des ochtends zette Eline zich bij hem en las hem voor, of zong met halve stem bij haar piano, nu een fraze, dan een roulade, en Vincent luisterde droomend toe, verloren in een vreemd vizioen vol zonderlinge geuren en vale tinten, die zich met krullende arabesken dooreen woelden als een caleidoscoop van coloriet en parfum. Hij sprak niet en ook Eline sprak weinig, doordrongen van een romantische vreugde, een vreugde, die zij ook aan tante Vere's bed gevoeld had: die van zich te kunnen wijden aan een zieke. Vincent werd er haar al meer en meer interessant om en in zijn Turksch gewaad met zijn Turksche muilen werd hij haar zeer dierbaar, om de zorgen, waarmeê zij hem overstelpte.

Des middags bleef zij thuis tot na vieren, tot Otto haar voor hun wandeling halen kwam, en wanneer hij haar zacht verweet, dat zij niet genoeg aan haar eigen gezondheid dacht, en zich te veel door Vincents ziekte liet opwinden, zag zij hem dwepend en bijna weenend aan en vroeg zij, of hij dan niet diep medelijden met Vincent gevoelde, die zoo verlaten op de wereld was, zoo ongelukkig en zoo zwak. De drukke beraadslagingen over haar uitzet met Betsy waren door deze zorgen een weinig verminderd, en eens zelfs zeide zij met starende oogen tot haar zuster, dat zij het toch vreeslijk zou vinden in November te trouwen, wanneer Vincent bijna stervende was. Betsy echter haalde haar schouders op en toonde haar catalogussen voor linnengoed en stalen van damast en kant, maar Eline kon hier nu onmogelijk haar gewone belangstelling voor toonen en zij ging naar Vincent, wiens blik, naar zij meende, haar verwijtend aanzag. Zij had zich ten laatste hun gesprek, gewisseld vóor hij flauw gevallen was, herinnerd, en er was een plotselinge stortvloed van emoties door heure ziel gegolfd. Zij verbeeldde zich, dat hij alleen in onmacht was gezonken, omdat zij gevraagd had, of het onvoorwaardelijk was voorbeschikt, dat zij met Otto zou trouwen; zij verbeeldde zich, dat hij zoo ziek was, omdat hij wellicht een geheimen hartstocht voor haar koesterde, dien hij tot nu toe angstvallig verborgen had. Hij was immers nog nooit zoo lang in Den Haag gebleven als dezen keer; hij bevond er zich nu bijna een jaar, terwijl hij er anders nooit dan enkele weken vertoefd had. Arme Vincent.... haar zorgen troostten hem nu.... alleen, zoude hij er niet te veel voedsel voor dien hartstocht uit putten, dien hartstocht, die toch hopeloos moest blijven, daar zij van niemand anders dan van heur Otto houden kon?

Zij had gaarne aan iemand die gedachten bekend, maar het was zoo moeilijk, aan wien...? Aan Otto, dat vond zij niet kiesch; aan Betsy, die zoude haar zeker vragen, dat wist ze vooruit, waarom ze zich toch altijd hersenschimmen in het hoofd moest zetten. Aan mevrouw Van Raat?

Ja, die zou haar raad geven, zij zou naar mevrouw Van Raat gaan, op een ochtend, alleen, zonder Otto.... Maar toen zij bij de oude vrouw kwam, vond zij hare vermoedens over Vincent zoo moeilijk in woorden te brengen, dat zij niet tot de biecht besluiten kon en wegging zonder zich geuit te hebben... En zij troostte zich met de weemoedige gedachte, dat Vincent wellicht sterven zoude, vóor zij getrouwd waren, en dat hare zorgen hem dan zijne laatste dagen nog hadden verzoet....

De dagen gingen voorbij, terwijl het vermoeden, dat Vincent dien stillen hartstocht koesterde, haar meer en meer zekerheid werd en zij als wegzonk in een vreemd medelijden voor haar armen zieke. Haar kalm geluk, dat onverstoorbaar had geschenen, glipte haar al meer en meer als een vogel, dien zij tevergeefs zocht vast te houden, uit de vingeren en een nerveuze onrust begon in haar ziel op te borrelen, terwijl zij den moed miste zich bij Otto uit te storten. Want de gedachte aan Vincent schoof een nevel tusschen haar en Otto, een nevel die dichter en dichter werd, als iets wat hen kon scheiden. Zij rilde, wanneer zij dit gevoelde, en na een halven dag met Vincent en in hare onrust te hebben geleefd, smachtte zij naar heur Otto, in wiens kalmte zij hoopte te bedaren.... Na vieren kwam hij, zij gingen wandelen, hij bleef eten, zij waren 's avonds veel thuis, zij waren veel alleen en wanneer hij om halftwaalf weg was en zij zich terugtrok in hare slaapkamer, moest zij zich geweld aandoen om niet in tranen uit te barsten, daar zij uit zijn bijzijn niet meer zoo weldadig een rust putte, als voorheen. Integendeel: zijn bedaardheid ergerde haar nu en dan, als iets onverschilligs en laconieks, dat haar in heure, langzamerhand van onrust opbruisende, stemming hatelijk scheen, vooral wanneer zij hem met Vincent vergeleek, in wien zij een wereld van stil woelend leed vermoedde. Otto's eenvoudige woorden, waarachter zij nog zoo kort te voren schatten van liefde had zien schuilen, ergerden haar nu ook.... Barstte hij dan nooit eens uit in een vlaag van passie, in een hartstochtelijke betuiging over.... over wat ook maar! Bleef hij dan altijd zoo, kalm, kalm, eeuwig kalm, eeuwig gelijkmoedig; gevoelde hij dan nooit iets, dat in zijn hart worstelde met iets anders, iets, dat in hem ziedend bruiste en zich in een stortvloed van woorden moest uiten? Zou hij zich door niets laten ontroeren, zich door niets laten schudden uit die rust, die bijna lethargie scheen....! Ja, hij was wel lief en goed, maar hij had geen diep gevoel: misschien was zijne kalmte wel niets dan egoïsme, dat zich niet liet bewegen door de smart van anderen! En die smart van anderen.... stelde zij zich nooit anders voor dan verpersoonlijkt in het martelaarsschap van Vincent....

Diep ongelukkig gevoelde Eline zich na zulke gedachten. O, God, het waren de spoken, de spoken die al grijnzender en grijnzender opdoemden, nadat het eene spook was opgedoemd, zoo plotseling, in dat gesprek met Vincent... Zij wilde, zij wilde zich niet door hen laten medesleepen, zij wilde ze weg, wegjagen, maar telkens en telkens rezen zij weder op en wierpen zij haar hunne kille twijfelingen in de ziel, en zij streed met ze... een vreeselijken strijd! Zij dwong zich de zoete gedachten, welke haar met idyllische weelde vervuld hadden, tijdens haar verblijf op de Horze, nog eens te denken; zij dwong zich haar zacht geluk, haar blauwe extaze weder te vinden... maar dat geluk, die extaze, ze waren weg! En toen zij dat gevoelde, eens in een slapeloozen nacht, terwijl eene zware stilte door het geheele huis suisde en zij, met groote, starende oogen, zoo eenzaam op heur bed lag, toen zij dat voor het eerst vol en wreed gevoelde, dat ze weg waren, dat ze nooit meer haar zouden toelachen met hun gouden glans, toen eindelijk barstte zij los in een hevig en wild gesnik, zoo wild en hevig als zij nog nooit gesnikt had, en zij omhelsde woest haar kussen, als was dat haar geluk, als was dat de vogel, die aan den klem harer vingeren ontsnapte. Zij schudde haar hoofd.... neen, neen, zij wilde niet, zij wilde gelukkig zijn als vroeger, zij wilde van haar Otto houden, zooals toen, in de dennenbosschen... O, God, hield ze dan nu... niet meer van hem? Het was onmogelijk, het mocht niet, het zou ook niet zijn... Ze wilde zich dwingen met al de geestkracht van haren wil van hem te blijven houden, zooals zij totnogtoe gedaan had, ze wilde zich aan hem blijven vastklemmen, zooals zij zich nu klemde aan haar kussen en grijnzende spoken zouden hem niet uit heure omhelzing kunnen losrukken... Het bleef roerloos stil in huis; alleen... daar hoorde zij de groote klok in de keuken, beneden, hard tikken, onophoudelijk tikken, en een doodelijke angst overviel haar bij de hardheid dier metalen seconden. Een doodelijke angst, dat haar geluk zich niet binnen hare ziel zou laten dwingen; een doodelijke angst, dat onzichtbare machten haar een hellend pad zouden afjagen, terwijl zij opwaarts wilde, opwaarts... En toen, een woede, een woede, omdat zij het zoo duidelijk gevoelde en het niet gevoelen wilde en omdat zij te zwak bleef zich krachtig om te wenden en tegen de onzichtbare machten op te dringen.

II.

Toen Eline den volgenden morgen wakker werd, was zij betrekkelijk kalm. Zij was moe en had een weinig hoofdpijn, maar heur ellende bleef haar alleen bij als de herinnering aan een somberen droom, omdat zij er zich niet in verdiepte... zij huiverde dit te doen. Neen, zij zou nu weêr zichzelve worden; zij zou zich nooit meer laten medesleepen door zulke afschuwelijke nachtmerries, die haar alleen in een afgrond van smart wilden storten, omdat zij niet sliep... Het was niets dan dat: ze was onwel, ze sliep slecht, en in die slapelooze, stille nachten rezen dan al die spooksels op... zij zou met dokter Reijer spreken over hare insomnies; o, zij voelde zich verlucht en verruimd, nu zij, na nog een weinig te zijn ingedommeld, het vale daglicht door de gordijnen zag schemeren. Zij stond vroeg op, stoeide beneden met Ben, bracht als naar gewoonte Vincent zijne chocolade en zijn kadetje,--eene oplettendheid, die zij nooit aan Mina overliet--en zij zag met Betsy de catalogussen en de stalen na... Zooveel fijne tafellakens, zooveel fijne servetten van zooveel, en dan gewone, voor iederen dag, van zooveel... en nog van die beeldige sloopen met geborduurde letters van zooveel; die waren niet duur in de Louvre: Betsy moest bedenken, ze behoorde nu goed op de dubbeltjes te gaan letten... En dan, in dien anderen catalogus, van die aardige theedoekjes...

Intusschen dwarrelden haar gedachten verstrooid heen en weêr, en diep in haar ziel bleef eene somberheid liggen, als een zwarte modder op den grond van een meer, schijnbaar onbewogen en blauw. Toch spande zij al hare zielskracht in en Betsy merkte onder de beraadslagingen niets. Daarna ging Eline naar boven, naar Vincent; zij wilde hem een grooten brief brengen, die voor hem gekomen was.

Hij lag als steeds in zijn Turkschen chambercloak op den divan. Toch kwam hij langzamerhand bij: Dokter Reijer had hem zelfs verklaard, dat hij nu een kleine wandeling zou kunnen maken, maar zijne rust was hem te lief geworden en hij had beweerd, dat hij nog te zeer tegen een wandeling opzag. Nu Eline binnenkwam, knikte hij haar vriendelijk toe; hij was verwend door hare duizenden kleine zorgen en was er haar dankbaar voor en deze dankbaarheid ontstak in zijn dof oog een vriendelijken gloed, dien Eline voor liefde aanzag.

Zij reikte hem den brief en vroeg hoe hij het maakte.

--Goed... zoo langzamerhand beter en beter! sprak hij mat, maar hij richtte zich eensklaps vlug op en scheurde de enveloppe open... Eline wilde zich aan de piano zetten.

--Zoo, eindelijk dan! hoorde zij Vincent bijna verheugd uitroepen.

Zij keek hem vragend aan en daar een portret in kabinetformaat uit de enveloppe gevallen was, raapte zij het op.

--Het is uit New-York, van Lawrence St. Clare! sprak Vincent, den brief vlug doorlezend. Hij heeft iets voor mij gevonden..! aan het zelfde handelshuis, waarbij bij belang heeft zal een plaats openvallen...

Eline schrikte; zij bezag het portret: het was een weinig beschadigd door de poststempels.

--En--en wat denk je? vroeg zij.

--Hoe meen je?

--Wat denk je te doen?

--Zoodra ik beter ben te gaan, maar... maar, ik ben het nog lang niet? eindigde hij kwijnend.

--Te gaan, naar Amerika?

--Ja... zeker...

--Ben je dan blij, dat je gaan kan...?

--Natuurlijk; wat zal ik hier blijven hangen, nietwaar...? nu ik weer een betrekking kan krijgen...

Hij dacht nauwelijks aan wat hij haar antwoordde. Hij viel terug in de Perzische kussens en een dans van bonte vizioenen dwarrelde rond voor zijn geest. Hij herinnerde zich zijn vroeger leven van eindelooze afwisseling, van telkens wisselende verschieten en deinzende horizonten... afwisseling van het leven, afwisseling zou hem weder verjeugdigen. Hij herinnerde zich zijn vriend, een kerngezonde ziel in een krachtig lichaam, de eenige man, die hem deed vermoeden, dat er iets anders in het leven was dan levensmoêheid.

Eline echter voelde diep medelijden voor Vincent...

Ja, hij was dan wel verheugd, dat hij kon heengaan, heengaan wellicht vóor zij gehuwd was, dat hij geen getuige behoefde te zijn van den treffenden slag, dien zij hem zou toebrengen... Zij had hem nog nooit in zulke levendigheid zien opspringen als nu... Hij had haar dan wel lief... en hij leed wel!

Zij stond nog steeds met het portret voor hem.

--Is... is dit St. Clare? vroeg zij, bijna weenend om zijne, door haar gedroomde, smart.

--Ja, antwoordde hij en nam het haar uit de hand. Het is heel goed gelukt! Zoo is hij.... zoo open en flink, met zoo iets levendigs en opgewekts....

--Is hij bruin of blond!

--Donkerblond... zijn baard ook... een prettig gezicht hé?

--Een mooie kop... Maar Vincent...

--Wat?

--Vincent, heusch!... Denk er nog over...? Je bent nog zoo zwak. Je zou kunnen instorten. Raadpleeg eerst Reijer.

--Maar Elly, ik ben immers altijd geweest als nu, ik ben nooit gezond geweest en... en wil jij me dan onderhouden, als ik hier blijf? vroeg hij met een glimlach.

Voor haar was die glimlach weemoedig en zij verweet zich, dat zij hem tegenhield. Neen, hij moest gaan; alleen, misschien zou er een verandering in alles komen, een zoo groote verandering, dat hij niet behoefde te gaan of anders zou gaan... Het dwarrelde haar; zij wist niet meer wat zij wilde en zij dorst de gedachte die in haar oprees niet uitdenken. Het zou te vreeslijk zijn. Te vreeslijk voor Otto, te vreeslijk voor haarzelve ook.

Dien geheelen middag bleef Vincent zeer opgewekt en Reijer kwam en ried hem zich niet te veel te overspannen. Op Amerika zou hij nog wel later terugkomen, daar was vooreerst nog geen sprake van. Maar een kleine wandeling of een toertje. Het weêr was zacht en warm. Waarlijk, dat zou meneer Vere goed doen.

Betsy liet dan ook om halfdrie den landauer komen en zij steeg met Eline en Vincent in. Nu, in de buitenlucht, zag Eline eerst goed, hoezeer hij was afgevallen, hoe groezelig-vaal zijn tint was boven den witten, zijden foulard, dien hij om zijn hals geplooid had, hoe dof en mat hij er uitzag in de elegance van zijn leverkleurigen demi-saison en zijn glanzenden hoogen hoed. Hij lag onbeweeglijk en recht tegen de kussens aan, zijn geschoeide handen rustend op den zilveren knop van zijn stok. Een duizelende lichtheid vervulde zijn hoofd en zoo hij niet gezeten had, ware hij gewankeld, nu zijn longen als een golf van zuurstof inzogen. Hij sloot even de oogen, die hem pijn deden, terwijl het suisde in zijn ooren, en de wielen van het rijtuig draaiden in zijn hersens. Maar langzamerhand gewende hij zich aan de frischheid der lucht, aan de ruimte voor zijn blik, aan de wendingen van den weg en hij ademde diep en verlucht. Hij gevoelde zijn levensvatbaarheid geprikkeld worden; hij voelde zijn zenuwen een weinig sterken.

Eline deed zich geweld aan en praatte vroolijk met hem of met Betsy. Toen zij na een uur terugkwamen, hielp zij Vincent uitstijgen en bracht hem, geleund op heur arm, naar haar zitkamer. Zij hielp hem zijn overjas uittrekken en moede van emoties en verandering van atmosfeer, viel hij neêr op den divan en verzocht haar hem alleen te laten.... hij wilde slapen.

Betsy had thuis gegeven en er kwamen eenige visites, mevrouw Eekhof met Ange en Léonie, mevrouw Hovel en de jonge Hijdrecht, die met een gegons van conversatie den schemerenden salon vulden. Henk was naar de sociëteit, maar Eline voegde zich bij hen en weldra kwam Otto. En Eline gevoelde, toen hij binnentrad, in plaats van de gewone zalige warmte, waarmede zijne verschijning vroeger steeds haar hart doortrilde, een ijskoude onverschilligheid... O God, hoe was dat gekomen, hoe was die warmte langzamerhand zoo verkoeld, zoo verkoeld tot ijskoude? Zij wist het niet, maar het was zoo en zij kon er niets aan veranderen... Zij knikte hem even vriendelijk toe en reikte hem hare hand... zij moest zoo huichelen en terwijl zij Otto's hand vasthield praatte zij met Hijdrecht door over de nieuwe chanteuse-légère van de opera... Aanzien kon zij Otto niet, maar wel hem zoo vasthouden, al pratend... Zij hoorde nauwelijks wat Hijdrecht antwoordde: zij vloeide bijna over van onpeilbaar medelijden... daar stond hij, Otto, naast haar, daar hield zij zijne hand in de hare, daar voelde zij zijn zachten vriendelijken blik op haar rusten, zijn adem bijna heur haar beroeren, terwijl hij leunde op den rug van haar causeuse. Daar stond hij naast haar, vol liefde en zij... zij voelde niets meer dan ijskoude! Neen, neen, het mocht niet, het zou niet, zij zou zich dwingen, zij had te veel medelijden met hem, zij was er hem te zielsdierbaar voor...

--Nily... wat heb je, kind? vroeg hij zacht, terwijl de dames en Hijdrecht opstonden, en Otto steeds den krampachtigen druk van heur vingers op zijne hand voelde.

--Ik?... Ik...? Niets, wat hoofdpijn, geloof ik...! sprak zij stotterend en zij blikte hem aan, voor het eerst dien middag... Zijn oog zag diep in het hare en zij was op het punt zich woest aan zijn borst te werpen, hem te omklemmen en hem nooit weêr los te laten, om hem niet te verliezen...

Maar zij glimlachte en reikte hare hand aan mevrouw Eekhof, aan Ange....

--Is het niet meer terug te dwingen? Zou het niet meer terugkomen? dacht zij radeloos.

Ze bleven alleen, eenige minuten voor het diner...

--Nily... vrouwtje, zeg me, ben je niet wel? vroeg hij angstig. Je hand is koud...

--Ik ben wat koortsig... we hebben getoerd in een open rijtuig met Vincent... Ik begrijp niet, dat Reijer het wilde hebben... Ik... vond het koud... ijskoud...

--Als je maar niet ziek wordt...

--Neen, het zal wel overgaan.

Zij zag hem glimlachend aan, en eensklaps, in een aandrang vol wanhoop, omhelsde zij hem met beide armen.

--Wat ben je lief zoo bezorgd over me te zijn...! fluisterde zij en hare stem brak. Je bent zoo goed en... ik hou zooveel van je, ik hou zoo dol veel van je...

III.

Vincent at dien middag nog niet aan tafel. Betsy vertelde aan Otto van den brief uit Amerika; Vincent zou nu een betrekking krijgen, in New-York....

--En wanneer denkt hij te gaan?

--Zoodra hij beter is. Ik zal God danken, als hij weggaat.

Eline vermocht haar zelfbeheersching niet meer te bewaren.

--Reijer zegt, dat hij er in de eerste weken nog niet aan denken moet! zeide zij vinnig, met een woedenden blik op Betsy. Maar natuurlijk...

--Wat natuurlijk?

--Als je het niet voor je fatsoen liet, zou je hem, ziek als hij is, op straat zetten...

--Als ik kon, dan ja, zou ik het zeker doen. En het is eens voor al: hij komt nooit meer bij me aan huis... Ik heb nooit iemand gezien, die zoo indiscreet blijft hangen.

--Maar Betsy.... als hij toch bijna stervende is! riep Eline, trillend van woede.

--Ach gekheid!

--Wat gekheid? Als je hem zag, zooals ik hem zie! krijschte zij.

--Ach toe, Eline, laten we niet kibbelen over Vincent. De heele jongen kan me niets schelen. Je maakt er een melodrama van. Stel je toch niet zoo aan.

--Ja, "stel je toch niet zoo aan!" Daarmeê wordt je altijd doodgeslagen, als je het minste gevoel toont... Jij, jij hebt geen hart, jij...

--Eline! sprak Otto zacht.

Gerard, de knecht, bracht de vleeschschaal binnen. Er heerschte een pijnlijke stilte.

--Je vergeet de jus, Gerard, zeide Betsy kort. Gerard ging.

--Jij... jij zou een mensch kunnen vertrappen, als hij je maar een voetbreed in den weg lag, als hij je maar zooveel hinderde in je plat egoïsme! Je denkt om niets dan om jezelve, en je begrijpt niet, dat niet iedereen zoo laag is als jij en....

--Eline! sprak Otto nogmaals, terwijl Gerard voor de tweede maal binnentrad met een sauskom.

--Ach wat! "Eline! Eline!" Qu'est ce que me fait cet homme! Betsy ne veut pas le voir... mais je t'assure, que Vincent se meurt... Il s'est endormi dan ma chambre, pâle comme un linge et essoufflé par la fatigue, que lui a causé cette stupide promenade, recommandée par Reijer... Et c'est pour cela, que je ne veux pas souffrir, qu'on l'accuse d'indiscrétion et de tout cela... S'il ne fût pas si malade il ne resterait pas longtemps chez nous... j'en suis sûre...!

Zij sprak driftig, met vlammende oogen, en de Fransche woorden vielen van haar lippen, scherp en vlijmend als naalden, hoogmoedig en trotsch.

Ook Betsy kookte van woede, terwijl Gerard verdween, maar zij antwoordde niet en hield zich in. Henk kon een zucht niet onderdrukken.

--Nily-lief, sprak Otto. Ik draag Vincent geen kwaad hart toe, hoewel ik geen sympathie voor hem voel, maar ik zal toch ook blij zijn, als hij weg is.

--Zoo... jij ook al...! snauwde zij hem toe.

--Mag ik uitspreken? vervolgde hij, hare ijskoude hand omknellend. Ik zal het ten minste zijn, als zijn tegenwoordigheid en zijn ziekte in staat zijn je zoo op te winden en uit jezelve te brengen, als op het oogenblik. Je weet niet meer wat je zegt, Nily, minstens niet op wat een toon je spreekt.

Zijne kalme woorden maakten haar razend.

--En jij... jij... jij met je eeuwige kalmte, je eeuwige laconieke kalmte! barstte zij bijna gillend uit, terwijl zij van tafel opstond en haar servet neêrsmeet. Ik word er dol onder... onder die kalmte! O, God, ik word er dol onder! Betsy verplettert me onder haar egoïsme, en jij onder je kalmte, onder je kalmte, onder je kalmte, onder je kalmte! Ik, ik... ik kan het niet meer uithouden... ik stik er onder!

--Eline! riep Otto.

Hij rees op en hij omklemde hare polsen, en zag haar vlak in de oogen. Zij verwachtte iets vreeselijks; zij verwachtte, dat hij haar op den grond zou neêrgooien, dat hij haar zou slaan... Maar hij schudde slechts langzaam, terwijl hij haar vasthield, zijn hoofd, en zijne stem klonk diep bedroefd, toen hij eenvoudig zeide:

--Eline!... Foei!

--O God! O God! Ik word... Ik word krankzinnig! schreeuwde zij in een vlaag van snikken, en ze rukte zich los uit zijn greep, en stortte zich de kamer uit, terwijl zij in haar vaart eenige glazen van de tafel sleepte die rinkelend in scherven vielen ...

IV.

Betty sidderde van woede en zij wilde Eline naloopen. Otto hield haar echter tegen.

--Ik bid je... laat haar! smeekte hij.

Ook Henk was opgestaan en toen Gerard binnentrad, gevoelden zij zich alle drie verlegen voor den knecht over het plotseling afgebroken diner, over de glazen, die in scherven lagen.

--Laat maar.... laat maar, Gerard, sprak Betsy bijna deemoedig. Laat maar, neem maar af.

Het was hun onmogelijk eene houding aan te nemen: het kon niet anders of Gerard begreep, dat er iets was voorgevallen, al bleef zijn gelaat ook strak en deftig.