Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 22
Zij had behagen in zulk een gesprek; meestal werd zij het met hem eens. En telkens weêr gevoelde zij voor hem de sympathie, die zij vroeger reeds gekoesterd had; telkens weêr deed hij haar aan heur vader denken, in zijn gezegden, in zijn gebaren, in zijn blik. Zij zag hem interessanter dan hij was, en haar, van natuur romanesk, gemoed vond op één oogenblik in de kalmte harer liefde voor Otto niet meer die voldoening. Als een bliksemschicht flitste deze gedachte door haar brein, slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik, en zij schrikte er voor als voor een spook. Maar het spook verdween en zij lachte weêr zacht.... Wat kon zij soms toch zonderlinge, nerveuze fantazieën hebben!
--Dus je gelooft.... begon zij weder, nog een weinig verschrikt en den draad kwijt.
Hij zag haar glimlachend aan.
--Wat? vroeg hij.
--Je gelooft, bijvoorbeeld, dat als ik met Otto trouw, dit onvermijdelijk was voorbeschikt.
Hij vatte haar zacht bij de hand.
--Beste meid, waarom zou je je eigenlijk vermoeien in die uitpluizingen. Je houdt van Erlevoort, je bent gelukkig, stel je daar tevreden meê; het geluk is een kapel: als het om je heen fladdert, moet je het niet zoeken te grijpen om het anatomisch te ontleden, daar is het te broos en te etherisch toe, dan gaat het dood.
Zij zag hem verrast aan; hij kon vaak zijn gedachte in zoo een aardigen vorm kleeden, en hij deed het zoo gewoon, zonder poëtische affectatie, alsof hij iets heel eenvoudigs zeide. Het was iets, dat in hem was, en hij wist het nauwelijks, dat hij het deed, onbewust van deze tint van artisticiteit in zijn karakter. Maar toen zij hem zoo verrast aanzag, ontstelde zij hevig. Hij was wit als een lijk geworden en had zich uit zijn stoel opgericht, met starende, verwijde oogen en twee violette doodstrekken om zijn neêrhangenden, kleinen mond....
--Mijn God, Vincent, wat heb je? riep zij eveneens oprijzend.
--Niets, ik ben wat benauwd .... toe, doe je raam open ... smeekte hij.
--Wil je niets hebben.... water? vroeg zij bevend.
--Neen, neen... lucht... smeekte hij weder.
Zij stortte op het venster toe, maar heur trillende handen vermochten het niet te openen en zij belde...
--Mijn God, mijn God! riep zij.
Vincent was flauw neêrgevallen op den Perzischen divan, en hij gleed langzaam van de kussens op den grond; alleen zijn hoofd bleef roerloos tegen den matras aanliggen. Een zweet parelde dik op zijn voorhoofd en een benauwde ademhaling rochelde op uit zijn borst.
--Mijn God! gilde Eline radeloos.
Zij snelde de deur uit en riep aan de trap:
--Betsy, Mina, Henk... Betsy! Vincent... Kom toch! Vincent! Hij sterft, geloof ik...
En zij keerde weder terug en belde hevig...
Daar hoorde zij beneden stommelen en Betsy vloog de trappen op, gevolgd door de drie meiden, door Gerard, den knecht, en Ben. Henk was uit.
--Vincent!... riep Eline haar tegen. Vincent! Hij sterft, geloof ik...
Betsy schrikte, maar zij bleef zeer kalm. Zij beval aanstonds Anna de kindermeid, met Ben weg te gaan en stuurde Gerard naar een dokter in de buurt; Reijer zou toch niet thuis zijn. Met Eline en Mina tilde zij Vincent op den divan en Grete vroeg zij om azijn.
--Gauw, haast je! beval zij kort.
Vincent was roerloos blijven liggen met gesloten oogen en de vale, violette trekken om den mond. Betsy knoopte zijn jas en vest los en deed zijn boord en das af...
--Geef ook wat Eau de Cologne, Eline... toe help me dan toch: je weet hoe onhandig ik altijd met zooiets ben!
Intusschen handelde zij toch en wreef zij Vincents slapen en polsen met zakdoeken, doorweekt met azijn of Eau de Cologne...
Zij vroeg Eline, hoe het gekomen was, en Eline vertelde het: zij hadden eenvoudig zitten praten, en toen was hij in eens opgestaan en zóo neêrgevallen... ze was zoo geschrikt...
--Zou hij dood zijn? vroeg zij trillend.
--Wel neen.... het is alleen een flauwte; hij heeft het nog eens gehad, toen je op de Horze was.
--Nog eens? vroeg Eline met open mond.
Betsy antwoordde niet, maar de deur werd zacht geopend en Otto verscheen.
--Ik hoorde van Grete... Kan ik je helpen? vroeg hij zacht.
--Neen, neen, laat maar.... neem Eline maar meê, ze is zoo geschrikt.
--Toe, laat me je helpen! smeekte Eline.
--Ach neen, straks komt de dokter, hoop ik, en dan is alles in orde. Ga maar!
Otto vroeg, of hij naar Reijer wilde loopen, maar Betsy weigerde en hij voerde Eline weg. Hij kwam van zijn bureau, en zij hadden afgesproken te gaan wandelen, maar hij bracht haar nu naar den salon en deed haar zitten. Zij was zeer geschrikt en zij begon te weenen.
--Betsy vertelde, dat hij het meer heeft gehad.... maar ik heb nooit zoo iets gezien... Ik dacht, dat hij dood zou gaan.... Tante Vere had die zelfde trekken om den mond toen zij stierf....! hijgde zij tusschen haar snikken uit.
Hij trok haar aan zijn borst en kuste haar voorhoofd.
--Kom, lieveling, bedaar nu.... ik geloof ook niet, dat het iets is... Wat ril je....
--Ik ben er zoo zenuwachtig van geworden! Ik.... ik voel me niet meer! O, Otto!
Hij klopte haar zacht op heur handje, dat hij hield omvat.
--Wees nu maar kalm.... kom.... kom....
--Zoo iets maakt me geheel van streek.... ik kan er niet tegen zoo iets te zien....
Het was, of er iets als zelfverwijt in haar ziel sloop en zij dacht na, of er een verband was tusschen haar laatste woorden tot Vincent en zijn flauwte. Maar zij herinnerde zich hun gesprek niet meer en zij liet zich moê tegen Otto's schouder neêrzinken.
--Wat een kind ben ik, hè? murmelde zij nog bevend. Maar heusch, ik kan zoo iets niet zien...: Ik herinner me: vroeger heb ik eens een hond zien overrijden, en ik huiver nog, als ik er aan denk....!
--Je bent wat overgevoelig, sprak hij.
--O ja, ik ben zoo.... ik ben zoo.... laat me, laat me zoo maar liggen! lispelde zij en vlijde zich dichter tegen hem aan.
--Lieveling! fluisterde hij.
--Mijn Otto! Mijn man! antwoordde zij smachtend. O ja, ik ben zoo overgevoelig! Wat zal je een last van me hebben.... Ik ben altijd zoo.... Die arme Vincent, hè?
--Ja, hij is niet gezond, geloof ik....
Zij bedaarde in zijn kalmte, terwijl zij lang tegen hem liggen bleef. Zij weende niet meer, maar heure oogen stonden vochtig en droevig, want zij dacht na over de bliksemende gedachte van dat ondeelbare tijdstip, dat spook, waarvoor zij geschrikt was, en zij herriep het in haar geest om het goed onder de oogen te zien.... Het mocht nooit meer terugkomen, nooit meer: het had haar zoo doen ontstellen!
III.
Na het middagmaal, inderhaast gebruikt, toen de dokter uit de buurt reeds vertrokken was, liet Betsy toch Dirk met den coupé naar dokter Reijer rijden, en zoodra deze kwam, ging zij met hem naar Vincent, dien men te bed had gelegd. Zij wist, door de eerste flauwte van Vincent alles wat zij nu te doen had, en zij had hem volgens dokter Reijers aanwijzing zeer laag met het hoofd laten liggen, door kussens onder zijn rug te schuiven. Langzamerhand kwam Vincent bij en opende hij even zijne oogen, maar hij sloot ze aanstonds en dwaalde slechts even met de hand over het dek rond. Dokter Reijer temperde het licht in de kamer en hij beval de grootste rust aan, zoowel in het vertrek als in het geheele huis.
--Het is toch niet gevaarlijk, wel dokter? vroeg Betsy beneden in den salon, waar Eline, Otto en Henk waren.
--Niet onmiddellijk, mevrouw! antwoordde Reijer, die haast had, en zijn eleganten demi-saison dichtknoopte. Maar u begrijpt, zoo tweemaal in betrekkelijk korten tijd... het prouveert niet voor meneer Vere's gestel. Hij schijnt me zeer anemiek, zeer, zeer zwak.... Rust, zooals ik u zeide, nietwaar.... Heeft u de familie Ferelijn reeds gezien. Ze zien er uitstekend uit, allemaal, de kinderen ook.... Een allerliefst vrouwtje.... Nu, adieu, ik mag zeker nog van uw equipage profiteeren. Adieu; adieu; blijft u binnen, meneer Van Raat....
Anna, de kindermeid, ging bij Vincent waken. En het bleef zeer stil in huis, terwijl Henk zijn dutje maakte en Betsy zelve, opdat er geen rumoer door Mina's onhandigheid zou ontstaan, Ben naar bed bracht. Otto en Eline waren alleen in het boudoir.
--Ben je nu weêr kalm? vroeg hij zacht, terwijl zij op een kussen aan zijn voeten ging zitten en haar hoofd tegen zijn knieën leunde.
Zij haalde diep adem en knikte van ja. Zoo, bij hem, voelde zij zich veilig en rustig, en dacht zij er niet aan zich rekenschap te geven van hare gedachten, die een weinig warden in haar brein. Vincents plotselinge ziekte; hun gesprek dat haar maar niet goed voor den geest kwam: haar medelijden voor dien neef, die haar heur vader deed herdenken.... Zij wilde nu niet aan dat alles denken, zij wilde nu slechts gelukkig zijn, bij haar Otto....
--Bij jou ben ik altijd kalm, bij jou heb ik het altijd zoo goed.
--Maar je zegt me wel eens, dat je soms zonder reden nerveus bent, en.... en melancholiek, geloof ik, ook, niet? Natuurlijk, nu ben je getroffen, nu was er wel reden voor... Maar als je nu eens zoo zenuwachtig wordt zonder reden, zal je dan ook bij me komen?
--Natuurlijk....
--Zal je dan bij me komen, en me alles vertellen, wat je maar vertellen kunt, en vertrouwen in me stellen, omdat ik van je hoû en altijd zal probeeren je weêr op te heffen uit die buien? Zal je dat? Beloof je me dat?
--Ja, natuurlijk.... Vroeger had ik niemand dan Henk, bij wien ik dan wel eens mijn troost zocht, maar ik geloof niet dat hij me begreep, hoewel hij altijd heel vriendelijk was.... Maar nu heb ik jou.... Zeg, Otto, geloof je ook niet, dat je maar eens in je leven heusch van iemand houdt? Zie je, heusch houden, niet maar zoo eens verliefd zijn, voor een oogenblik.... Dat heb je wel eens meer, geloof ik.... Jij niet?
--Nu niet! antwoordde hij glimlachend.
--Dan ben je het ook met me eens.... Van mij hou je, op mij ben je nu niet zoo een beetje verliefd, omdat ik er aardig uitzie.... In het eerst begreep ik nooit waarom je van me hieldt, maar nu wel: het is omdat, omdat.... ach ik weet het niet, ik kan het niet zeggen.... en toch voel ik het zoo goed: ik ben nu alles voor je, niet? Maar toen je mij van den winter dien waaier gaf, dien waaier van Bucchi.... hoe hieldt je toen van me, zeg!
Hij liet haar zachtjes voortkeuvelen, aan zijne voeten en hij antwoordde met een kus op heur haar. Zij wist het, dat zij het hem kon beloven: vertrouwen, volslagen vertrouwen; hij zou haar begrijpen en hij zou haar weêr gelukkig maken, ieder oogenblik, dat zij het niet zoude zijn. Maar eindelijk, na het gekeuvel, was zij moê, zoo moê van haar schrik, van al die emoties, en zij sprak niet meer en neuriede slechts een weinig, tot zij in de avondschemering, die tusschen de zware gordijnen viel, insliep, steeds met het hoofd op zijn knie. Hij verroerde zich niet, maar bleef onbeweeglijk op haar staren en voor het eerst sedert hij haar liefhad, rees iets als een twijfel in hem op, of alles wel worden zou, zooals hij het zich voorstelde. Een droeve weemoed straalde uit zijn blik die onafgewend op haar rusten bleef en hij gevoelde nu, dat, hoe gelukkig men was, het geluk altijd vermengd werd met een droppel alsem, al vloeide die ook slechts uit eigen overpeinzingen en eigen vertwijfelingen er in.
Hoofdstuk XXI.
I.
Georges De Woude van Bergh studeerde druk voor zijn examen voor vice-consul, en Emilie was, op een goeden dag, naar de Verstraetens getogen en had een lang gesprek gehad met meneer en mevrouw, terwijl Lili, zeer zenuwachtig en ongelukkig, door Marie en Frédérique was getroost geworden. Emilie had zich schertsend verontschuldigd over het weinig ceremoniëele van haar bezoek, maar, waarlijk, haar oude vader was ziekelijk en ging nooit uit en zij nam hem alles uit handen, tot zelfs een verzoek om acces voor zijn zoon. O, zij was het nog volstrekt niet met Georges eens, dat men leven kon zonder geld, en zij begreep zeer goed, dat meneer en mevrouw Verstraeten ook nogal bezwaar in zoo een levensopvatting zagen, maar enfin, de jongen had toch een toekomst, nietwaar, en de kinderen schenen nu hunne zinnen zóo op die dwaasheid gezet te hebben, dat men er die toch niet uit zou praten. Het kwam er nu maar hier op aan: hadden meneer en mevrouw iets tegen zijn persoon, of wilden zij de kinderen toestaan van elkander te houden en te wachten, tot zij samen de wereld konden ingaan, zonder al te groote waarschijnlijkheid, dat zij van honger zouden omkomen? Zouden meneer en mevrouw zich op een gegeven oogenblik van Lili kunnen scheiden? En was het antwoord gunstig en geen bepaald refus, hoe zouden zij dan de zaak willen opvatten? Een bepaald engagement, of alleen een... enfin, een verbinding des harten zonder meer? Het was zeker niet goed van de kinderen, dat ze zich een weinig geafficheerd hadden, en dat de heele stad er van wist, maar het waren twee onbezonnen schapen en ze zouden mettertijd wel voorzichtiger worden. De vraag was nu maar.... en Emilie precizeerde haar vragen nogmaals op haar vrijmoedige, levendige, joviale manier, slechts inwendig een weinig ongerust over het antwoord, dat komen zou.
En mevrouw Verstraeten zuchtte en schudde bedenkelijk het hoofd, maar meneer had tot Emilie's blijdschap niet al te veel onoverkomelijke bezwaren. Maar bezwaren; hij had ze... Lili was nog zoo jong, nog zoo een echt kind; was het niet beter, dat ze zich nog niet bond en liever eens rond bleef kijken, of de ware Jacob niet ergens anders school? Hij mocht De Woude heel gaarne: hij had ook wel gemerkt, dat er een degelijk fond in den jongen zat, maar toch: waren zijne optimistische, financiëele overwegingen niet al te veel gebazeerd op zijne verliefdheid? Had hij niet inderdaad meer behoeften, dan hij nu, wellicht in zelfverblinding en dweperij, voorgaf? Hij was toch gewend aan zekere luxe, aan uitgaan. Emilie hoorde schijnbaar oplettend toe, innerlijk ten volle overtuigd van al die bezwaren, die zijzelve eens geopperd had, maar nu, nu had zij zich tot de dwaasheid van dit bezoek laten verleiden, en nu wilde zij ook haar jongen niet afvallen; nu wilde zij het laten voorkomen, of al die bezwaren alleen bij den heer Verstraeten bestonden en bij niemand anders, en nu zou zij trachten ze te weêrleggen. Zoo ging het: als men eens iets dols deed, verviel men van de eene dwaasheid in de andere, en zij zou nu moeten redeneeren tegen haar eigen gevoelen in. Het was een moeilijke taak, al kon zij nog zoo goed praten, en het was misschien tot het ongeluk van haar Georges, dat zij zoo pleitte, maar ach, de jongen was zoo verliefd, en misschien had hij het toch wel aan het rechte eind! Zij was ook niet een orakel, en er waren wel meer huishoudentjes, die het krap hadden, kleine ambtenaartjes, eerste luitenants... Neen, neen, au fond vond ze zich toch bespottelijk, maar er was niets, niets meer aan te doen!
En terwijl ze pleitte voor Georges, was zij innerlijk woedend, dat hij haar zóo ver gebracht had. Kon zij dien jongen dan niets weigeren, en moest zijzelven medewerken tot zijn verderf?
Maar zij hield woord, zij viel hem niet af, en zij pleitte zoo goed, dat mevrouw Lili ging halen, die zeer weende en Emilie herhaaldelijk kuste. Van een engagement zou echter nog geen sprake zijn; mevrouw hield niets van zoo'n armelui's-engagement, dat wel jaren duren kon, en Emilie praatte Lili voor, dat de verbintenis des harten, gesanctioneerd door haar ouders, reeds heel veel beteekende in de gegeven omstandigheden. Het was toch ook beter zóo, nietwaar; bevielen zij elkander niet bij nadere kennismaking, dan werd er nog niets verbroken dan een platonische band, en bevielen zij elkander meer en meer, welnu, dan des te beter. Kom, zij moest het maar niet al te donker inzien, er was werkelijk nogal een beduidende overwinning behaald op die ompantserde ouderharten en... wat wilden ze dan toch eigenlijk meer? Zoo maar ineens trouwen zeker, hè... morgen receptie, over een paar dagen naar stadhuis en kerk en dan op een zolderkamertje onder de hanebalken! Zeker, dat zou charmant zijn!
Lili lachte door haar tranen heen en zij kuste hare ouders; zij zou alles goed vinden, zooals papa en mama het wenschten.
II.
Dien middag werd Georges ten eten gevraagd, en men had daarna een heerlijke Septemberavond in den tuin. Het was laat, toen Georges wegging; laat, toen Marie en Lili samen heure slaapkamer opzochten en zich ontkleedden.... Marie luisterde vriendelijk en geduldig naar Lili's gesnap over honderden plannen voor de toekomst: zij zou het heerlijk vinden te reizen en Georges' betrekking bracht natuurlijk meê, dat zij dit later veel zouden doen; dit zou zij zich niet uit het hoofd laten praten, al beweerde hij ook, dat zij zich niet al te veel illuzies maken moest. Behagelijk strekte zij zich tusschen de koele lakens uit, glimlachend tegen de rozige vizioenen harer fantazie, de armen boven heur hoofd gebogen, dat in het verwarde lichtblond heurer haren lag.
Ook Marie vlijde zich ter ruste, en het was een oogenblik stil in het donkere vertrek, toen er zachtjes aan de deur geklopt werd, die dadelijk openging.... De meisjes schrikten even....
--Cht! Stil! Het is niets... Ik ben het! fluisterde een onderdrukte stem en zij zagen een kleine, gebogen gestalte, in nachtjak en nachtmuts, met een kandelaar binnentreden... Cht! Het is niets! Ik wou alleen maar eens even komen babbelen...
Het was oude Dien, het familiestuk der Verstraetens, de goedige meid, die altijd zoo handig hielp met comediespelen en tableaux-vivants. Zij kwam op haar kousen aan, terwijl het licht van den blaker op haar verschrompeld gelaat onder de witte muts een gelen gloed wierp.
--Maar Dien! Je laat me schrikken! Je lijkt wel een schim! riep Marie.
--Cht! Stil! Iedereen is al naar bed, maar ik dacht, dat je toch nog wel niet zou slapen... Ik kom eens even babbelen.... mag ik?
--Zeker Dien! Je mag, hoor! sprak Lili opgewekt. Wat heb je te vertellen...?
Dien zette zich op den rand van Lili's bed.
--Je begrijpt, oude Dien is niet zoo oud, of ze merkt wel wat, als er iets aan de hand is... En zie, als ze dat zoo merkt, dan kan ze dat niet voor zich houden, dan moet het er uit. Jou kleine ondeugd!
Zij dreigde Lili met den wijsvinger.
--Wat Dien? vroeg Lili.
--Kom, liefje, hou je nou maar niet zoo onnoozel! Denk je, dat ik niet weet waarom je vanmiddag gedaan hebt, of je huilde en waarom freule Emilie zoo lang in de serre heeft gezeten... Zie je, toen dacht ik al zoo iets! vervolgde zij met een knipoogje van haar ingevallen oog; en ik prakkezeerde bij mijn eigen, en jawel... om halfzes, daar komt hij aanzetten en hij bleef lekkertjes eten, hoor!
--Ach wat, Dien. Wat kakel je toch? verweerde Lili zich.
--Neen, neen, Dien kakelt niet. Dien weet heel goed, wat ze weet... Nou hoor, je weet ook wel wat je doet.
--Wat dan?
--Wel kind, je hebt groot gelijk. Het is wat een bestendige jongen. Zoo een lief zacht gezichtje, met zoo een blond snorretje. Het is net een mannetje voor je! Jij bent ook nog al fijntjes; ze zijn net een spannetje, nietwaar, juffrouw Marie?
--Geknipt voor elkaâr! gaapte Marie van uit haar lakens.
--Dus hij bevalt je? vroeg Lili.
--Keurig! antwoordde Dien. En hij is altijd zoo vriendelijk tegen mij en tegen Bet; hij kan het altijd zoo aardig zeggen, als ik hem opendoe: "Zoo, dag Dien, hoe maak je het?" Altijd zoo een woordje er bij, begrijp je. Zoo niets trotsch. En dan vergeet hij nooit zijn voetjes af te vegen.
Lili schaterde het uit.
--Jij bent toch niet boos, dat ik dat zeg? vroeg Dien.
--Wel neen, Dien, ik ben heel blij, dat hij in je gratie is.
--Slapen doe je toch niet in het eerste uur, wel? Zie je, overdag heb ik het altijd te druk om me goed lucht te geven: dit is nu net een uurtje om vertrouwelijk te zijn. En Dien mag je toch wel eens een raad geven, hè? Zie je, ik ben ook getrouwd geweest, en het is niet alles kind, het is niet alles. Ja, in het begin denk je, dat het heel aardig is huisje te spelen, maar later dan komen de kleintjes, en dan komen de zorgen. Ik heb er drie gehad; kinderen, zie je, en het is wat een moeite ze groot te brengen. En je weet, ik heb niet veel pleizier van ze beleefd. Een is er gestorven, een jongen, toen hij veertien jaren was, en mijn andere heeft niet al te best opgepast, ja gerust, dat heeft hij; hij is toen als zooveel als koloniaal gegaan. Alleen mijn meisje, daar heb ik pleizier van: je weet ze is in Rotterdam, getrouwd met een kleêrmaker?
--Ja, Dien...
--En zeg eens, wanneer denk jij nou te trouwen met je mannetje?
--Ach, Dien, waarlijk ik weet het nog niet... we trouwen nog in lang niet, en je moet er niet over kakelen, hoor!
--Neen, maar daar zal ik wel voor oppassen. Trouwens je begrijpt, Bet merkt ook wel wat... Zou er een jaartje overheen moeten?
--O, minstens, maar kom Dien, ga nu naar bed.
--Ja liefje, maar zie je, als er kindertjes komen, van die kleine blondjes,--jullie zijn allebei zoo blondjes--dan ga ik van je ma weg en dan kom ik bij jou, vindt je dat goed?
--Als kindermeid? Dank je, daar zal je dan veel te oud toe zijn!
--Nou hoor! Ik zou ze nog goed ploeteren en wasschen...
--Dien, ik vind, dat je onvoegzame dingen zegt! riep Marie, Foei!
--Nou, wat is daar nu voor onvoegzaams aan? Maar kom, ik ga, het is al halfeen, warempel... En hoor, juffrouw Marie, nou moet jij ook aan de beurt komen... die kleine meid is jou nou al voor, nou niet blijven zitten, hoor! Zal je er voor zorgen?
--Zeker Dien! Ik zal mijn best doen! sprak Marie.
--Droom er dan maar lekkertjes van... en jij ook liefje, droom maar van hem. En zeg hem, dat Dien hem een lieven jongen vindt, met zijn klein snorretje... Zal je het doen? Zal je het doen, ondeugd...?
Zij pakte Lili, die weêr schaterde, schertsend bij den schouder.
--Ja, ja, Dien, ik zal het doen. Maar je hoeft me niet zoo te schudden, ai!... Nacht Dien!
--Nou, nacht dan, schatjes!... Cht, kind, lach toch zoo niet... De oude lui zullen wakker worden... Cht! Cht! Ik ga... stil!
Dien ging, geelachtig wit in den gloed van den blaker met een laatst knipoogje, vol geheimzinnige vroolijkheid, onhoorbaar sluipend op haar kousen...
--Die gekke Dien! lispelde Lili, nog lachend en half reeds in slaap.
De kamer was weder donker geworden en stil, zeer stil, en Marie lag recht met het hoofd op haar kussen, de oogen open omhoog naar de zwarte zoldering gericht...
Hoofdstuk XXII.
I.
Vincent bleef zeer zwak en dokter Reijer had hem uitdrukkelijk verklaard, dat hij in de eerste weken niet mocht uitgaan, daar de minste aanleiding hem weder flauw zou kunnen doen vallen. Vincent schikte zich zeer lijdzaam in dit voorschrift en Reijer prees hem en beweerde, dat als meneer Vere niet in den laatsten tijd zoo verstandig geworden was, hij reeds lang niet meer tot de levenden zou behoord hebben. Hij prees Vincent, dat deze zich steeds menageerde, weinig dronk, niet rookte en ten laatste rust vond, want Vincent had hem gesproken over zijn, anders onverzadelijken, lust naar verandering, die hem als een passie overmeesterde; terwijl hij nu in een goede verzorging zich, als in een aangename warmte, behagelijk koesterde. Alleen over zijn gebrek aan eetlust schudde Reijer bedenkelijk het hoofd.