Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 21

Chapter 214,009 wordsPublic domain

Enkele dikke druppels vielen neêr. De honden op het gazon rekten zich een voor een uit en kwamen lui en langzaam binnen, zeker van dichtbij een goed thuis te zullen vinden. Mevrouw Van Erlevoort bleef onrustig in de verandah rondloopen, en ook Cathérine en Mathilde klopte het hart en zij bedaarden slechts een weinig, toen de tentwagen met Klaas wegratelde, naar den Witten Kuil toe.

Het bliksemde, als een plotselinge flikkerende glans, die de vaag-grauwe schemering even doorschoot, en de donder barstte uit en rolde met een dof gerommel weg. Het ruischte in het loover en de regen stroomde neêr als een klaterende val van water. Uit de biljartzaal kwamen Eline en Frédérique met Théodore, Otto, Etienne en Cor en zij bleven allen, bekommerd over de kinderen, in de breede verandah, hoewel het er een weinig inregende, tusschen de gepleisterde en omwingerde zuilen. Een vochtige lucht, een geur van natte bladeren woei uit het geboomte over en de groenigblauwe tinten van den vijver verdonkerden zich tot somber violet, waarop de regen onophoudelijk neêrkrinkelde. Het bliksemde telkens en de donder rolde zwaarder en zwaarder.

--Ik zou hier toch niet blijven! riep Cathérine angstig uit. Laten we toch naar binnen gaan. My poor Kitty!

Truus was teruggekomen, radeloos, nu het weêr erger en erger werd, en zij overstelpte zichzelve met verwijtingen, daar zij de kinderen veroorloofd had uit te gaan; daarop voer zij los tegen Cathérine en Mathilde, die, hoewel onrustig, haar niets ten laste legden; daarop tegen haar man, tegen haar moeder, ten laatste tegen Etienne die er met parapluies op uit wilde. De jongen was gek! Waarom hadden zij haar ook niet gewaarschuwd, alles kwam op haar neêr, zonder haar marcheerde er niets in huis en zij stond voor alles alleen! Niemand hielp haar ook; en plotseling keerde zij zich tot Eline.

--Maar Eline, blijf daar toch niet tusschen die pilaren. Je wordt kletsnat en het is gevaarlijk met dat licht. Er is immers niets aan te doen; laten we toch naar binnen gaan. Als ze maar geen ongeluk gekregen hebben! Ik word dol als ik er aan denk! Waarom heb je mij dan toch niet gewaarschuwd, Mathilde? Het is ook altijd zoo: alles draait om mij, je hebt van niemand eenige hulp!

Zij dreef ze woedend van onrust, allen naar binnen met uitgespreide armen, brommende op haar man, dien zij niet aanhoorde, en op de drie juffrouwen, die haar vragen deden. Ook de "jongens": Howard, Otto, Etienne en Cor, dreef zij de deuren in; zij was al angstig genoeg over wie daar buiten waren, en het hielp niets of zij uitkeken.... als ze soms dachten, dat de kinderen er eerder om zouden komen! Intusschen liep zijzelve zenuwachtig van binnen naar buiten, terwijl de regen steeds stroomend plaste op den vijver en over het mozaïek der verandah en het weêrlicht zijn korten glans uitwierp en de donder dof, als op kolossale raderen, wegrommelde.

Binnen waren zij gaan zitten, onrustig en stilzwijgend, vol verwachting. En het was een algemeene verruiming toen de oude tentwagen aanrammelde, met overal dichtgeknoopte zeilen, waartusschen men handjes en glurende hoofdjes bespeurde. De wagen reed de Horze om en hield stil voor de overdekte achterpoort. Allen stormden naar achteren, om de geredden te ontvangen.

Klaas ontknoopte de zeilen en zij kwamen een voor een te voorschijn. Marianne en Henriette het eerst, die, met Willy en Gustaaf, de Van Rijsseltjes en Memée hielpen uitklimmen, terwijl Cathérine naar Kitty vloog, die huilde. Zij kwamen druipnat te voorschijn, met bemodderde schoenen en handen, vuil van het natte zand van den Witten Kuil, terwijl het onophoudelijk druppelde van de verslapte randen hunner strooien hoeden. Er was in het eerste oogenblik, dat zij naar binnen geleid werden, geen orde onder te houden, want zij renden juichend door de vestibule en de groote eetkamer, alles bevochtigend en bemodderend, en bassend nagevlogen door de drie, honden.

Marianne en Jet schaterden van het lachen, om Willy, die een schoen in den Witten Kuil had achtergelaten, en Tina, Johan en Lientje vertelden schreeuwend, tegelijk, aan Mathilde, hoe Nico bijna was achtergelaten door Klaas, omdat hij nog naar zijn schop had willen zoeken, die in het zand was verloren geraakt. Maar zoo zou het niet lang duren, want Truus was meesteres in haar huis en zij verhief haar stem, en klopte bevelend op de tafel, en er begon eenige orde en stilte te ontstaan, terwijl de kinderen beknord en naar boven gebracht werden. Juffrouw Frantzen, de juffrouw van Truus en de Engelsche bonne liepen zenuwachtig in de kleedkamers, in de kasten zoekende naar schoone kousen en flanelletjes, en Truus bracht eenige ruwe handdoeken aan, om de kinderen droog te wrijven. Zij werden ontkleed, allen tegelijk, en niemand had meer ooren en oogen voor het onweêr daarbuiten; ieder beijverde zich om te helpen, Marianne en Henriette verdwenen in haar kamer en sloten de deur, daar alles maar in en uitliep, papa en de ooms niet uitgezonderd. Ook Willy en Gustaaf werden door Truus gedreven zichzelven te helpen, en zij gooide hun handdoeken toe en schoone onderkleêren en vermaande hen zich hard en goed af te wrijven, hun rug, hun borst, hun voeten; zij zou wel andere schoenen halen.

In een andere kamer hoorde men Kitty nog flink huilen te midden der Engelsche frazen van Cathérine en haar bonne. Maar den meesten last gaven de Van Rijsseltjes aan mevrouw Van Erlevoort, Mathilde en Frédérique; juffrouw Frantzen verschoonde namelijk Memée, omdat de bonne van Truus maar geen schoone kousen vinden kon voor Jet, die met haar bloote beenen telkens in de deur verscheen, scheldend op dat akelige mensch, dat haar zoo nakend liet rondpatrouilleeren.

--Tina, kleed je dan toch uit! riep Mathilde verstoord, bezig met Johan, terwijl haar mama Nico en Frédérique Lientje hielp, maar Tina bleef zeurend op haar stoel zitten en wilde geholpen worden, toen Eline eensklaps binnenkwam. Zij had alles voor Tina bijeen gezocht, kousjes, schoentjes, een hemdje, een rokje, een frisch japonnetje, en zij vloog naar heur lieveling toe.

--Foei, Tina, zoo te mopperen, als mama het druk heeft! Mag Eline je helpen?

Tina knikte neerbuigend, dat het goed was, als een pruilend prinsesje. Eline zette zich op den grond, ontknoopte hare smerige laarsjes en stroopte hare doornatte kousjes af.

--Maar schatje, hoe heb je toch zoolang zóó kunnen blijven! riep zij ontsteld, en zij wreef de kille, witte voetjes en de slanke beentjes van het kind met een harden handdoek, tot zij warm en rozig werden en Tina reeds lachend er mede in Eline's schoot woelde. Eline kreeg haar zoo ver dat zij onder de afwrijving zelve haar blouse en haar ceintuur losmaakte.

--Kleed je nu van boven zoo een beetje uit, dan zal ik straks je haren borstelen en kammen. Vindt je dat niet heerlijk?

--Zal je mij dan kappen? Zoo hoog als jij het draagt?

--Maar, kleine dot! Ben je dwaas? Je krijgt een vlecht hoor, net als anders.

--Neen toe, Eline, toe, kap me nu mooi, als een dame!

--Goed, goed, maar doe dan wat ik je zeg, kleed je dan uit! Gauw, Tina!

Daar vloog Tina's blouse over Eline's hoofd op den grond, en Eline, die haar reeds geschoeid had, deed haar op een stoel staan en hielp haar verder, terwijl Tina ratelde over den Witten Kuil, en hoe zij zoo bang was geweest voor het licht. Eline wreef haar geheele koude, blanke lijfje, tot het reeds huiverende kind gloeide, rozig en warm, terwijl zij als een pop met zich liet dollen. Zij hief haar armpjes op en sloeg ze Eline om den hals, alsof zij ze wurgen wilde, en Eline lachte.

--Het is of je je heele leven met kinderen hebt omgegaan, Eline! riep Mathilde vriendelijk en dankbaar, nog bezig met Johan, en mevrouw Van Erlevoort en Frédérique zagen glimlachend om. Jet had eindelijk hare kousen gekregen en zat ze nu midden in het vertrek nog brommende aan te trekken, terwijl Willy en Gustaaf haar plaagden. De geheele kamer was een chaos van natte kousen en schoenen, en slingerend ondergoed en neêrgesmeten handdoeken.

Eline lachte tevreden en zij kleedde, trotsch op haar handigheid, Tina vlug aan.

--Kijk eens, hoe grappig ze er uitziet in haar borstrokje! Wacht, ik zal je kietelen, hoor.... Hier, allons! je beenen in je broekspijpen. Lastige meid, je staat geen oogenblik stil... En handjes thuis, s'il te plait, je maakt al mijn haar in de war. Kom, knoop zelf je jersey dicht, hoor! Denk je, dat ik alles voor je doe! Nu, waar is de borstel...? Wacht, ik zal ook even een kam halen!

--En mijn rood lint! riep Tina van haar stoel.

Eline ging en kwam en tusschenbeide hielp zij nog even Marianne, om een grooten strik in haar ceintuur te maken. Maar Tina werd ongeduldig, en riep jaloersch:

--Eline, hè Eline!

--Ja, ja, dadelijk! antwoordde Eline en zij vloog naar Tina en kapte haar even uit gekheid met een hoog kapsel, dat iedereen schateren deed, hoewel Tina het beeldig vond. Daarna vlocht zij het zware, bruine haar samen en kamde haar pony uit.

--Zoo, zoo ben je veel liever, hoor!

--Komt kinderen, wie klaar is, gaat naar beneden! kwam Truus, eenigszins bedaard, aan de deur commandeeren; en Jet rende woedend de twee plagende jongens achterna, de trappen af...

--Die Eline met Tina! fluisterde de oude mevrouw later, tot Truus. Je had het moeten zien. Het was net een plaatje. Ik ben toch blij, dat alles zoo goed is afgeloopen.

VII.

Men ging op de Horze steeds vroeg naar bed; om half-elf was alles stil. Eline had een uur in Frédérique's kamer zitten keuvelen, en zij had zich gelukkig gevoeld in Frédérique's steeds toenemende sympathie. Op den rand van het bed had zij gezeten terwijl Freddy er reeds in lag en zij hadden elkaâr allerlei vertrouwelijke mededeelingen gedaan, over honderden onderwerpen. Soms hadden zij zeer gelachen, maar haar lach ingehouden, want het was alles stil in huis, doodstil. Ten laatste was Eline zachtjes, op de tippen harer teenen, weggeslopen en zij bevond zich nu alleen in haar eigen vertrekje. Zij ontstak haar kaars en ontkleedde zich langzaam, met een onbewusten en gelukkigen glimlach op de lippen. Een oogenblik bleef zij peinzend zitten, met haar loshangende haren en hare bloote armen en hals en steeds met haren glimlach. Zij verlangde niets, niets meer, zij had alles wat zij wenschte...

En zij ontsloot haar venster en zag naar buiten. Het regende niet meer, maar een geur van vochtig loover steeg op. De hemel was klaar, als schoongewischt van de sombere, loodkleurige massa's; een schitterende maansikkel dreef de enkele ijle wolknevels door. De velden lagen zwijgend en ver uit elkander gespreid; een enkel molentje verhief zijn zwarte wieken roerloos in de tinteling van den bleeken glans. De slooten schitterden als strepen metaal. En een geurige frischheid hief zich uit de sluimering van het landschap op als een zachte adem. Eline leunde aan het venster en zij vouwde haar armen over haar blooten hals. Het was haar, of die geurige frischheid, die zachte adem ook al haar gedachten verfrischt en doorgeurd had als met een geur van veldbloemen, die den ongezonden muffen reuk van haar vroegere denkbeelden, als een ontzenuwend parfum van musc en opoponax, verdreven had. Zij gevoelde zich zoo innig jong, zooals zij vroeger nooit geweest was, en o--dat wist zij nu zeker--nooit had zij liefgehad als zij thans deed, nooit, nooit! Haar Otto! Wanneer zij hem zich nu dacht, gevoelde zij geen behoefte zich een geïdealizeerd beeld voor den geest te roepen; zij dacht hem zich zooals hij was, zoo mannelijk en flink in zijn hartelijken eenvoud, en met éen gedachte, die geheel zijn geestelijk leven beheerschte, de gedachte aan haar. Zijne liefde was zoo rijk, zoo vol, zijn liefde vulde alles in hem. En de hare vermeerderde iederen dag, meende zij... neen, kon niet meer vermeerderen, kon het niet meer! Geen wensch meer, geen overpeinzingen meer over haar toekomst; vanzelve zou zich die ontrollen, een verschiet van glans en goud! Niets dan de stilte van dat meer, waarin heure ziel gegleden was, niets dan de rust en de liefde van die blauwe extaze vol zaligheid! Alleen dat, niets anders, niets meer! Zij wist niet wat nog meer te wenschen zou zijn door een menschelijke gedachte...

Maar alleen: éen schemerend streepje door de klaarte van al dat blauw! Alleen de vrees.... de vrees, dat het ooit anders zou worden! Zij had in zoo lang niet meer gebeden; zij wist niet meer, hoe zij het zoude doen, murmelend of slechts denkend... ach, zij wist zelve niet meer, of zij aan God geloofde, zij wist dat niet meer... maar nu, nu had zij gaarne willen bidden, willen bidden, dat het zoo zou blijven, nooit veranderen, altijd dat zachte geluk, altijd die rust, dat blauw!

--Nooit, nooit meer als vroeger, God... altijd zoo, altijd zooals nu! Veranderde het, ik zou sterven! fluisterde zij onhoorbaar en terwijl zij haar handen vouwde, trilde een traan aan heure pinkers... Maar het was een traan van geluk, want in haar geluk verdronk die vrees als een druppel in de zee.

Hoofdstuk XX.

I.

In den Haag ging Augustus gloeiend voorbij, maar de avonden waren koel op het Terras te Scheveningen of in de Tent van het Bosch. Het was nu Zondagavond, en Betsy bleef thuis: de oude mevrouw Van Raat was in zoo lang niet bij haar geweest en zij had hare schoonmoeder gevraagd eens te komen; Zondags was het toch niet prettig op Scheveningen. Men zou thee drinken in de groene serre, waarvan al de glazen deuren geopend waren. Henk liep met mevrouw even den tuin door, en de oude dame bewonderde zijn prachtige stamrozen. Betsy en Vincent zaten alleen.

--Ik heb een brief van Eline; ze komt Woensdag met de Erlevoorts terug; de Howards blijven nog wat op de Horze, sprak zij.

--Zoo? antwoordde Vincent. En als Eline komt moet ik zeker weg? vroeg hij op den man af.

Betsy schrikte en zij glimlachte zeer lief.

--Verbeeld je. Volstrekt niet. Je weet, ons huis staat voor je open, tot je iets gevonden hebt. Hoor je niets meer van... hoe heet die vriend uit New-York ook weêr?

--Lawrence St. Clare. Neen, ik heb in langen tijd geen tijding van hem; ach, je vergeet je vrienden als ze zoover zijn. Ik neem het hem niets kwalijk.

Hij leunde achterover in zijn rotting leunigstoel, met iets van een slachtoffer. Intusschen gevoelde hij zich zeer behagelijk, aangenaam gestreeld door de luxe, die in de serre, tusschen het groen der planten, in het weifelende halflicht schemerde. De tuin was keurig onderhouden, rijk aan bloemen, met een gazon. En in de omgeving, in de tegenwoordigheid van Betsy, zeer elegant in haar licht zomertoilet, bij het zachte geschitter van zilver en Japansch porselein op het theeblad gevoelde hij zich veilig voor de onaangenaamheden des levens. Het was rust, het was eentonigheid, maar zij verkwikten hem... Betsy wist hij te kunnen beheerschen, maar het was niet noodig zijn macht te doen gelden; ook was hij er te traag toe. Hij leefde immers gemakkelijk, hij had zich om niets te bekommeren.

--Wat zou je er van zeggen, als ik een vrouw zocht? vroeg hij eensklaps, bij Betsy's aanblik denkend aan de genietingen van een rijk huwelijk.

--Een vrouw? O, uitstekend! Wil ik er een voor je zoeken? In welk genre?

--Mooi is geen vereischte, maar elegant.... Niet al te naïef en idealistisch!... En geld natuurlijk ...

--Natuurlijk. Een dwaasheid uit passie verwacht ik niet van je... Wat zeg je van de Eekhofjes?

--Ben je dwaas! Twee gichelende lachebekken! En geen geld, hè?

--Men zegt van wel. Anderen beweren, dat ze te groot leven. Enfin je zou kunnen informeeren. Maar sprak je in ernst, Vincent, of voor de conversatie?

--Volstrekt niet. Ik geloof, dat ik verstandig deed, als ik trouwde. Keur je mijn plan niet goed?

Betsy zag hem doordringend aan, vol geheime minachting. Met zijn doffe oogen, zijn matte gebaren, zijn moede stem scheen hij haar geen ideaal van een echtgenoot voor een jong meisje.

--Niet geheel en al. Ik geloof, dat je een gloeiende egoïst bent. Ik geloof ook niet, dat een vrouw veel steun aan je zou hebben. Je bent zwak... ik meen natuurlijk moreel...

Zij gevoelde aanstonds berouw over hare woorden, en zij was geërgerd over haar onvoorzichtigheid. Zij huiverde bijna, nu hij haar met zijn geheimzinnigen glimlach aanzag, met zijn zachten, fletsen slangenblik.

--En een vrouw heeft altijd steun noodig, hé? sprak hij, syllabe voor syllabe. Jij ook, nietwaar, je steunt op Henk, je laat je heel en al op hem neer, en hij is er sterk genoeg voor... ik meen natuurlijk fyziek...

Ieder woord onderschrapte hij als met een hatelijke bedoeling en ieder woord trof haar als een naald in haar, van natuur heerschzuchtig gemoed, maar zij durfde hem niet antwoorden, zij verzonk weg in vrees en lachte slechts goedig, alsof hij een aardigheid gezegd had. En ook hij lachte nu met haar zelfden lach, goedig en zacht, maar vol bedekte wraakzucht.

Zij bleven een oogenblik stil, beiden bewust van den strijd onder die uiterlijke vriendelijkheid, en Betsy wist het eerst te zullen moeten toenaderen en begon zacht eenige klachten te uiten over de oude mevrouw Van Raat, die haar altijd verkeerd begreep, en waarmede zij maar nooit zou leeren overweg te kunnen. En terwijl hij onverschillig toeluisterde, zag zij duidelijk in, hoe zij hem verafschuwde, hoe zij hem nu gaarne, na een maand met hem samen geleefd te hebben, het huis zou uitjagen, maar zij wist het: dat zou niet gaan zonder een geweldige scène; hij zou blijven hangen, blijven hangen tot in der eeuwigheid toe, en zij zou geen middel weten om hem te verwijderen. Alles was de schuld van Henk; had heur man Vincent dat ellendige sommetje geld gegeven, zij zou nooit op het idée zijn gekomen hem in huis te nemen. Zij verafschuwde Vincent en zij verafschuwde zichzelve om haar vrees; zij was immers rijk en gelukkig; wat zou hij haar kunnen doen? Maar hoe meer zij redeneerde over dien angst, hoe meer die angst zich vastklemde in haar geest, als een ontzenuwende idiosyncrasie, waarvan zij zich niet wist te bevrijden.

Mevrouw Van Raat en Henk kwamen langzaam uit den tuin terug en zij zetten zich in de serre, bij een der open glazen deuren. Maar de oude vrouw was, na een paar frazen over de rozen, stil en peinzend: te midden der weelde van het huis haars zoons overviel haar nu een kilte, een leêgte, die haar melancholiek maakte, nog meer melancholiek dan in haar eigen eenzaam huis. Vroeger had zij dat gevoel toch niet bij haar Henk gekend maar nu was het, of de liefde voor haar zoon geen gloed genoeg gaf om die kille leêgte te verwarmen. En op eens trof haar de waarheid: zij miste Eline, Eline, die overal waar zij zich vertoonde haar liefelijke bekoring uitstraalde, zij miste haar goed kind, zoo geheel anders dan Betsy, zoo hartelijk en sympathiek. En zij kon zich niet weêrhouden met haar treurige stem te zeggen:

--Je huis is uitgestorven zonder Elly. Wat zal het zijn, als ze getrouwd is en voor altijd weg. Die lieve Elly.

Zij hoorde niet wat Betsy en Vincent antwoordden, zij hoorde niet, hoe Henk ook iets zeide, zij liet haar grijze hoofd neêrzinken op de borst en zij staarde voor zich uit, de geaderde handen gevouwen in den schoot. Het leven scheen haar troosteloos, een grijs bestaan van smart, van scheiden en weenen, waardoor de menschen als tragische schimmen somber en droef ronddwaalden.

En zij huiverde, tot Betsy vroeg, of zij het koud vond, en Henk de glazen deuren dichtsloot en het gas liet ontsteken.

II.

Betsy, al had zij het nooit gezegd, had als haar schoonmoeder, het eveneens, trots Vincent, die "zoo gezellig kon wezen", eenzaam en vervelend in huis gevonden. Men had 's zomers ook zoo weinig afwisseling: het was eeuwig de Tent en eeuwig Scheveningen, het begon haar eindelijk de keel uit te hangen! En nu Eline terug was, stralende in haar frisch geluk, dat een geur van landelijkheid door Betsy's peluche salons verspreidde, nu Eline opgewekt duizend verhalen deed over de Horze, over Théodore en Truus en de kinderen, over de Howards en de Van Rijsseltjes, zag Betsy in, dat mevrouw Van Raat gelijk had gehad, dat Eline de bekoring van haar huis was. Zelve blikte Betsy nu eenigszins angstig het tijdstip, waarop Eline haar verlaten zou, te gemoet en deze angst maakte haar bijna zacht van humeur. Otto, dien zij vroeger te strak en te gepozeerd had gevonden, beviel haar uitstekend, nu dat zij hem vaak zag, want zij had er op aangedrongen, dat hij dikwijls zou komen dineeren.

De gesprekken aan tafel werden weder levendig en vroolijk, geheel anders dan de slepende conversaties tusschen haar, haar man en Vincent. Zij was vriendelijk tegen Eline, uit dankbaarheid, dat deze weder de oude gezelligheid deed heersenen, en zij hadden eindelooze beraadslagingen over Eline's uitzet, waarmede zij nu toch moest voortmaken, als zij in het najaar wilde trouwen. Zij sleten haar middagen samen bij naaisters en in winkels; zij reisden samen met Otto eens voor twee dagen naar Brussel, waar Eline haar bruidstoilet wilde bestellen, rijk maar eenvoudig, niets dan wit satijn, zonder kant of strikken.

Eline had intusschen, in al deze drukte, weinig tijd tot nadenken, en alleen des avonds kwam zij tot rust. Des avonds bleven zij veel thuis; het was September, Scheveningen verloor langzamerhand zijn aantrekkelijkheid, en nu Otto kwam dineeren, werd het vanzelve laat, zonder dat men het bespeurde. Zij zat met hem samen in den tuin of in het violette kabinetje en zij gewende zich zeer aan haar kalm geluk; het was alsof zij nooit iets anders gekend had... Alles was zoo rustig en tevreden in hare ziel, dat zij bijna naar emoties verlangde.... Maar neen, zij had Otto zoo lief, en deze eene emotie was haar genoeg.... Nooit iets anders, altijd die rust, altijd dat blauw!

Toch, zich langzamerhand ook gewennend aan hare oude omgeving, werd zij een weinig stil; haar eerste levendigheid temperde zich, toen de verhalen van de Horze alle gedaan bleken te zijn, en het scheen, of haar waan van landelijkheid zich uitwischte, nu zij niet meer op den grond stoeide met de kinderen, of met Otto in de dennebosschen lag, maar rustig glimlachend, en in een molligen fauteuil op haar aanstaande wachtend, luisterde naar Vincent.... Hij praatte met zijn zachte stem over zijn reizen, over steden en menschen, die hij gezien had, over zijn eigene levensfilozofle, en de uren, dat zij Otto niet zag, werden haar gevuld door het genot, dat zij smaakte in Vincents conversatie. Zijn pessimisme bestreed zij, kalm en als hoogmoedig door haar geluk op hare aardige, onlogische wijze, waarover hij schertsend de schouders ophaalde.... zij zou het zelve ook wel eens ondervinden; men kon zich zijn leven zoo maar niet maken; het een hing af van het andere, alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minste schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterendste catastrofe, en het leven was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes en catastrofes smeedde.... daar was niets aan te doen....

--Je gelooft dus, dat alles voorbeschikt is, en dat als ik denk mijn eigen wil te volgen.... ja, hoe zal ik zeggen?.... vroeg zij, verward in hare gedachten, toen zij op een namiddag een dergelijk gesprek met hem voerde, in haar kamer.

--Je slechts schijnbaar je zin volgt, en het uitvloeisel van dien wil inderdaad het uitvloeisel is van honderdduizenden vooraf gebeurde, zoogenaamde toevalligheden.... Ja, dat geloof ik zeker.

--Maar Vincent, wat een fatalisme. Dan vind ik maar het beste om op een stoel te blijven zitten en af te wachten wat komt.

--Daar zou je niet zoo kwaad meê doen. Maar wees verzekerd, dat als jij op je stoel bleef, die passieve handeling niet het gevolg zou zijn van je wil maar wel van allerlei kleine oorzaakjes, die je natuurlijk meestal alle zou zijn vergeten of niet zou inzien.

Zij dacht vaag glimlachend na en knikte langzaam.

--Het is curieus, maar ik geloof toch wel, dat je gelijk zou kunnen hebben; ik voel wel zoo iets, dat het waar kan zijn.