Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 20

Chapter 204,078 wordsPublic domain

--En de dikke boom, waar is de dikke boom? vroeg Eline. Zij gingen het dorp door, tusschen de pikkende kippen, die verschrikt wegstoven, terwijl de hoefsmid en een paar boeren den landheer, die hun allen een woordje toeriep, gul groetten en zijn vreemde familie nastaarden. Men ging over een vonder, en Théodore rukte een hek open en riep den jongen toe, de koe op het weiland vast te houden, daar Eline bang was voor het groote, vette beest, dat zij met zijne uitpuilende starende oogen en zijn kauwenden, kwijlenden bek, wel wat onrustbarend vond.

--Etienne, Cor, schei toch uit, Cor! riep zij aan den arm van Otto, Etienne en Cor toe, die een droefgeestig boe! tegen de koe bauwden, om haar bang te maken.

--Dat komt er van omdat je Horze hebt uitgelachen, Eline! riep Théodore met zijne basstem, maar zij zag hem, lachende, zoo zacht tusschen haar half geloken wimpers aan, dat hij geheel ontwapend werd en Etienne en Cor toemompelde, niet zoo flauw te zijn....

Aan het einde van het weiland stond de dikke boom, een eik op forschen, omvangrijken stam, als een ineengedrongen reus. Frédérique, Marianne, Henriette en de kinderen hadden zich reeds tusschen de uitschietende wortels neêrgevlijd, als tusschen de voeten van een kolos. De anderen werden met een luid gejuich welkom geheeten en men drong Howard en Eline zeer hunne bewondering voor den boom toch te uiten. Eline verzamelde eenige woorden als: kolossaal, immens, maar Théodore bespeurde aan haar spotziek lachje, dat de eik hoegenaamd geen indruk op haar maakte, en hij dreigde haar met den vinger, tot zij in een klaterenden schaterlach uitbarstte en er niet treuriger om werd, toen Howard, zeer ernstig, beweerde:

--A big tree, indeed! I never saw such a big one. Quite interesting!

--Wacht, ik zal je krijgen! riep Théodore en hij liep Eline na, die met een lachenden gil vluchtte tot zij weldra hijgend in het gras neêrzonk en hare handen uitstrekkend, riep:

--Théodore, schei uit hoor! Ik roep Otto!

--Ik zal je leeren! Jou kwade meid! Roep Otto maar, Ik zal je leeren! en hij vatte hare polsen, en schudde haar uit scherts, terwijl zij zich aanstelde, of hij haar vreeslijke pijn deed..... Daarna hielp hij haar op, en zij beloofde, steeds lachende, niet meer zoo weinig gevoel voor de natuur te hebben.

De kinderen waren, elkaâr bij de hand vasthoudende, met hun Engelschen oom bezig den boom te omvademen.

--Bespottelijk van Théodore, Eline zoo na te loopen, mompelde Frédérique ontevreden en Etienne hoorde haar.

--Hé, jij wordt zoo vervelend! riep hij luid uit. Je zou op het laatst geen grapje meer kunnen hebben!

III.

Terzijde van het kerkje was een heuvelig pijnbosch, en Eline had er zich op de gladde naalden uitgestrekt en leunde het hoofd op de hand. Otto zat naast haar. Zij hoorden het touw van de klok knarsen over de katrol, terwijl er een geluid klonk als van een langzaam belletje. De kerk ging aan. Eenige boeren en boerinnen, glimmende in Zondagsch laken en zijden schorten, liepen, het kerkboek in de hand, op den dorpsweg en Eline en Otto volgden hen met de oogen na, zelven ternauwernood zichtbaar achter de dikke stammen. De verspreide kerkgangers waren weinig in getal.... nog enkelen, die zich verlaat hadden, spoedden zich en alles was stil onder den adem van eene landelijke Zondagsrust. In de verte blaatte een geit.

Het is waar: Eline had zich de Horze grootscher en weelderiger voorgesteld, en de doodeenvoudige leefwijze op het landgoed, dat nog slechts de sporen van grootschheid en weelderigheid droeg, deed haar soms glimlachen als zij zich Ouida's Engelsche kasteelen, vol hertogen en prinsen, voor den geest riep, zooals zij er in hare verbeelding gelogeerd had gedurende hare lectuur bij tante Vere's ziekbed. Het was dan ook wel een groot verschil, die pracht van ideale aristocratie, en deze eenvoud van wel bemiddelden, maar noodzakelijk zuinigen adel, en toch, zij had nu niet willen ruilen, en zij sprak glimlachend tegen Otto van Ouida en de Engelsche kasteelen en beweerde aan de Horze de voorkeur te geven, zooals zij ook de voorkeur gaf aan hem, haar armen landjonker, boven den schatrijken Schotschen hertog, dien zij zich vroeger gedroomd had, naar het type van Erceldoune of Strathmore....

Ja, Eline gevoelde haar geluk grooter en grooter worden, in die stille eenzaamheid, onder het donkere denneloover, terwijl Otto's stem, zoo diep en vol, in heur oor klonk. Hij zeide haar, hoe hij nog niet begrijpen kon, dat zij hem toebehoorde, voor altijd, niet waar? en dat zij weldra geheel en al een zouden worden, geheel en al een.... En hij zeide haar, dat zij maar éene fout had: namelijk, dat zij zichzelve niet kende, zooals hij haar kende; hij zeide, dat zij zooveel goeds in zich sluimeren liet, dat zij schatten had, waarvan zij niet wist, en dat hij dit alles in haar zou pogen te wekken.... In de volheid van haar geluk werd zij oprecht, ook voor zichzelve, zóo als zij het nooit was; zij zag hem bijna weemoedig aan, en antwoordde, dat hij nog wel veel slechts ook in haar zou ontdekken, later, als hij haar beter kende. Neen, neen, waarlijk, hij kende haar niet door en door, al meende hij het. Er ging zooveel in iemands hart om, dat men zoo maar niet altijd kon zeggen, tenminste, dit was het geval bij haar, Eline, en zij wilde hem wel bekennen, dat zij niet altijd goede, gedachten had; zij wilde hem ook wel bekennen, dat zij niet altijd zoo gelijkmatig van humeur was, als hij haar altijd zag: zij kon kribbig zijn en zenuwachtig en melancholiek, zonder reden, maar zeker, ze zou voor hem zich trachten te herscheppen in het beeld, dat hij zich van haar voorstelde; hij was toch eigenlijk een groot idealist! Zij gevoelde zich rein en goed in die biecht; zij wist nu, dat zij hem gedachten kon openbaren, die zij zichzelve niet altijd bekend zou hebben; zij was ook niet meer angstig hem te zullen verliezen door een onvoorzichtig woord; zij zag het zoo duidelijk: hoe lief hij haar had; zij was hem toch het liefst, wanneer zij over zichzelve op die eenvoudige wijze, bijna zonder na te denken, sprak, en het werd haar vaak of hij haar geweten verpersoonlijkte, waaraan zij alles verhalen kon, wat een meisje verhalen mocht En hoe meer zij zichzelve in zulke oogenblikken van oprechtheid en waarheid afbrak, hoe meer hij haar vergoodde, en hoe meer hij hare ziel meende te doorgronden door dien glans van schoonheid en behaagzucht.

Zij hoorden het psalmgezang der boeren uit de kerk dringen als een zachte, breede galm van eenvoudige vroomheid, en in hun stemming scheen hun dit onkunstige gezang vol van eene poëzie toe, die zich vermengde met de poëzie der donkere tinten van het loover, met den geur der dennenaalden, met de liefde in hun hart. Het werd Eline zoo vol, dat zij zich een weinig oprichtte, heur lokkig hoofdje aan Otto's borst legde en zich niet weêrhouden kon hare armen om zijn hals te strengelen, en toen zij zich zoo tegen hem aan voelde, met haar boezem op zijn hart, doorschokte haar eensklaps een plotselinge snik.

--Mijn God, Eline.... wat.... wat is er? vroeg hij zacht.

--Niets! antwoordde zij bijna stervend in heure weelde; niets, laat me.... ik ben zoo.... zoo gelukkig!

En zij weende in zijne armen.

IV.

Men stond op de Horze vroeg op en ging er vroeg naar bed, en de dagen vlogen om. Men leefde er, een paar regenachtige dagen uitgezonderd, in de buitenlucht, vooral de kinderen, die, met goed weêr, slechts binnen waren om te eten of te slapen. Hunne wangen en hunne handjes verbrandden en zij zagen er uit als kleine nikkers, de Van Rijsseltjes, de beide jongens, Willy en Gustaaf, en Edmée en Kitty Howard. Tusschen de duiven, die van hare til over de gazons en de vijver fladderden, fladderden zij rond, soms angstvallig door juffrouw Frantzen, de juffrouw van Truus en de Engelsche bonne van Cathérine nagevlogen, vooral door juffrouw Frantzen, die in eene voortdurende vrees leefde bij de gedachte aan Nico en aan het water. Zij gingen naar de volière en den stal zien en waren de beste maatjes met den tuinbaas en zijne arbeiders, met den koetsier en zijn staljongen. Zij voederden de vogels en de kippen en de eenden, en reden, vastgehouden door den goedigen stalknecht, op Théodore's ongezadeld rijpaard, of zij zwommen of zagen in de gymnastiekkamer naar de toeren van Théodore, die zeer sterk, en van Howard, die leniger en buigzamer was, terwijl Otto beweerde zijn techniek verloren te hebben, en Etienne woest tusschen de ringen zwaaide en over den bok sprong. Maar vooral zagen de Van Rijsseltjes ademloos op naar Cor, die met een pedant gezicht, zeer kalm en zeker van zichzelven, de moeilijkste toeren uitvoerde, met de jeugdige kracht zijner lange, slanke ledematen. Na het koffiedrinken speelden de jongens met Howard cricket of, in de schaduw der hooge boomen van het park, met de meisjes lawntennis, of zij lagen lui onder een boom, met een boek, of niets doende, droomende, met de handen onder het hoofd. Na den eten toerden zij of zij dreven een weinig in het bootje op den vijver en de avond viel en het was tien uur voor zij er aan dachten.

En Eline werd door haar geluk en door de weelde van dit zonnige landleven zoo geheel zichzelve, dat zij zich verwonderde, hoe zij nog dezelfde was van vóór eenige maanden geleden. Zij gevoelde zich eene geheel andere; het was haar of heure ziel zich uit glanzende draperieën had losgewonden en eenvoudig, met de naakte blankheid van een beeld, vóor haar stond. Zij ontsluierde zich niet meer in hare gemaaktheid; ze speelde geen rol meer; zij was zooals zij was: het vrouwtje van haar Otto, en deze oprechtheid gaf zulk eene nieuwe bekoring aan heure gebaren, aan het minste woord, dat zij uitte, dat Truus, tot Cathérine's zege, bekende, zich in haar vergist te hebben, dat Frédérique soms uren lang met haar sprak in zusterlijke ontboezemingen, dat mevrouw Van Erlevoort haar een engel noemde. Wanneer zij alleen was, en zich even in hare nieuwe, frissche gedachten verdiepte, welden de tranen haar in de oogen uit dankbaarheid voor al het goeds, dat haar geschonken werd, en zij wenschte alleen nog, dat de tijd niet zou voortsnellen, dat het oogenblik, het heden stil zoude staan. Verder wenschte zij niets en om haar heen zweefde een oneindige rust, eene blauwe kalmte, als eene extaze van zaligheid.

V.

Langzaam viel de avond en de lucht bleef helder, in eene parelgrijze tint, vol sterren. In groote, vage massa's schaduw lag het park op den achtergrond, terwijl de glazen deuren der verlichte tuinkamer openstonden en buiten de theetafel blonk in den zachten, huiselijken glans, die er uit het vertrek vloeide. De kinderen waren naar bed, maar de meisjes, Marianne en Henriette, bleven nog op. En zij zaten allen in een grooten kring en luisterden, terwijl Truus thee schonk. Binnen zong Eline en somwijlen viel er een ster.

Cathérine accompagneerde Eline, terwijl Otto, op de canapé, luisterde. Het scheen Eline toe of zij hare stem voor het eerst hoorde, nu zij Mozarts Abendempfindung voordroeg, terwijl de klanken van hare lippen vielen als fluweel en kristal beide, maar meer als fluweel, zacht en bijna donzig, zonder hun vroegeren, schitterenden, metalen glans. Zij zong zonder moeite, zij dacht aan geen techniek, aan geene kunst, zij dacht aan geene planken en décors en publiek, als zij deed in haar duo's met Paul. Zij opende hare lippen en geheel haar geluk scheen uit hare ziel op te wellen in haar zang, terwijl de weemoed der woorden tot geene treurigheid, maar slechts tot eene diepere gevoeligheid stemde. Op dezen langen, lichten zomeravond, nadat de ontoombare drukte der kinderen was bedaard, goot hare muziek in hun aller huiselijk geluk een melodieuze kalmte en zij hadden haar des te meer lief om de poëzie die zij hun schonk....

Na het lied klonk een licht applaus en zij hoorden Eline even vroolijk lachen en haar spreken met Otto en Cathérine. Henriette en Marianne stoven naar binnen om haar een complimentje te maken.

--O, ik zal het nooit zoo kunnen als jij! riep Marianne, want Théodore's kinderen, allen, tutoyeerden hunne toekomstige tante met eene aangeboren vrijmoedigheid. Er is op mijn kostschool in Bonn wel een koorklasse met een ouden vervelenden meester, maar het geeft me niets. Heb je lang les en van wien?

Eline zette zich naast Otto op de ouderwetsche ruime bank, terwijl de beide meisjes zich op de breede leuning wiegelden, en zij vertelde van Roberts en hare duo's. Cathérine was naar buiten gegaan.

--Maar Eline, zeg me eens, verveel je je hier niet op de Horze? vroeg Henriette.

--Me vervelen? Waarom? Integendeel....

Henriette zag haar verbaasd aan. Zij was zeer zwaar voor haar leeftijd maar toch zeer jongensachtig, zooals zij op de leuning der bank, met de losse veters harer rijglaarzen en hare roode kousen, zat te wiegelen, bijna slordig en nog niets coquet. Heur rossig blond haar hing in een dikke vlecht op den rug; zij had vroolijke, brutale, grijze oogen, een grooten mond en prachtige tanden. Eline wekte in haar altijd een verward vizioen van bals, met gouden uniformen en gedecolleteerde dames op. Eline was voor haar de verpersoonlijking van Den Haag en in Den Haag deed men niets dan dansen en mooi zijn.

--Ja, ik dacht, in Den Haag is het toch heel anders! riep zij met hare jongensstem. Veel amuzanter, zoo altijd uitgaan, plezier maken! Zie je, ik geloof niet, dat het me zou aanstaan, maar ik zou het toch wel eens willen zien! Ik kom bij je logeeren, later, als je getrouwd bent. En daarom dacht ik, dat je het hier vervelend vond.... het is hier altijd het zelfde. O, ik vindt het heerlijk: ik heb mijn ezelwagen en mijn ezel en ik heb mijn bok, en ik zou het wanhopig vinden als ik naar kostschool moest....

--Wacht maar, nog twee jaartjes! riep Marianne, die reeds zoo wat nuffig begon te worden. Dan ben ik come-out en dan marcheer jij naar Bonn!

--Met je ezelwagen of op je bok! sprak Otto lachend.

--Ajakkes! Naar Bonn! Nou maar, ik bedank je hoor! Ik hoef zoo knap niet te worden. Juffrouw Voermans is goed genoeg voor mij.

--Is dat de gouvernante? vroeg Eline.

--Ja zij is nu bij hare familie in Limburg. Ze is al lang bij ons; nu leert ze mij en de jongens, maar mama vindt, dat de jongens te oud worden, en dat ze naar kostschool moeten. Papa niet, die is veel verstandiger, die houdt niet van al dat geleer. Het is een goed mensch, juffrouw Voermans, meen ik, maar affreus, en mager als een boonenstaak. Dus je vindt het hier prettig?

--Zeker.... ik ga hier ook niet vandaan, we blijven hier, nietwaar Otto?

Hij knikte glimlachend en vatte heure hand.

--Kom, Jet! We vervelen ze! riep Marianne opspringend en hare zuster bij den arm trekkend. Zie je dat dan niet? En hoe dom van je....

--Wat dom?

--Om te vragen aan Eline of ze zich niet verveelt....

--Waarom? vroeg Eline.

--Wel, als je toch geëngageerd bent, dan verveel je je niet!

--Hoe weet jij dat? bromde Jet. Mal spook! Het is of je het al tienmaal geweest bent.

Otto en Eline lachten om hare grappige jongensstem, kortaf en quasi mopperend, en stonden op.

--Waar ga je naar toe, oom? vroeg Marianne.

--Wel, naar den tuin, naar de anderen....

--Dat zou jij nooit doen hè, Marianne? plaagde Jet. Je ging in een hoekje met je love, in het donker.

Marianne zag Jet verontwaardigd van het hoofd tot de voeten aan en haalde hare schouders op, terwijl Eline haar schertsend beklaagde en haar arm nam.

Buiten had Truus het theeblad laten wegnemen en er verscheen een groote bowl lichten Rijnwijn, geurig van aardbeien en frambozen. De stilte, die onder Eline's zang geheerscht had, was reeds vervangen door een gezelligen kout, terwijl Truus met een langen glazen lepel glas na glas vulde.

--Maar waar blijven Théodore en Etienne toch? vroeg de oude mevrouw en zag rond.

--Ze zijn zooeven gaan wandelen, den tuin in! antwoordde Mathilde, terwijl Frédérique riep:

--Théodore! Eetje!

Otto echter zeide ze te zullen gaan zoeken, en hij drong het park in, donker, onder de vage dichtheid van het loover, vol schaduwen tusschen de silhouetten der boomstammen. Waar het gebladerte ijler was schemerde de parelgrijze avondlucht als een hoog verschiet, en er glansde een bleeke witte maan. Otto liep langzaam den breeden, slingerenden weg af, maar hij zag niets, en ten laatste riep hij ook:

--Théodore! Etienne!

Een zware stem antwoordde hem, en op dit geluid sloeg hij een zijpad in. Hij zag zijn twee broêrs, verloren in het donker, zittend op een bank. Hun gezichten kon hij ternauwernood onderscheiden.

--Er wordt zeer naar je verlangd! sprak hij. De bowl is verschenen!

Hij meende Etienne te zullen zien opspringen met zijne gewone luidruchtigheid en hij begreep niet, dat zijn jonge broêr zitten bleef, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen.

--Kom je? vroeg hij verbaasd.

--Ja, kom dan toch, Etienne! sprak Théodore. Maar laten we langzaam oploopen, Otto, ik wou je iets zeggen. Ik heb met Etienne gesproken, en ik schijn het niet diplomatisch genoeg gedaan te hebben. Meneer is ten minste gepiqueerd.

--Ach, volstrekt niet! bromde Etienne.

--Maar wat is er dan? vroeg Otto.

--Ik ben volstrekt niet gepiqueerd, maar Théodore heeft een tact om je in een kwartier met zooveel liefs te overstelpen, dat je groen en geel ziet. Ik ben lui, ik voer niets uit, ik loop leeg, ik sla geld stuk, en ik weet niet wat ik nog al meer doe; in één woord, ik ben een lammeling,

--Kom baasje, sla nu niet zoo door. Daar kom je niet verder mee. Ik heb je wat verveeld met financiëele overwegingen, en ik heb je eens over je toekomst gesproken, maar gerust, dat kan geen kwaad. Wat zeg jij, Otto?

--Ik heb wel eens met Etienne een dergelijke conversatie gehad, en dan hoorde hij mij heel welwillend aan, maar ik geloof niet, dat er hem veel van bijbleef.

--O! nu, dan is het nog zoo kwaad niet, dat ik minder diplomatisch ben dan jij; mijn ruwheid schijnt dan wat meer indruk gemaakt te hebben.

--Je hebt me een tafereel opgehangen, alsof we geruïneerd waren! riep Etienne radeloos uit.

--Lieve jongen, je overdrijft als een jong meisje! Ik heb je alleen eens voorgerekend, dat zoowel mama in Den Haag als wij hier op de Horze zoo zuinig mogelijk moeten leven, zuiniger dan wij nu doen, wil er niet eens een tijd komen, dat we ons op een zeer onaangename wijze zouden moeten bekrimpen. En mama uit haar huis, waar ze zooveel souvenirs heeft, dat is een gedachte, die er bij mij niet in kan. Daarbij komen Mathilde en de kinderen. Van Rijssel heeft naar het schijnt geen sou; op wie anders komen de lasten van hunne opvoeding dan op mama? En ik verzeker je, hoe doodeenvoudig wij hier allen leven, dat heb je van den winter, toen je hier met Van Raat logeerde, kunnen zien en dat zie je nu ook. De eenige luxe, die we ons permitteeren, is jullie des zomers bij ons te hebben. Intusschen ben jij te Leiden in een troepje van jongelui, die allemaal rijk zijn of doen alsof en verteer je, alleen, een beetje minder dan ik hier met mijn heele familie. Je begrijpt, vriendje, dat gaat niet langer zoo. Ik misgun je daarom niet plezier te hebben in je leven en ik begrijp, dat, als je eens in een sleur van uitgaven bent, het heel moeilijk valt op de dubbeltjes te gaan zien. Maar toch, waarlijk, probeer het eens in het vervolg, Etienne.

Zij liepen langzaam door, en Etienne boog het hoofd. Zijn vroolijke luchthartigheid zwoegde onder al dien ernst, maar hij gevoelde iets als zelfverwijt.

--En dan, kerel, denk er eens aan af te studeeren. Je bent, vooral tegenwoordig, verschrikkelijk aan het lummelen, geloof ik.

--Ach ja, in den zomer, ik voer niets uit! riep Etienne oprecht.

--En den vorigen winter! Hard geblokt, zeker?

Etienne zuchtte.

--Ach neen, maar God! dat weet ik nou wel! Je begrijpt, ik zal toch wel eens klaar komen. Ik zal zien; ik zal... ik zal werken.

Otto glimlachte, maar hij gevoelde medelijden met Etienne... Etienne en werken!

--Goed, dat is tenminste eene belofte! sprak Théodore onverbiddelijk. En ik hoú je aan je woord, hè? Nietwaar, geef je me je hand er op?

Etienne gaf hem zijn hand.

--Mooi zoo. En wees nu niet meer boos, of gepiqueerd.

--Ach, ik was niet gepiqueerd! riep Etienne wrevelig, en ontevreden over zichzelven, daar Théodore's vermaningen hem in een onaangename stemming hadden gebracht, terwijl een verschiet van examens voor zijn blik verrees. Hij wist, dat hij zwak was, dat het houden van zijne belofte hem veel zou kosten. Hij had nooit geweten, dat hij kwaad deed; hij had nooit gedacht, dat hij zijn mama, Mathilde, Théodore, en de kinderen benadeelde door plezier te hebben en fijne soupers met zijn clubgenooten te bestellen, en dit alles warde nu in zijn hersens dooreen als een amalgama van onaangename zaken, waarin hij geen gat zag. Intusschen waren zij bij den grooten kring gekomen, en Truus was steeds bezig de glazen te vullen,

--Groote goedheid, zijn jullie daar eindelijk? Ik zou het niet noodig gevonden hebben iets te bewaren als jullie nog langer op je hadt laten wachten! riep zij quasie vertoornd uit. Eline was al ongerust voor je, Otto; ze dacht, dat je in den vijver zou loopen.

--Ach, wel neen! riep Eline, maar Cathérine, Cor de adelborst en de meisjes, Henriette en Marianne, beweerden, dat zij het nu niet wilde erkennen en zij maakten zulk een luidruchtige vroolijkheid om Eline, die zich verweerde, dat Etienne er door werd medegesleept en hen allen weldra overschreeuwde. Frédérique zocht tevergeefs hem te bedaren en Mathilde vertelde aan Howard, wat eigenlijk de kwestie was.

Mevrouw Van Erlevoort schudde het hoofd.

--Foei! Eline zoo te plagen! fluisterde zij zacht en haar verdediging bracht Etienne buiten zichzelven van vroolijkheid.

VI.

Het was zwoel en drukkend heet geweest. Het koffiedrinken was gedaan en de kinderen hadden zich verspreid langs den vijver, waarlangs de duiven fladderden, rondom de twee ooievaarsnesten, die op hooge stelten te midden van het gazon zich verhieven. In de open verandah, die met een paar treden in den tuin uitkwam en op den vijver zag, zat de oude mevrouw te midden harer dochters. Eline en Frédérique waren met de heeren biljart gaan spelen.

--Waar zijn de kinderen toch? vroeg Cathérine, en zij zag uit over het geschoren gras, waar zij anders croquet speelden, of woelig over elkander rolden, terwijl nu de drie honden van Théodore er ongestoord lagen te sluimeren. Zij zijn na het eten dadelijk weggevlogen!

--Ze zijn gaan wandelen, naar den Witten Kuil, geloof ik, antwoordde Truus.

--Naar den Witten Kuil? riep Mathilde verschrikt. Maar dat is wel een uur loopen, en ik geloof zeker, dat we regen krijgen.

Truus stond op en zag naar de lucht.

--Het is mogelijk, dat je gelijk hebt, Tilly. Ik had het ze niet moeten toestaan, maar die Jet zeurde zoo en jouw troepje zeurde meê, en ik had eigenlijk niet op het weêr gelet. Ik kan ook niet op alles letten; mijn hoofd loopt me soms om van al die drukte, die ze maken. Maar trek je dat niet aan, ik vind het daarom wel gezellig, hoor!

Intusschen zag het er buiten onheilspellend uit. Zware, loodkleurige massa's dreven aan den hemel samen en een schemering scheen als een grauwe asch neêr te vallen. De bladeren sidderden aan de twijgen en het water van den vijver rimpelde zich met lichte kabbelingen. Truus was blijven staan en keek steeds uit.

--Ik hoop maar, dat ze parapluies bij zich hebben! zeide de oude mevrouw ongerust en zij verhief zich eveneens met Cathérine en Mathilde.

--Parapluies! Ja, dat kan u denken! Daar zijn het me net kinderen naar. Ze zullen nauwelijks een hoed opgezet hebben! Wat moeten we doen? We krijgen een saus van belang.

--We kunnen ze toch niet zoo aan hun lot overlaten. Weet je zeker, dat ze naar den Witten Kuil zijn? hernam mevrouw.

--Zeker? Ja, ik durf er niet op zweren. Maar ze spraken er toch over. Ik zal in alle geval Klaas met den tentwagen naar den Witten Kuil laten rijden. Wacht!

En zij ging naar achteren om den koetsier te waarschuwen.