Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 19
--Zeker van het nietsdoen? schreeuwde Jan, die hen ook kwam roepen. Wij hebben al geschommeld en gewipt en met de ezelwagen gereden en op een hooiwagen geklommen, en jullie liggen maar te dutten....
--Chut! Meer eerbied, hoor, voor den ouderdom! sprak Marie deftig.
Ze daalden nu allen het pad, dat zij eerst opgeklommen waren, af, opnieuw vechtende met de twijgen, die hun den doortocht versperden, toen zij achter zich hoorden fluiten. Omziende zagen zij Georges en Lili, vol heimelijke vroolijkheid.
--We hebben een plekje gevonden, heel koel! sprak Georges ironisch.
--O, zoo koel! herhaalde Lili.
Nu werden zij overvallen met een kruisvuur van verontwaardigde blikken en plagerijen en hielden zich dus wijselijk een weinig achter; toch zorgden zij er voor tegelijkertijd met de anderen aan de ontbijttafel te komen.
Mevrouw Verstraeten en Mathilde waren ijverig geweest, trots de warmte. Op het grove witte tafellaken verhieven zich stapels van broodjes, met schalen vol kersen en aardbeien en een groote kom vol room tusschen twee blonde tulbanden. Zestien stoelen stonden om de tafel geschaard en de Van Rijsseltjes, rood van hitte, moe van het draven, met glinsterende oogjes en vochtige, op de voorhoofdjes klevende haren, namen met begeerige oogjes alles op. Nico zat reeds, rammelend met glas en vork, en allen zetten zich en mevrouw en Mathilde hadden het druk met aanreiken naar alle kanten.
--De Woude, er wordt niet geprezenteerd, neem wat je aanstaat! sprak mevrouw en het was weldra eene luidruchtige vroolijkheid, terwijl de broodjes en de tulbanden verdwenen, en de kippen met den haan zenuwachtig rondliepen om de tafel; vooral in de nabuurschap van Nico, die ze tot wanhoop van Mathilde heele boterhammen offerde. Jan, intusschen, verweet opnieuw aan de drie jongelieden hun luiheid, en naar hij beweerde met volle reden.
Achter de boerderij namelijk lag eene breede vaart, met een bootje, en Jan en Cateau hadden er reeds gebruik van willen maken, maar mevrouw Verstraeten had het hun verboden, zoolang er niet een der ouderen bij was. Na het ontbijt stormden zij er dan ook naar toe; Paul en Etienne zouden roeien; Jan beweerde goed te zullen sturen en Frédérique, Marie en Cateau waren de "schoone en zoete last" zooals Etienne beweerde.
--Zouden Georges en Lili zoo maar vertrouwd zijn, met hun beidjes? vroeg Paul, terwijl hij met zijn roeispaan de boot van den oever afstiet. Kom, Etienne, gelijk op....
--Waar zijn ze? O, kijk, daar verdwijnen ze, achter die heg! riep Frédérique. Marie, dat je als oudere zuster zoo iets toelaat!
Marie lachte goedig.
--Ach, laat ze maar gelukkig zijn! sprak ze eenvoudig. Etienne echter had veel drukte, zeker om het gemis aan roeikunst te bedekken, terwijl hij de vreemdste bewegingen met zijn riem maakte. Paul werd beurtelings wanhopig en driftig....
--Maar Etienne, je kan er niets van, laat je roeispaan toch niet zoo neêrploffen.
Een regen van druppels was over hen heen gezonken...
--Je maakt me kletsnat! sprak Frédérique verontwaardigd.
--Ach kom, denk je, dat ik niet roeien kan?
Cateau en Jan lachten Etienne uit en hij maakte zooveel dwaasheid, dat Toosje aan Paul durfde vragen of zij eens roeien mocht. Zij beschouwde toch meneer Van Raat als den kapitein. Etienne werd, trots tal van wederstrevingen, die de boot bijna deden omkantelen, van zijn post ontzet en Cateautje zette zich triumfeerend naast Paul, vol ijver om met hem gelijk in de maat te blijven met het rijzen en het dalen van haar roeispaan, die zij krampachtig, zonder vrees voor blaren, in beide handen hield omvat. En zij genoot, wanneer hun riemen, als door éene kracht bewogen, gelijkmatig het groene water scheerden....
--Prachtig, Cateau, je kan het! prees Marie. Jan, stuur eens naar die lelies en naar die plompen....
Jan stuurde en het bootje zwenkte langzaam naar een plas vol kroos waarop de witte en gele bekers der waterlelies en plompen lagen, tusschen de platte ronde blâren. Marie boog zich, vatte een lelie bij haar taaien, lijmerigen stengel en trok, en trok tot zij de bloem met een zeer langen steel uit het kroos ophief.
--Daar, daar zijn er veel! riep Jan, verderop wijzende.
En zij gleden voort, tusschen een zoom van wilgen met in het water slepende, zilverige loovertakken en een zoom van weiland, en Marie plukte werktuiglijk de modderige bloemen uit het water, zonder doel. Zij hoorde niet meer, hoe de anderen schertsten, hoe Cateautje en Etienne in een hevig dispuut waren over de wijze, waarop men een riem moest houden; zij rukte slechts, onbevreesd voor het kroos, haar bloemen op, wier stelen zij als vochtige slangen aan haar voeten wierp, en zij dacht er aan, dat als men hard, steeds hard rukte, zoo hard tot de stengels bijna de vingers wondden, de bloemen moesten loslaten. Zoo kon men ook eene dwaasheid zich hard, hard rukken uit zijn gedachte.... al bloedde die ook later na.
VI.
De Van Rijsseltjes, die Mathilde niet in de boot vertrouwde, als Etienne er bij was, hadden zich, toen hunne ongelukkige gezichtjes na die teleurstelling, afgewischt en opgeklaard waren, met schommel en wip opnieuw tevreden gesteld. Tina duwde Nico, die zeer deftig zat, heen en weêr en Johan, met Lientje tusschen zijn beenen zittend, weerde zich op den tweeden schommel. Daar kwamen echter Marie en Etienne aan, en toen Nico moê was van zijne deftigheid, klommen zij op de plank.
--Hoog, Eetje, heel hoog? riep Marie.
Etienne, de voeten vast op de plank, bracht met een paar krachtige buigingen zijner beenen den schommel in beweging.
--Ah! Ik zie, je kan beter schommelen dan roeien! riep Marie.
Zij ook maakte lichte bewegingen, en de schommel zwiepte al hooger en hooger, terwijl haar rokken door den wind opbolden, haar lange ceintuur fladderde, haar hoed afwoei en eenige haren in hare wangen warrelden. Zij haalde diep adem, terwijl zij, hoog in de lucht, bijna horizontaal over Etienne hing, neêrzwaaide en weder opvloog. Zij had een gewaarwording, alsof er een onmetelijke afgrond onder haar gaapte, en of zij hooger, steeds hooger in de blauwe lucht steeg, als op de wieken van een grooten vogel. Hare oogen schitterden, hare wangen gloeiden en zij had gaarne de koorden losgelaten, om zich met een wanhopige vlucht te storten in het ijle....
Daar bespeurde zij de vier kinderen, die beneden ontzet naar die "groote menschen", die zoo hoog mochten schommelen, opzagen, en zij wilde ze een woordje toeroepen, maar haar keel weigerde geluid te geven... Etienne was als dronken en hooger zwaaide de plank....
--Etienne... genoeg... genoeg, Etienne! murmelde Marie en sloot haar oogen.
En eene duizeling overviel haar bijna, toen de vlucht van den grooten vogel verminderde, langzamerhand verminderde en ten laatste ophield. Zij wankelde toen zij weder op den grond stond.
Etienne raapte haar hoed op...
--Heerlijk geschommeld, hè? riep hij buiten adem.
Marie knikte glimlachend, en streek zich met een hijgenden zucht heure verwarde haren uit het gelaat. En toen Etienne, gekheid makend, het op een loopen zette, en zijne neefjes en nichtjes toeriep, dat zij hem nooit zouden vangen, en toen de Van Rijsseltjes hem naderden, Nico het laatst haastig voortschuddende op zijn dikke beentjes.... toen zeeg Marie in het gras neêr, bij den schommel, en barstte in tranen uit... Zij dacht aan Lili en aan Georges, hoe die beiden alleen en zeer gelukkig waren geweest, terwijl zij, Marie, naar de weilanden en de koeien gestaard had, tot zij sterren voor hare oogen had zien schemeren, en hoe zij, Georges en Lili, alleen en zeer gelukkig waren geweest, terwijl zij lelies en plompen uit het water had gerukt, hard, heel hard...
Hoofdstuk XIX.
I.
--Eline! Eline! klonk het uit den tuin.
Eline was met schrik om half-acht wakker geworden--men ontbeet op de Horze te acht ure--en zij was bezig zich te reppen met haar toilet. Nu, half gereed, trad zij aan het open venster en zag naar buiten. Het waren de twee oudste meisjes van Théodore, Marianne en Henriette, zestien en veertien jaar, vlug en schalk,
--Goedenmorgen! groette Eline vroolijk.
--Wat, ben je al opgestaan? Nu dat is vlug, hoor! Kom je gauw?
--Dadelijk, ik ben zóó klaar....
--Dag Eline, dag Eline! riep een nieuwe stem van buiten. Eline zag uit en bespeurde Gustaaf, een mooi ventje van tien, met een paar brutale, blauwe oogen, een echte straatjongen, met niet te wasschen vuile handen en komiek als een clown.
--Dag Gus, riep zij.
--Zeg Eline, je weet wat je me beloofd hebt?
--Neen?
--Je trouwt met mij, en niet met oom Otto, nietwaar? Je hebt het me beloofd, hoor je!
--Ja, met jou, hoor! Maar Gus, ik moet me kleeden, anders kom ik niet klaar! riep Eline, opnieuw voor den spiegel met heur haar bezig...
Zij hoorde het gewoel in den tuin al levendiger worden en het maakte haar zenuwachtig... Hare mooie gazellenoogen stonden nog wat klein, heure lokjes vielen niet zooals zij wilde... En toch, uit het park, vol zonlicht en schaduw, steeg reeds eene veelstemmige vroolijkheid op, waartusschen zij zoowel de zware stem van Théodore, als het lustige geschreeuw der Van Rijsseltjes onderscheidde.
--Eline, Eline! riepen meer stemmen buiten.
--Ja, ja, ik kom! antwoordde Eline bijna ongeduldig en ze snoerde haar ceintuur vast en vloog weg, den langen corridor door, somber van bruin eikenhout, de breede monumentale trappen af, de vestibule uit...
In den tuin liep Cathérine Howard met haar broêr, Otto. Zij was niet mooi, maar had een blijmoedig opgewekt gelaat, en zij was bijna zoo druk van bewegingen als Etienne.
--O, Otto, ik kan het me zoo goed van je begrijpen! sprak zij dwepende en hangende aan zijn arm. Ik vind haar een snoesje... Uit Freddy's en Mathilde's brieven maakte ik me een voorstelling van zoo een beetje een Haagsch nufje, zie je, want ik herinnerde mij haar niet goed meer; ik had haar alleen vroeger een paar maal gezien, toen zij nog bij die oude tante inwoonde... een weduwe Vere, geloof ik, nietwaar?
--Ja, sprak Otto.
--Maar, zie je, ik vind ze een snoesje, een snoesje! Ze heeft zoo iets hartelijks en liefs als ze spreekt, iets eenvoudigs en toch iets vreeselijk gedistingueerds, quite a lady.... En ze is een beeldje, ze is bepaald mooi....
--Vindt je? vroeg Otto.
--Nu hoor, je mag wel trotsch zijn.... zoo een vrouwtje is niet voor iedereen weggelegd.... o, daar gaat de bel, ze zijn hier altijd vroeg bij de pinken....
Zij wandelden samen naar de open tuinkamer, die met een paar treden in den tuin uitkwam en traden binnen. Aan de lange ontbijttafel zat reeds de oude mevrouw Van Erlevoort en knikte met een blijden glimlach haren zoon en hare dochter toe. Eline stond te praten met Théodore, die haar noch aan Otto, noch aan Etienne liet denken, stevig en breed geschouderd als hij voor haar stond met zijn eenigszins ingedrongen, krachtige gestalte en zijn korten, vollen baard, maar uit zijne luide, vroolijke, zware stem, klonk de aangeboren, gezonde blijmoedigheid der Erlevoorten. Zijne vrouw, de jonge mevrouw Van Erlevoort, of Truus, zooals hij haar noemde, was, bijgestaan door Mathilde en Frédérique, nog bezig met eenige voorbereidselen tot het maal. Juffrouw Frantzen zette reeds de Van Rijsseltjes op hunne stoelen en bond hunne servetjes om. Uit den tuin kwam Etienne met Cor, den achttienjarigen zoon des huizes, die adelborst was en nu met groot verlof op de Horze vertoefde; hem volgden de meisjes en de jongens, Willy en Gustaaf, uitgelaten van scherts om hun Engelschen oom Howard, dien zij niet begrepen en die Hollandsch van hen moest leeren.
--Dag Nily! zeide Otto terwijl hij Eline naderde.
--Dag Otto! antwoordde Eline, en zij bood hem hare hand en zij fluisterden even samen. Zij gevoelde zich zeer gelukkig in de nieuwe bekoring, die haar door een druk familieleven geschonken werd, haar, die als kind slechts ééne zuster tot speelgenoot had gehad en als meisje eenzaam bij hare oude tante hare jeugd als vermijmerd had; zij gevoelde zich zeer gelukkig in het rumoer van zoovele menschen en kinderen te zamen en zij scheen het leven eerst nu van een anderen kant te zien, dan zij in haren roes van soirées en bals in Den Haag gedaan had. De menschen, zij waren allen vriendelijk, zij schenen haar allen genegen, zelfs Frédérique; de kinderen, zij liet ze op haar schoot klimmen, en zich met welbehagen door hunne vuile vingertjes liefkoozen, zonder vrees voor haar toilet of haar kapsel. Zij was nu als verliefd op Tina, die fijntjes als een klein nufje, door Eline's bevalligheid en vriendelijkheid werd aangetrokken, zooals Cateau Van der Stoor er vroeger door aangetrokken was en Eline zat dan ook steeds aan tafel tusschen Otto en Tina. De oude mevrouw Van Erlevoort zat tusschen hare twee kleinste kleinkinderen, de jongste van Théodore, Edmée of Memée en Kitty Howard, de eenige van haar Engelschen schoonzoon, en toen zij een langzamen blik over de lange tafel, stralend van jeugd en vroolijkheid, weidde, scheen het haar toe, dat er niemand op de wereld gelukkiger kon wezen, dan zij met hare grijze haren en haar jong hart.
Na het ontbijt sloeg Théodore voor een tocht te maken naar den zoogenaamden "dikken boom", want hij beweerde, dat onder de vele dikke boomen van Gelderland, de hunne, die van de Horze, volstrekt niet de minste was. Hij zou met Howard, Etienne en Cor wandelen; Eline en Otto voegden zich bij hen en de kinderen, zelfs Memée en Kitty, bestormden, onder de hoede der drie meisjes, den reeds aangespannen tentwagen.
Door de eetkamer scheen een orkaan gewoed te hebben. De stoelen stonden schots en scheef. De tafel was één wanorde van borden en glazen; servetten slingerden op den grond met een hoed van Tina, een schop van Nico en een bal van Memée.
--Is het u heusch niet te druk, mama? vroeg Truus, terwijl zij mevrouw Van Erlevoort, nog aan de ontredderde ontbijttafel gezeten, zuchtende bij de hand nam. Waarlijk, ik ben soms zoo bang: de kinderen maken zoo een verschrikkelijk leven, het is een verademing als ze weg zijn.
--Foei! sprak mevrouw; je moest je schamen zoo te spreken.
--Ik ben soms al wanhopig over mijn viertal, Truus! sprak Mathilde; maar behalve Cor, die zich langzamerhand gaat voelen, zijn die van jou toch ook nog al woelwaters.
--Maak je niet over mij ongerust, Truus! sprak mevrouw. Ik doe den heelen winter niets anders dan naar den zomer en de Horze verlangen, en het doet mij goed bij jullie te zijn. Ook vind ik het lief, dat je Eline gevraagd hebt.
--Voor het volgende jaar, wanneer ze getrouwd zijn, heb ik ze al gevraagd bij ons in Londen te komen, gedurende den season, sprak Cathérine. Ik mag haar heel graag.
De jonge mevrouw Van Erlevoort zag een weinig bedenkelijk voor zich, terwijl zij een servet opvouwde.
--En jij, Truus? vroeg haar schoonmoeder, wie dit opviel. Jij mag haar toch ook graag?
--Ach, wat zal ik je zeggen, maatje; ik ken Eline nog zoo weinig. Ik vind het heel lief van haar, dat ze zich geheel en al schikt naar onze gewoonten, naar onze leefwijze, en dat ik mij dus niet als voor een vreemde te geneeren heb: daar zou ik het te druk voor hebben. Dat vind ik zeker lief in haar. Maar u weet, ik loop niet zoo dadelijk weg met iemand.
--Dat klinkt mij te diplomatisch toe, kind. Ik hou van iemand, of ik hou niet van iemand, dat gaat heel eenvoudig bij mij.
--O, u moet niets achter mijn woorden zoeken, dan wat ik er meê zeg. Ik ken Eline alleen sedert de week, dat ze bij ons logeert; ze heeft op mij een lieven indruk gemaakt. Maar ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb.
Mathilde had het op de lippen te zeggen, dat zij, die Eline sedert jaren kende, dit ook nog niet wist, maar zij zweeg.
--En dan... maar u moet niet boos worden, mama! We spreken er nu over, nietwaar?
--Zeker kind.
--Ziet u, ik zie zoo iets in Eline, alsof ze zich nooit goed in onze familie thuis zal voelen. Zij schikt zich, zooals ik zeg, maar ik weet niet, of dat geheel uit haar hart komt. Ik doe u toch geen verdriet door zoo te spreken? Ik wensch niets liever, dan dat ik mij vergis in Eline, en als ik haar langer ken, nietwaar...?
Zij aarzelde het ronduit te zeggen: zij hield niet van Eline. Zij was eene kloeke, groote vrouw, en eene verstandige moeder, die flink haar klein rijk regeerde, die vriendelijk maar beslist haar wil deed gelden; uit die kloekheid en beslistheid vloeide voort, dat zij meestal rond voor haar meening uitkwam, maar nu: zij wist, dat Mama Eline, als de aanstaande vrouw van Otto, reeds tot de hunnen rekende; zij had bespeurd, dat Eline de oude vrouw met een enkel zacht woord, met een enkel liefkoozend gebaar, tot liefde kon roeren, en zij wilde mama geen leed doen in de verloofde van haar zoon. Maar in hunne landelijke atmosfeer--zij kon zich dit niet ontveinzen--detoneerde Eline als iets gekunstelds, als iets dat niet waar was en dit ergerde Truus. Zij kon het niet weten, dat Eline op de Horze wellicht nog het meest zichzelve was, dat zij er zich inderdaad gelukkig gevoelde in hun eenvoudig familieleven, als in een vernieuwende en louterende wedergeboorte; zij kon niet tot Eline doordringen, zij ried slechts iets van de oppervlakte harer ziel; zij zag niet de zalige rust dier zenuwen, overspannen in een leven van overbeschaafdheid en luxe; zij zag alleen die ingeboren wereldschheid schemeren door een aangenomen eenvoud, en dit hinderde haar, zooals de groote, blauwe zijden strik op Eline's glad, lichtblauw katoentje haar hinderde.
Cathérine Howard was een en al verontwaardiging. Hoe was het mogelijk, dat Truus zoo iets zeggen kon; dat was toch al heel weinig hartelijk in eene aanstaande zuster. En zij holde met bijna kinderlijke extaze in zulke liefkoozende zinnen over Eline door, dat de trekken der oude vrouw, strak gespannen door de woorden harer schoondochter, weldra weder glansden van genoegen.
--Neen waarlijk, Truus, ik begrijp je niet... Ik, integendeel, bewonder Eline, dat ze, vreemd als ze in onze familie is, zich juist zoo dadelijk thuis voelt, met ons allemaal. Ik kan je verzekeren, toen ik toch met Howard in Londen kwam--ja, ik kende zijn familie in het geheel niet, dat is zoo--maar ik voelde me toch wel eens onder hen als een eend in een vreemde bijt, hoe hartelijk ze ook allemaal waren! En Eline.... lieve hemel! Het is of ik haar altijd gekend heb; ze is zoo gemakkelijk, zoo toeschietelijk, je hebt niets geen moeite met haar. Neen, ik begrijp heusch niet, hoe je ook maar kan denken, dat ze zich niet thuis bij ons zal voelen... Lief... vind ik dat allesbehalve van je.
Truus lachte, dat Cathérine vuur en vlam vatte en verontschuldigde zich zoo goed mogelijk, en daar de meid binnenkwam om af te nemen, ging de oude mevrouw met Mathilde en Cathérine boven op het ruime, overschaduwde balcon zitten, terwijl Truus den geheelen verderen morgen onzichtbaar bleef, verloren in de drukte van haar huishouden.
II.
De tentwagen was reeds lang uit zicht. Théodore, Howard, Etienne en Cor liepen voorop en Otto met Eline volgden in de schaduw van Eline's groote, kanten parasol.
Het gesprek der vier voorgangers was een mengeling van Engelsch en Hollandsch; Howard beweerde het laatste te verstaan en zelfs twee of drie woorden er van te spreken, terwijl Théodore telkens over zijn Engelsch struikelde in zijne uitleggingen over pachters en bouwlanden. Eenige arbeiders in Zondagspak gingen met een eerbiedigen groet voorbij.
De weg was zonnig tusschen het gloeiend goud van rogge en haver, en geen zuchtje deed de stengels wuiven. Daarachter schemerde, wit op rood, de bloesemende boekweit. In de verte gluurde een boerenwoning tusschen eenig geboomte uit, met een pluim van rook, vaag grijs op het blauw der tintelende lucht.
--Je voelt je hier zeker koning in het land? vroeg Howard.
--Ach neen! antwoordde Théodore. Ik voel me hier meer boer dan koning. Maar keer je eens om; hier zie je dwars door den tuin heen, op ons paleis.
Zij wendden zich en bleven staan, zoodat Otto en Eline hen weldra inhaalden. Door een groote opening in het loover van het park zag men, reeds in de verte, de Horze, blank als pleister, met hare jaloezietjes en kleine witte punttorens, zich spits verheffen in het blauw, terwijl de groote, met wingerd begroeide, balcons hare blanke eentonigheid met lommerrijke plekken verbraken. De vijver lag als een ronde spiegel midden in het frissche groen der gazons, bespikkeld door eene witte, fladderende vlucht duiven.
--Wat een alleraardigst uitzicht, sprak Eline verrukt. Maar kijk, wie wuift daar?
--O, dat zullen grootmama en de tantes zijn! riep Cor uit.
Zij bespeurden in de schaduw van een balcon eenige donkere silhouetten, die zakdoeken schenen te zwaaien, en zij wuifden allen terug, verheugd over dien groet van thuis, terwijl Etienne hoera schreeuwde.
--Dat is nu hèt kijkje, sprak Théodore, en drukte op het lidwoord. Maar kom, vooruit nu, anders komen we nooit aan den dikken boom.
Eline sprak tamelijk vlug Engelsch en Howards conversatie vlotte het best met haar. Howard voerde haar in een druk gesprek, terwijl Eline aan Otto's arm, in de schaduw van haar parasol, die hij vasthield, Howard schertsend antwoordde. En het verbaasde Eline zelve, hoe zij zonder zich de minste moeite te geven, op iederen man een aangenamen indruk kon maken, terwijl zij eene vrouw slechts met al de listen harer liefheid tot sympathie verlokken kon.
Door haar gesprek vol scherts en vroolijkheid vloog als een bliksemstraal die gedachte: Mevrouw van Erlevoort hield slechts van haar ter wille van Otto, Cathérine uit luchthartigheid, en hun beider sympathie wortelde niet in eene overtuiging; anders was het met de oude mevrouw Van Raat, met Cateautje, met Tina... En met een glimlach leunde zij zwaarder op Otto; wat deerden haar die anderen; zijne liefde stelde haar ruimschoots schadeloos voor wat zij in anderen miste; zijn liefde was haar rijkdom en zij gaf niets om de sympathie der menigte....
Het was een drie kwartier wandelens naar den dikken boom. De weg boog zich uit het blond der korenbloemen langs heiden, roze van erica, of heuvelachtige dennenbosschen, welriekend van een sterken harsgeur en vol schaduw tusschen de rechte stammen en onder het donkere, sombere loof.
Eensklaps, als eene verrassing, bij eene wending van den weg, lag het dorpje Horze voor de oogen der wandelaars; eenige huisjes en hutjes met een broodwinkel, een pastorie, eene uitspanning, een stal, verstrooid om een klein kerkje, en Eline zag verbaasd rond, en zeide, dat ze het dorp niet zag.
--Maar je bent er... hier... daar... dat is het dorp! zeide Otto.
--Wat! Dat anderhalve huis? vroeg Eline met groote oogen. Zij lachten allen, zelfs Howard, en Etienne vroeg aan Eline of ze zich iets in het genre van Nice of Biarritz had voorgesteld.
--Minstens toch iets als Scheveningen met een Kurhaus, nietwaar Elly? Zeg Elly, weet je nu al het verschil tusschen rogge en haver?
--Neen, niet goed... boekweit ken ik... vlas ken ik, zoo heel lichtgeel, vol fleurs des champs... en aardappelvelden ken ik! telde Eline op haar mooie vingertjes. Maar rogge en haver en tarwe en gierst, neen... neen, ik weet er niets van! Kom me er niet meê aan, Etienne! Maar Théodore! Is dit nu heusch Horze? Ben je heer en meester van die een, twee, drie, vier schuren?
En zij schaterde het uit onder den breeden rand van haar grooten, strooien hoed, hoewel Théodore zich innerlijk een weinig gekrenkt voelde. Eline zelve had dadelijk berouw over haar vroolijkheid, die niet in den toon was, en ze beweerde met een ernstig gezicht, dat er heel pittoresque plekjes waren, zoo een huisje met een paar boomen, heel lief waarlijk...