Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 18
Henk had na zijn explicatie met Vincent zich een paar dagen zeer ontstemd gevoeld; in zijn goedigheid deed hij ongaarne iemand het minste leed en hij meende Vere gekrenkt te hebben; die arme drommel kon het toch niet helpen, dat alles hem tegenliep.... Henk had dus Vincent opgezocht, hem viermaal de gevraagde som willen ter hand stellen, maar Vincent had geweigerd en integendeel een groot gedeelte zijner schuld aan Henk afbetaald; hoe hij aan dit geld was gekomen bleef Henk een raadsel, zooals alles in Vincent hem een raadsel was. Thuis verweet Betsy aan haar man, dat hij niet wist, hoe met Vere om te gaan en zij, in heur vage vrees voor dien neef, in wien zij een geheime kracht vermoedde, die haar heerschzucht naar welgevallen zou kunnen doen bukken, had het voornemen opgevat coûte-que-coûte haar mans brusquerie te doen vergeten. Eline was namelijk door Théodore op de Horze te logeeren gevraagd en zij zou er de Erlevoorten en de Howards, die nu ook in Den Haag vertoefden, in het laatst van Juli vergezellen, om gedurende de geheele maand Augustus in Gelderland te blijven. Het zou dacht Betsy, dus stil zijn in haar groot huis op het Nassauplein; het lachte haar niet toe nu, alleen met Henk, uit de stad te gaan; liever wilde zij in het begin van den winter, wanneer Eline getrouwd zou zijn, een reis naar het Zuiden maken--en het was dus zoowel uit verlangen naar afleiding als uit diplomatieke aanvalligheid, dat zij Vincent vroeg gedurende den tijd, dien Eline afwezig zou zijn, zijne tenten bij hen te komen opslaan. Zij droeg haar verzoek allerliefst en ongekunsteld voor: zij zou Eline zoo vreeslijk missen, zij zou zoo alleen zijn en Vincent kon zoo gezellig wezen en zoo heerlijk over zijn omzwervingen causeeren... hij moest het dus niet weigeren, en hij zou er haar een immens groot plezier mede doen.... Vincent was ten zeerste verheugd door dit verzoek, dat hem een perspectief van kalmte en onbezorgdheid ontsloot; hij zou het goed hebben zonder een cent te behoeven uit te geven, een maand lang! En een maand van rust scheen hem in zijn tegenwoordig ellendig slingeren van den eenen dag op den anderen een tijdlengte toe, die nooit zou eindigen, een eeuwigheid van weelde. Hij nam Betsy's verzoek dus aan met heimelijke vreugde, uiterlijk echter met zekere neêrbuigende welwillendheid, als gevoelde hij nog wel een zweem van krenking over Henks weigering, en als wilde hij gaarne Betsy gelegenheid geven de onhartelijkheid van Van Raat goed te maken.
Hoofdstuk XVIII.
I.
Lili was boos, zeer boos; haar lippen beefden en de tranen welden haar bijna in de oogen.
--Ik begrijp volstrekt niet, waarom hij niet gevraagd kan worden! antwoordde zij Marie wrevelig. Hij komt geregeld hier aan huis.
--Maar Lili, hoe kan je zoo dwaas zijn! Mama heeft hem van den winter immers een paar keer gevraagd en zoo intiem zijn we niet met hem, om hem voor een buitenpartij te vragen. Als je er vreemden inhaalt, wordt het stijf.
--Hij is niets stijf.
--Daar heb je gelijk in; hij is mij bij nadere kennismaking ook wel meêgevallen, maar we kennen hem toch niet zooals Paul en Etienne.
--Ja, lieve jongens! Ze slenteren van de Witte naar Linke en van de Bordelaise naar de Bodega en altijd met dien lammen Vere. We zien ze tegenwoordig nooit; Paul komt bij hooge gratie eens aan en Etienne is voor mij een mythe geworden. Vraag dan Vere! eindigde zij op vinnigen toon. Dan heb je het drietal compleet.
Marie haalde haar schouders op.
--Wordt nu niet boos op mij, Lili, omdat mama De Woude niet wil vragen. Ik kan het toch niet helpen! antwoordde zij zacht.
--Ach neen! Maar het is altijd zoo, als ik.... als ik eens een idée heb. Het is nooit goed. Ik bemoei me er ook niet meer meê. De heele partij kan me niets schelen.
Zij ging, met moeite haar tranen inhoudend, den kleinen salon uit, terwijl Marie zuchtend haar boek opnam.
Mevrouw Verstraeten was bij haar man, in de serre, gaan zitten. Zij had iets opgevangen van Lili's korte, driftige zinnen, en zij was vol van een gedachte, die over haar vriendelijk gelaat een weêrschijn van weifeling wierp.
--Wat is er? vroeg de oude heer.
--Ach, het is over De Woude! fluisterde mevrouw aarzelend, om niet door Marie verstaan te worden. Lili wil, dat ik hem voor overmorgen vragen zal, maar....
--Nu, waarom niet? Ik mag De Woude wel, al is hij wat fatterig; hij is nogal vroolijk zoo met de meisjes...
--Maar Karel, waarlijk, wij mogen dat niet aanwakkeren... Ik ben, als ik hem zie, altijd heel beleefd tegen hem, maar we behoeven hem niet aan te halen, wel? Wat kan daar nu van komen! Lili is nog een half kind en zet zich allerlei dingen in het hoofd, maar wat... wat wil je nu dat dit wordt?
--Waarom moet je nu dadelijk denken, dat ze met elkaâr willen gaan trouwen? Er is nu alleen maar kwestie van een invitatie....
--Ach ja, maar jij ziet ze nooit samen, zooals ik ze zie ... Als je eens een enkelen keer meê naar Scheveningen ging...
--Ik dank je hartelijk!
--Dan zou je het zelf zien... Hij is niet af te slaan van ons tafeltje. Hij is wel zoo discreet om niet altijd te accepteeren, als ik hem vraag meê ijs te gaan eten, maar hij blijft tot wij weg gaan en spreekt zijn andere kennissen ternauwernood aan. Met Marie wandelt hij eventjes, pour acquit de conscience, en dan is het Lili voor en Lili na... Je begrijpt, ik zie daar niets geen goed in...
--En geloof je, dat Lili...?
--Ja natuurlijk, zonder kwestie! Iedereen spreekt er ook over, iedereen kan het zien; ze winden er dan ook geen doekjes om. Ik weet het niet... ik weet niet wat daarvan worden moet! sprak mevrouw en opnieuw gleed die weifeling over haar gelaat als een schaduw.
De heer Verstraeten zag een oogenblik peinzend voor zich uit; toen vroeg hij fluisterend iets aan zijn vrouw en zij spraken lang met elkaâr op onderdrukten toon.
Marie intusschen had niet kunnen voortlezen en zij ging naar boven, ten einde Lili te zoeken. Zij vond haar snikkende op haar bed neêrgezonken, met haar schokkend hoofd in de kussens verborgen.
--Lili! riep ze zacht.
Lili schrikte toen zij Marie's stem herkende.
--Och, laat me! riep ze ongeduldig uit, als wilde zij niet anders dan eenzaam en ongelukkig zijn.
Marie echter vatte haar bij de handen en dwong haar op te zien.
--Lili, hoe kan je toch zoo onverstandig wezen! berispte zij met haar zachte, doordringende stem. Je maakt je immers akelig voor niets... Zoo kan men op het laatst niet meer met elkaâr omgaan en geen woord meer met elkaâr spreken; van alles maak je tegenwoordig een scène. Lili hoor nu!
--Ach, toe, laat me nu alleen...
--Vindt je het dan prettig je ongelukkiger te maken, dan je bent en hier alleen te liggen huilen? Waarom spreek je liever niet ronduit met me? Het is immers veel beter vertrouwen in elkaâr te stellen en alles te zeggen...
Zijzelve had zoo gaarne willen spreken, veel willen spreken, alles willen zeggen, aan Lili of aan haar mama, maar er zijn sommige gevoelens, waarover men niet spreken mag...
Lili richtte zich een weinig op en streek van heur vochtig gelaat de verwarde haren weg.
--Ach, wat wil je dan hebben, dat ik zeg? Je weet immers alles! Georges kan tegenwoordig geen goed meer doen in de oogen van mama!
--Kom, je overdrijft. Zoowel papa als mama mogen hem beiden heel gaarne.
--O ja, zeker! Maar als het er op aankomt hem een attentie te bewijzen.... Ach, en jij zelf immers ook...
--Wat ik ook?
--Je noemt hem immers zelf ook een vreemde, die het stijf zou maken!
--Als ik geweten had, dat ik je met die betiteling verdriet zou doen, had ik iets anders gezegd. Alleen kan ik niet aanzien, dat je je opwindt voor niets, Lili. Je stelt je heusch aan of je geheele leven voor altijd gebroken is, en dat alleen omdat mama het nu beter vindt De Woude niet te vragen.
--Het is toch ook voor mij niet prettig! Ik heb hem al... ik heb hem al over de partij gesproken en... hij rekent er natuurlijk op...
--Waarom ben je dan zoo onvoorzichtig! Mama vindt het natuurlijk ook niet prettig, als de menschen over jullie kakelen. Gisteren vroeg mevrouw Eekhof nog...
--Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden. Als je je aan iedereen wilt storen...
Er trok om Marie's lippen een bijna spotzieke glimlach.
--Ja, Lili! antwoordde zij, met een bittere treurigheid, die voor Lili echter verloren ging in haar scherts, je hebt het zwaar te verantwoorden! Je houdt van Georges en Georges houdt van jou, en de geheele wereld is tegen jullie, mama, en mevrouw Eekhof en iedereen, nietwaar? Het is wel treurig, nietwaar kind, het is wel ongelukkig! en ik kan me zoo begrijpen, dat je niet de minste hoop meer voedt, dat het anders wordt. Het is wel ongelukkig!
--Hé, Marie! Hoe kan je zoo spreken, als je weet... als je weet, dat ik verdriet heb.
--Ja, ik ben wreed, nietwaar? ging Marie voort, maar heur glimlach werd zachter. Kom, Lili, toe, huil nu niet meer, en geef me een zoen; vergeef me als ik onaardig was; wil ik mama nog eens zien over te halen?
--O, als je zoo lief zoudt willen zijn? Mama zal het zeker doen, als jij het vraagt.
--Ja, mij kan niemand iets weigeren, nietwaar? Mij loopt alles meê in de wereld. Het is alleen tegen jou, dat iedereen zich verzet. Arm kind, dat je bent!
Lili lachte even door haar tranen heen, terwijl zij Marie aanzag.
--Marie, wat ben je toch komiek, als je zoo plechtstatig oreert! Ik moet er heusch om lachen!
--Wel ja, zusje, lach maar; laten we maar lachen, zoolang we het kunnen doen. Nu adieu, maak je haren wat op, ik ga naar mama.
Zij knikte Lili toe en zij ging en benijdde haar zuster, die kon uitspreken, wat zij gevoelde. En terwijl zij de trap afging, glimlachte zij weemoedig om Lili's smart en Lili's wanhoop over Georges. Zij dacht aan haar zuster als aan een kind, om speelgoed weenend, dat men het voor een pooze ontnomen had; zij zag Lili's nu zoo innig bedroefd gezichtje reeds stralen van een blijden lach, zooals het stralen zou, wanneer zij, Marie, over een half uur bij haar terug zou komen.
Gelukkige Lili, die zoo vrij mocht weenen, die zoo vrij al in jubelenden overmoed, mocht uitroepen:
--Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden!
II.
De tocht ging naar een boer, welbekend bij de Verstraetens. Langs den Loosduinschen weg, in de brandende zon, reed de volle Jan-Plezier, een enkele maal door de tram tegemoet gestoomd. Mevrouw Verstraeten en Mathilde zaten achter-in met Nico tusschen haar beiden; Marie, Lili en Frédérique vulden met Paul, Etienne en Georges de tusschenruimte; de voorbank was ingenomen door Tine en Lientje en de neefjes Verstraeten; Johan troonde op den bok en in den kattebak zat Cateautje Van der Stoor met brutalen Janbroêr. Zoo zou het een gezellige partij worden, geheel en al een onderonsje, zonder vreemde menschen, waarvoor men maar een lastig decorum zou te bewaren hebben gehad. Marie deelde uit een groote mand kersen telkens een handvol uit, aan wie maar wilde en Etienne vertelde, al etende, hoe Marguerite Van Laren met een pretentieusen mond beweerd had, dat een Jan-Plezier burgerlijk was.
--De Van Larens gaan zeker altijd in hofrijtuigen naar een buitenpartij.... met een gegalonneerden knecht! zeide Georges.
--In toiletten à la Watteau, met schaapjes aan roze linten! voegde Lili er bij en zij lachten elkander toe.
Een ieder lachte en zij gevoelden zich allen zeer opgewekt, in een humeur om veel plezier te hebben, de meisjes in haar eenvoudige katoenen japonnetjes, de jongelui in hunne lichte zomerpakken met strooien hoeden.
--Cateau, wil je kersen? vroeg Marie, en er reisde een handvol naar Cateau toe. Deel dan met Jan.
--O, ik zal het mijne wel krijgen, riep Jan met zijn brutale stem. Toos, wil ik je een kunstje leeren?
--Wat voor een kunstje? vroeg Toos.
--Kijk, je ziet die twee kersen aan elkaâr? Nou, steek die eene in je mond. Zoo....
--Nu, wat is er dan? vroeg Toos, en deed zooals hij begeerde.
--Dan neem ik de tweede, zie je. Zie je, zoo!.... vervolgde de bengel en hapte naar de tweede kers met een flinken zoen op Cateau's lippen.
--Maar Jan! bestrafte mevrouw verontwaardigd.
--Die Cateau! Domme meid! riep Freddy lachend.
--Ik wist het heusch niet! betuigde Cateau; die akelige jongen!
--Kom Toos, dat meen je niet; je zou het niet geweten hebben! plaagde Paul.
Cateau was vooral wanhopig, dat Paul haar niet geloofde....
En de Jan-Plezier ratelde voort langs de weilanden vol vette, grazende koeien, met huiden als glanzend satijn, zwart en wit gevlekt, terwijl de knotwilgen aan den zoom der slooten op knoestigen stam hun waaiers van zilvergrijs loover verhieven.
--Ik vind een wilg zoo een melancholieke boom, vindt je ook niet Georges? vroeg Lili met gevoel.
--O, Lili wordt poëtisch! riep Etienne. Kom Lili, een ode aan den wilg.
--Ik schijn niets meer te kunnen zeggen, of jullie lachen me uit, antwoordde Lili verstoord. Ik schijn al zeer bespottelijk te zijn....
En het regende plagerijen op Lili en kersen in een ieders schoot onder een algemeen gelach.
De weg klom, terwijl duinachtige verschieten verrezen. Hier en daar lag een buitenplaats, verloren in het groen, of een boerderij, met velden vol wortelen en bloemkoolen en rijen van boonenstaketsels of een tuintje vol zonnebloemen, papavers en stokrozen. Hier en daar glom een tuinspiegel, als gepolijst nikkel. Een vrouw, bezig met waschgoed aan een sloot uit te wringen, hief zich even op en glimlachte en twee boerenkinderen liepen het rijtuig achterna, daar Jan en Cateautje hun kersen toewierpen.
III.
De weg klom en daalde tusschen blonde velden van haver en vlas, blauw en rood doorspikkeld met korenbloemen en klaprozen, tot men ten laatste de boerderij bereikt had. De boerin verscheen met een gullen glimlach aan het hek en van alle kanten sprong men uit den wagen, terwijl mevrouw en Mathilde doozen, overdekte manden en korven aanreikten.
De koetsier spande uit en bracht zijn dampende paarden naar stal.
Jan Verstraeten, Cateautje en de Van Rijsseltjes maakten zich aanstonds meester van de beide schommels. Jan had aan mevrouw Van Rijssel beloofd voorzichtig te zullen zijn en Cateautje zou vooral op Nico passen.
--Het is net een echtpaar met hun kroost! lachte Marie, terwijl zij hen naoogde.
--Ik jaag ze toch straks weg van den schommel, ik moet ook schommelen! riep Etienne luidruchtig uit, reeds dronken van den zon en de buitenlucht. Lili, schommel je straks met me? Ten minste, als De Woude het goed vindt! fluisterde hij met smachtende oogen.
--De Woude heeft niets over me te zeggen! Maar ik hou niet van schommelen: ik krijg er hoofdpijn van, dank je.
--Ik ben er dol op, Eetje! riep Marie; ik reken straks op je, als cavalier, maar hoog, heel hoog, hoor! Tot in de wolken.
--Kom, laten we eens een prettig plekje gaan zoeken, een beetje verder, op de duinen, ried Paul aan.
--O, natuurlijk: Paul denkt vooral aan zijn gemak. Maar duinen zijn zonnig, Paultje, sprak Freddy.
--Neen, er zijn boomen, eikenboomen, naar ik meen, voorbij den koepel.
--En route dan. Het is eigenlijk te warm om je veel te vermoeien. Ik ben van Pauls opinie; ik hou zeer veel van een luie buitenpartij: heel lang liggen in de schaduw, en dan naar de wolken kijken boven je hoofd, lispelde Lili.
--Lili weet toch altijd het langoureuze met het poëtische te vereenigen! schertste haar zuster. In godsnaam, De Woude, beweer eens wat. We kakelen allemaal door elkaar, en jij loopt stilletjes verzen te maken, geloof ik.
Georges sprak lachend tegen en zij baanden zich thans allen een weg door het loover, de twijgen afwerend, die achter hen met een geruisen van bladeren weder dichtsloegen. Lili schrikte voor een spin, die aan een langen, zilveren draad naar beneden zakte, en toen De Woude het dier verwijderde, werden zij beiden zeer geplaagd: zij, als een schuchtere jonkvrouw, hij, als een dapper ridder, die de monsters om haar heen versloeg.
--Maar wat doen wij toch voor buitengewoons, dat wij het altijd moeten ontgelden? riep Georges.
--Ach, Georges, trek het je toch niet aan! sprak Lili. Ze doen het om geestig te zijn. O, Paul, wat laat je ons klimmen en dalen in die warmte en ik glijd telkens uit. Het is een heele reis naar dat lieve plekje. En dan die vervelende takken. Ze vermoeien me. Ai!
Zij bezag hijgend haar vinger, dien een doorn geschramd had.
--Laat mij vóór je loopen! fluisterde Georges, en hij fluisterde het zoo zacht en gleed zoo behendig vooruit, dat de anderen het in plagende vroolijkheid over Lili's klacht niet bespeurden. Zij beiden bleven een weinig achter en Lili ging glimlachend het laatst, terwijl Georges de takken zoo lang tegenhield, tot zij haar niet meer in het gelaat konden zwiepen.
--Laat ze maar lachen! Kan het je iets schelen? vroeg hij, geheel en al verloren in zijn geluk.
--Niets! antwoordde zij zeer kalm, haar blond hoofdje onder den grooten hoed vol veldbloemen schuddend, terwijl een spotziek trekje om haar lippen speelde. Wij lachen ze achter hun rug uit. Wie gilt daar zoo?
--Etienne natuurlijk! sprak Georges.
Paul en Etienne namelijk hadden onder kastanjeboomen een mossige plek gevonden, van waar men een klein panorama zag; eenig weiland, doorsneden met de rechte strepen der slooten, die flikkerden onder den tintelenden hemel, en hier en daar een koe. Een molentje in de verte en daarachter een zoom van populieren, regelmatig en slank.
Lili en Georges naderden en zij vonden de anderen in verrukking.
--Hier is het heerlijk! sprak Paul. Koel mos om op te liggen en een ruim uitzicht.
Zij beäamden het allen, dat het heerlijk was en lieten zich neêr op den grond, moede van den onderzoekingstocht. Zij zetten hun hoeden af, die met de kanten of roode parasols der meisjes het donkere mos aanstonds met gloeiende, lichte kleuren bezaaiden, terwijl enkele zonnestralen, door de bladeren zinkend, strepen van lichtende atoompjes als glinsterend stof deden dansen over het kreukelend lichte katoen harer rokken en het blond en bruin heurer haren.
--Het is hier nu niet zoo erg schaduwrijk. Ik zit ten minste heelemaal in de zon! meende Lili, zich in de rozige schaduw van haar en-tout-cas verbergend, en zij keek verontwaardigd naar Paul, die, het hoogst en in veel schaduw zoo lang als hij was, neêrlag, het hoofd zalig in een uitgespreiden zakdoek verbergend.
--Chut--Lili, niet spreken--slapen! fluisterde hij, met gesloten oogen.
--Ja, je bent amuzant, slaap maar toe! Maar ik brand hier!
--Willen we een beter plekje gaan zoeken, Lili? sprak Georges.
--Ja, doe dat, dat is een idée, meende Paul.
--En fluit dan, als je wat gevonden hebt! sprak Etienne.
Georges beloofde te zullen fluiten. Zij stonden op, waarna Lili steunende op zijne schouders, het duin afkwam, terwijl het zand onder hun voeten weggleed....
--Je begrijpt, ze zullen ons laten fluiten, in plaats van zelf te fluiten; zeide Etienne.
--Onrustig is die Lili altijd! geeuwde Paul op zijn zakdoek.
Maar Etienne werd geërgerd over zijn luiheid en trok hem bij de beenen naar beneden, tot groot vermaak der meisjes.
Het was echter zeer warm, en er was niets aan te doen; zij ook werden lui. Zij zouden na het déjeuner wel wat wandelen en verderop de duinen ingaan. Toen de vrede tusschen Paul en Etienne gesloten was, ging Frédérique met haar hoofd op Eetjes knieën liggen, terwijl hij haar met een halmpje in de ooren kietelde; Paul sliep bijna in, loom van warmte en zaligheid, en Marie zag peinzend, met iets zwaarmoedigs om den mond, uit naar de weilanden en de slooten en de koeien....
IV.
Het pad, waarlangs Georges en Lili daalden, was zeer gemakkelijk. Zij zweefde als het ware naar beneden, terwijl zij met de handen op zijn schouder steunde, en hij op een drafje afwaarts ging. En hij ging al vlugger en vlugger, terwijl zij licht lachte. Het was, alsof zij vleugels aanschoot....
--Hoe dom van ze, daar in die zon te blijven braden; kijk, onder die boomen daar....
--Die kastanjes?
--Daar is veel meer schaduw. Willen we eens zien?
--Goed...
Zij klommen op, terwijl hij haar hielp en zij drongen het geboomte in, dat het panorama met zijn zonnige aquareltinten van groen en koeien voor hun oogen afsloot, maar het was er zeer lommerrijk, als in een koepel van bladeren, terwijl daar buiten de zon alles stoofde.
--O, hier is het lief! riep Lili uit. En kijk eens, viooltjes...
Zij zette zich op een zetel van mossig zand en plukte. En hij vlijde zich aan haar voeten neêr, te gelukkig om veel te spreken en speelde met de roode kwasten van haar parasol.
--Kom, nu moet je fluiten, Georges.... om de anderen te laten komen! sprak zij schalks, wel wetende, dat hij het niet zou doen.
--Ik kan niet fluiten, ik heb het nooit kunnen doen! antwoordde hij en keek haar lachend aan.
Zij lachte ook en wierp hem haar viooltjes in het gelaat, en hij verzamelde ze, en stak ze in zijn knoopsgat. Toen vatte hij haar hand en zag haar aan.
--Hoû je van me? vroeg hij, met zijn oogen in de hare. Zij legde haar witte handjes op zijn schouders en terwijl zij hem vast aanzag, boog zij zich langzaam voorover.
--Wat? vroeg zij vol teêrheid.
--Hoû je van me? herhaalde hij weder en zij boog zich voorover, zoodat zijn lippen de lokjes op haar voorhoofd beroerden en ze kusten.
--Ja, sprak ze, en liet haar hoofd rusten op het zijne. Ja, ik hoû van je.
Zoo bleven ze een wijle, terwijl hij in zijn ongemakkelijke houding genoot onder het wicht van het kopje op zijn hoofd. Maar toen zij zich oprichtte en hem weder lachend aanzag, vlijde hij zich meer aan haar zijde uit en legde haren arm om zijn hals.
--Weet je... Emilie... begon hij.
--Wat? vroeg zij.
--Emilie heeft met mijn vader gesproken, en zou ze niet eens met je ouders kunnen komen praten?
--Ja! antwoordde zij, in een glimlach glanzend. Maar ik geloof niet.... ik weet niet, of....
--Emilie kan goed praten....
--Je houdt veel van haar, hè?
--Ja,... ook van jou....
Zij drukte zijn hoofd vaster in de mollige ronding van haar arm en zij gaf hem een kus op zijn hoofd: haar eersten.... En de geur van het mos en de viooltjes, stovende in de lauwe warmte, die uit het dak van den bladerkoepel neerzonk, vermengde zich als een zucht, waarvan de zoetheid haar bezwijmelde, terwijl haar kleine hand zich liefkoozend sloot en zijn lichtbruin haar verwarde.
Zij luisterde, steeds met dien zelfde gelukkigen glimlach, naar zijn zachte stem, terwijl hij haar vertelde van het gesprek, dat hij met zijn zuster had gewisseld vóor hij nog wist, of Lili ooit van hem zou houden. Hij had zich toen wel een poosje wankelmoedig gevoeld; nu echter scheen de heele wereld hem een licht te torsen last toe.
--Emilie dacht, dat je geen armen man zou willen hebben... Wil je geen armen man hebben...?
--Ben jij arm?
--Ja, ik ben niet rijk.
--Goed, dan wil ik wel een armen man hebben. Ik ben, o, zoo zuinig als het moet. Ik doe soms wel drie maanden met mijn toiletgeld voor een maand. En zie ik er niet altijd netjes uit?
--Beeldig....
--Maar ik geloof nooit, dat jij zuinig bent. Ik geloof, dat jij veel behoeften hebt, meer dan ik....
--Ik heb geen behoeften als ik jou heb. Je bent alles voor me.
--Houdt Emilie van me?
--Natuurlijk. Ze zal ons moedertje zijn. En je wilt dus overal met me meê. Naar Caïro? Naar Constantinopel? Naar de Kaap?
--Naar Lapland, als het moet.... Overal....
--Mijn eigen vrouwtje!
Hij sloot haar even vast aan zijn borst en kuste haar. Het werd hun, alsof de wereld voor hen wegzonk, en alsof zij alleen waren in een paradijs... het werd hun of zij het eerste paar waren, dat elkaâr liefhad, of er nooit bemind was vóor hen.
V.
--Mama vraagt, of jullie komen ontbijten? riep Johan Van Rijssel het viertal toe, dat lag te mijmeren in de zon. Luie, groote menschen; hè, jullie liggen te slapen, geloof ik...
En hij klom naar hen toe en vocht met Paul, wiens groote ledematen, in volle lengte uitgespreid, hem ergerden. Frédérique en Etienne richtten zich op uit hun teedere houding en beweerden honger te hebben.