Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 17
--Ach, zet me toch niet zoo hoog in de lucht! antwoordde hij vriendelijk, terwijl zijn stem haar volheid dempte, waardoor hun gesprek slechts tusschen hun lippen scheen voort te zweven. Ik voel me zelf zoo doodgewoon, zoo niets bizonder verheven boven anderen, je mag jezelve ook niet zoo beneden me stellen. Jij mij een beetje waard! Waar haal je het vandaan? Kleine dwaas! Weet je wat, ik geloof nooit, dat je jezelve goed kent.
Zou hij gelijk hebben, zou zij zichzelve niet kennen? Een heerlijke verrassing vervulde haar; zij meende zichzelve zoo goed te kennen: zou er nog waarlijk in haar ziel iets zijn, waarvan zij niet wist; iets, waaruit wellicht haar liefde voor hem vloeide? Zou hij haar zichzelve leeren kennen?
--O Otto! begon ze.
--Wat? vroeg hij zacht.
--Niets, ik hou zoo veel van je, als je zoo iets zegt van jou en van mij! murmelde zij, vol van een zaligheid, die zij niet kon uiten. Zijn hand drukte zacht haren arm en zij trilde even, terwijl zij steeds voortgingen, en nu en dan groetende voortgingen te midden der schertsende en dringende menigte, van de tafeltjes betuurd door wie hen kende, al was het slechts van aanzien.
--Kijk, wat loopen Erlevoort en Eline daar zalig met elkaâr! perdus dans le même rêve.... bepaald, ze zien ons alweêr niet! riep Léonie bijna met dépit uit, terwijl zij met Hijdrecht hun op een afstand voorbij ging.
IV.
Eline en Otto hoorden eensklaps hun namen zacht uitspreken. Zij zochten even en zagen aan een tafeltje mevrouw Verstraeten met Marie, Lili en Frédérique zitten. Georges De Woude was reeds van zijn stoel opgestaan en wenkte hen glimlachend. Zij traden naderbij en gaven elkaâr de hand.
--Freddy! sprak Otto verrast.
--Mevrouw was zoo lief mij na het eten te laten vragen of ik meêging, antwoordde zij, bij wijze van verklaring. Otto, we kregen, toen je weg was juist een brief van de Horze: ze maken het allemaal goed en je moet veel groeten hebben. Jij ook, Eline.
--O, dank je wel! antwoordde Eline hartelijk, terwijl zij een oogenblik Georges' stoel naast mevrouw innam. Marie was zeer bleek geworden maar het viel niet op onder haar witte voile.
--Théodore schrijft dat Suzanna en Van Stralenburg met de kleine bébé over een week bij hen komen logeeren en mama was een en al agitatie.
--Wat, wou mama naar de Horze gaan? En Howard komt hier?
--Ja, dat was juist het dilemma.
--Die goede mevrouw Erlevoort, sprak mevrouw Verstraeten.
--Percy heeft immers geschreven, dat hij in de laatste dagen van Juli komt; nu, Van Stralenburg kan niet langer blijven dan tot den 20sten, schrijft Théodore. Je begrijpt--en zij dwong zich Eline vriendelijk aan te zien--je begrijpt, hoe mama te moede is: naar Zwolle reizen, daar komt ze nu eenmaal nooit toe, en vóor den 20sten uit Den Haag te gaan terwijl Howard en Cathérine komen, dat kan natuurlijk niet....
--Maar Howard gaat immers later ook naar de Horze? vroeg Otto,
--Ja, maar hij zal toch eerst een beetje in Den Haag willen blijven en van Scheveningen profiteeren, antwoordde Frédérique. Mama zit nu allerlei bedenkingen te maken, hernam zij weder tot Eline; zij zou wanhopig zijn, wanneer zij van den zomer haar nieuw kleinkind niet zag, dat kan je begrijpen....
--Nu, dan zal ik mama wel overhalen met mij naar Zwolle te gaan een dezer dagen: dat is toch het eenvoudigste! antwoordde Otto. Naar de Horze is nog wel een omslachtiger reis.
--Je kan het probeeren, antwoordde Frédérique. Het zou zeker een oplossing van het raadsel zijn....
Lili had intusschen aan mevrouw gevraagd, of zij het goed vond, dat zij wat met De Woude ging oploopen, en mevrouw verzocht Otto nu ook een oogenblik te gaan zitten, tot zij terug zouden zijn.
--Wat is Eline toch mooi, vindt je niet, De Woude? vroeg Lili. Zij had hem, sedert zij met hem had schaatsen gereden, toegestaan haar bij den naam te noemen, en zij noemde hem nu: De Woude, tout court. Het frappeert me telkens, als ik haar zie....
--Ja, ze ziet er heel aardig uit! antwoordde Georges onverschillig.
--Neen, maar ik vind haar bepaald mooi, bepaald mooi! drong Lili aan. Hoe is het mogelijk, dat je haar niet mooi vindt! Wat een curieusen smaak heb jij dan toch!
Hij lachte vroolijk, in het genot eener geheime gedachte.
--Ik kan toch heusch niet helpen, dat ze me geheel en al koud laat: ik heb een ander ideaal van mooiheid. Maar als je nu absoluut wilt hebben, dat ik ze mooi vind, dan zal ik nog eens zien.
--O neen het kan me volstrekt niet schelen, hoor! antwoordde zij, ook lachend: alleen, iedere heer vindt haar mooi, daarom begrijp ik het niet van je. Ik begrijp ook niet, dat Frédérique niet van haar houdt. Als ik een man was, werd ik smoorlijk op haar.
--En zou je dus duelleeren met Erlevoort....
De pauze was aangevangen en het gedrang der wandelaars, die zich in een rechtschen en in een linkschen stroom hadden verdeeld, was zeer dicht. Georges en Lili bevonden zich als ingesloten tusschen met moeite voortbewegende schouders en hoofden. Er was geen doorkomen meer aan....
--Het is wanhopig! zeide Lili. Als het toch zoo vreeselijk vol is, vind ik het niets prettig. Het lijkt wel een Zondag.
--Vindt je het goed, als we een beetje naar buiten gaan naar het strand? vroeg hij zacht. We zijn vlak bij den uitgang....
--Kan dat? vroeg Lili, gestreeld door de verleiding. Zou mama het goed vinden?
--Wel zeker, onder mijn hoede; het kan uitstekend, hoor! sprak hij geruststellend, bijna trotsch.
Zij stonden voor het tourniquet en de controleur draaide. Als bevrijd uit een klem van benauwdheid traden zij vlug de treden van het terras af, staken den rijweg over en haastten zich over de breede trap, die naar het strand leidt.
De groote mandstoelen stonden dicht bij elkaâr, als waren zij opgeborgen. Hier en daar slenterde een Scheveninger op een langzamen, plompen zwaaipas, die zich regelde naar het gedein van den hoop ronde rokken zijner gezellin....
En over de zee, in de hoogte, ruischte voor de façade van het Kurhaus, in een gloed van gaslicht, een hel gewoel.
--Oef! riep Lili uit. O, is het hier niet veel ruimer?
De zee zelve krulde haar, nauwlijks gerimpeld, satijn van wisselend groen en azuur en violet, met tintelende plooien schuim, uit van den einder tot het strand. Daarboven schitterden sterren en de melkweg scheen een stof van parelen, verspreid aan die geheimzinnige eeuwigheid van vaag blauw... Uit de zee steeg een bijna onzegbaar gesuis op, als uit een eindeloos groote schelp....
--Wat is het hier heerlijk stil na dat rumoer daarboven. Het is om te gaan dwepen! murmelde Lili in extaze.
--Ja, antwoordde Georges.
Zij was bijna over iets gestruikeld; hij had haar daarop gevraagd of zij zijn arm niet wilde nemen, en zij had dit gedaan. Het werd hem toen of hij haar veel te zeggen had, en alsof hij zich nooit zou kunnen uitdrukken zonder belachelijk te schijnen. En ook zij gevoelde een lieflijke behoefte zich geheel en al te uiten, te spreken over de zee en de lucht, die haar zoo schoon schenen, maar zij schaamde zich een weinig over de poëzie in haar hart, die te vreemd afstak bij de gewone banaliteit der kringen, waarin zij elkander steeds zagen. Zij was bang aanstellerig te schijnen en zij zweeg, en zij zwegen beiden, terwijl zij langzaam voortgingen, met het gesuis van de zee in hun ooren, en met een zelfde zacht wiegend gevoel in hun harten, dat zij beiden in elkander rieden, en dat hun stilzwijgen scheen te vullen met meer dan woorden.
Zij liepen langzaam voort, altijd voort, als verloren in hun eenzaamheid, met de rust van de zee als eene, nooit te bewegen, kalmte voor oogen.
En hij begreep, dat hij iets zeggen moest.
--Ik zou wel altijd zoo met je door kunnen wandelen, tot Katwijk toe! sprak hij en zijn schertsende toon verheelde een weinig, dat hij het meende.
Zij lachte; het was immers scherts.
--Dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat ik moê werd.
--Dan zou ik je dragen.
--Je zou niet kunnen, je zou bezwijken onder me.
--Heb je zoo een min idée van me, dan zal ik het je eens toonen.
--Maar Georges! Hoe durf je toch zoo brutaal zijn! Ik zal nog eindigen met me boos te maken, ten minste, als je niet dadelijk vergiffenis vraagt.
--Hoe moet ik dat dan doen? vroeg hij deemoedig.
Zij liet hem woord voor woord een lange tirade herhalen: Ik, Georges De Woude van Bergh, vraag nederig excuus aan... voor... en hij herhaalde elk woord, terwijl zij haar zin telkens meer uitspon, in het genoegen, waarmede de echo, die hij er van gaf, haar doortrilde.
Zij was ook niet zoo toornig, als zij wilde doen blijken; haarzelve scheen het toe, dat hun wandeling nooit zou eindigen, dat zij langs dien licht schuimenden zeezoom zouden gaan, tot zij nieuwe kimmen zouden zien opdagen.
--Kom, we moeten omkeeren! sprak hij eensklaps; we gaan te ver.
Zij keerden zich om, en verschrikten toen zij zagen, hoe ver het Kurhaus in de hoogte lag, in een rossen gloed van licht, maar in haar smolt die schrik eensklaps weg in een weekheid, een zachte onverschilligheid; wat gaf zij om hen daar boven: zij waren samen, aan de zee.
--Lili, heusch we moeten voortmaken, sprak hij, een weinig verlegen lachende. Je mama zal niet weten, waar we blijven! Nu was zij werkelijk gekrenkt, over zijn voortdrijven; hij voelde dan niet die weeke, die zachte onverschilligheid; hij voelde niet voor haar dat egoïsme, dat zij voor hem gevoelde; hij gevoelde niet, dat er niets bestond, niets dan zij beiden, aan den suizenden oever....
--Ik kan heusch zoo gauw niet door dat zand stappen! sprak zij een beetje geërgerd en zij klemde zich vaster aan zijn arm; maar hij bleef onverbiddelijk, en zeide, dat zij maar op hem steunen moest. Hij was toch eigenlijk verbazend koppig onder dat fijne waas zijner lieve galanterie!
--Maar Georges, ik kan niet meer, ik ben doodaf! hijgde zij boos, ofschoon de gewilde gramschap in haar stem versmolt tot een vleiend smeeken. Hij echter vloog schertsend de breede trap op, haar bijna medesleepend, en haar arm goed in den zijne sluitend, en zij moest toch eigenlijk lachen. Het was wel curieus, dat gevlieg in het donker....
Zij waren nu ook, kalmer, de trapjes van het terras opgegaan en terwijl Georges de kaarten zocht, sloeg Lili. een weinig het zand van den zoom van haar japon af....
De pauze was geëindigd, en het orkest klaterde de koperen fanfares van den marsch der Reine de Saba uit.... Er liepen nog wandelaars, maar het gedrang was zeer verminderd. Zij haastten zich, schijnbaar onverschillig, maar Lili met een kleur op de wangen, naar hun tafeltje toe. Mevrouw Verstraeten zat alleen met Marie en Frédérique; Otto en Eline waren weg.
--Groote goedheid, waar hebben jullie met elkaâr gezeten? riep Marie uit, terwijl Georges en Lili plaats namen op de stoelen, die ter bewaring met een paar mantels waren behangen geworden. Ik heb in dien tusschentijd met Paul gewandeld en Eline en Otto konden heusch niet langer op je stoelen blijven...
--We hebben bijna bovenmenschelijke pogingen gedaan, om ze te behouden, nietwaar mevrouw? voegde Frédérique er bij.
--Maar ik heb je niet voorbij zien komen, waar ben je dan toch geweest? vroeg mevrouw verwonderd. In de Conversatie-zaal naar het dansen gaan zien?
Georges vertelde van hun wandeling aan het strand en Lili bewonderde hem in stilte om den tact, waarmede hij haar moeder antwoordde.
V.
Henk en Vicent zaten alleen aan het tafeltje bij de Conversatie-zaal, daar Betsy met den jongen Hijdrecht in eene, bijna te bruyante, flirtation rondwandelde, en Eline en Otto een oogenblik bij mevrouw Eekhof waren gaan zitten, die zij viermalen zonder groet hadden voorbij gestevend zooals Ange beweerde.
--Ik was van middag half dood, van die warmte! mompelde Vincent.
--Ja, Eline kan er ook niet tegen, antwoordde Henk en dronk zijn Pilsener uit.
Vincent dronk niets; hij was eenigszins duizelig door dat eeuwig gedraai van al die menschen. Hij kwam zelden te Scheveningen: des morgens verging men er van de hitte, die het zand roosterde en des avonds was het hem te vermoeiend. Een enkelen keer ging hij; om er nu en dan eens geweest te zijn....
Hij had een vraag aan Henk op de lippen, een vraag, die hij bijna niet durfde doen, een vraag om geld. De tweede maal, dat Henk hem geld voorgeschoten had, was dit niet meer met de gewone, goede gulheid gedaan. Vere's eeuwigdurend geldgebrek begon Henk te vervelen.... het was altijd het zelfde liedje! Vincent had dit opgemerkt, maar toch, het kon niet anders, en hij bereidde zijn vraag voor met een inleiding, geuit op schijnbaar luchtigen toon.
--Ik denk, dat ik je nog deze week een deel van mijn schuld zal kunnen afdoen, Van Raat. Ik wacht geld. Alleen voor het oogenblik zit ik wat in verlegenheid.... Als ik niet al zoo dikwijls misbruik had gemaakt van je goedheid, zou ik nog eens je hulp durven inroepen, maar het zou indiscreet worden... Ik zal wel zien, dat ik deze week nog rondspring....
Henk antwoordde niet, maar sloeg met zijn stok een langzame maat: men speelde de ouverture van den Guillaume Tell.
--Het is vervelend, dat ik met die kinahistorie niet klaar ben gekomen! ging Vincent voort. Maar ik heb nu een brief gekregen van een vriend uit Amerika; hij is rijk en heeft veel relaties en zou in New-York aan een handelshuis eens voor mij rondzien.... Maar zie je.... op het oogenblik.... Zeg. Van Raat, je zou me toch een immens groot pleizier doen, als je me nog een vijftig gulden kon leenen....
Henk keerde zijn groot lichaam driftig naar Vincent toe.
--Zeg, Vere, komt er nog geen einde aan dat gezanik, hè? Ik moet het gul bekennen, dat het me razend begint te vervelen. Het is dan vijfhonderd gulden, dan honderd gulden, dan vijftig gulden.... Waar.... waar wacht je dan toch op? Wat denk je te doen? Als je toch geen cent in de wereld hebt, luibak dan zoo niet, maar zoek iets. Ik kan je toch niet onderhouden, hè....?
Vincent had, in een vaag voorgevoelen, een uitbarsting verwacht, en liet de korte zinnen, die Henk, met drift, log uitstootte, over zich neêrplompen zonder tegenspraak. Onder dit zwijgen werd Henk bijna verlegen en de klank zijner eigen stem bleef hemzelven ruw in de ooren hangen. Toch ging hij voort:
--Dàn leuter je over geld uit Brussel.... of uit Malaga, dàn moet het komen uit New-York.... Wanneer komt het dan? Je begrijpt, mij ruïneert het niet, als je me niet terug geeft wat je me schuldig bent, en ik val je er ook nooit lastig om, maar alles te zamen loopt het nu toch naar de tweeduizend gulden en het begint me de keel uit te hangen.... Blijf dan toch niet zoo ellendig hier in Den Haag lummelen, zoek dan toch iets....
Henks toon van drift vervloeide reeds eenigszins in een van goediger betuiging, maar Vincent bleef zwijgen, de oogen op de punten zijner schoenen gericht, die hij zachtjes met zijn rotting tikte, en Henk wist niet meer wat te zeggen.... En het was hem een verlichting, toen Vincent eindelijk mat het hoofd opbeurde en fluisterde:
--Het is zoo.... je hebt gelijk.... maar het is niet mijn schuld.... omstandigheden nietwaar....? Enfin, ik zal zien, wat ik doe.... neem me niet kwalijk, dat ik je lastig viel....
Hij hief zich langzaam op, terwijl Henk bij die onderworpenheid zocht naar een fraze....
--Nu adieu dan, tot weêrziens! sprak Vincent ten laatste met een flauw glimlachje en hij knikte Henk toe, zonder hem de hand te reiken. Adieu dan, ik moet weg.
Henk wilde zijn hand uitsteken, maar Vincent had zich reeds omgewend en Henk zag hem zich langzaam een weg banen door de menigte, terwijl hij een enkelen keer met een loom gebaar zijn hoed afnam.
Zeer ontevreden over zichzelven bleef Henk alleen aan het tafeltje.
Na een pooze kwamen echter Eline en Otto terug en beklaagden hem schertsend over zijn eenzaamheid. En ook Betsy werd weldra teruggeleid door Hijdrecht, die zij hartelijk lachend de hand drukte. Het was reeds laat; tal van menschen waren reeds vóor het laatste nummer vertrokken, en nu het concert uit was; vloeide de menigte langzaam door de Kurzaal weg. Zachtjes aan temperde de luidruchtigheid van die drukke atmosfeer vol muziek, gescherts, gasgloed en bonte kleuren zich tot een leegte en een rust, terwijl de lantaarns reeds hier en daar waren uitgedraaid, en slechts enkele groepjes bleven zitten, genietende van de zachte lucht, die ruimer werd, als doorgeurd met een zilte frischheid.... Men tuurde niet meer naar elkaâr, men zag naar de zee, naar de lucht en den bleeken melkweg...
--Het is hier heerlijk, willen we nog wat gaan zitten? vroeg Betsy.
--Laten we liever gaan toeren! drong Eline aan; tenminste als het je niet te laat wordt en je niet gelooft, dat de paarden moê zijn, Henk.
Betsy vond Eline excentriek om in den laten avond nog te willen toeren, maar toch lachte zusjes idée haar ook toe. En zij begaven zich naar de achterzijde van het Kurhaus, waar hun rijtuig wachtte, te midden van enkele andere equipages.
Eline vond, dat de wind was opgestoken en wilde vóor zitten, onder de half opgeslagen kap, naast Otto. Betsy beval Dirk door het Van Stolkpark naar huis te gaan.
Stil en schimachtig schemerden de villa's tusschen de vage, donkere massa's van het geboomte, waardoor een enkele zucht, slechts somwijlen hoorbaar, scheen te suizelen. Maar het getrappel der paarden en het lichte geratel der wielen over het grint bedekte dat hijgen der koelte in het loof met een luidruchtigheid, die geen woorden verbraken. Betsy lag gemakkelijk een weinig achterover en genoot. Henk was onder den onaangenamen druk van zijn gesprek met Vincent, dien hij meende leed gedaan te hebben, en Eline liet haar gedachte wegwiegelen in een zachtstreelende weelde. Zij had heur hoed afgezet en zij boog zich een weinig naar Otto toe en luisterde naar zijn ademhaling, die zich regelmatig uit zijn borst ophief. Hij, onzichtbaar in de schaduw der opgeheven kap, had zijn arm om haar middel gelegd, en haar een weinig naar zich toe getrokken, zoodat haar wang bijna op zijn schouder lag, terwijl haar hand over zijn knie hing. En zij was zeer gelukkig, en verlangde niets meer, dan zoo, in zijn arm, zich een nacht lang te laten voortrijden in de avondkoelte, onder het nauw bewogen looverdak. Zij kon zich niets voorstellen, dat zoeter zoude zijn, dan zoo tegen hem aan te leunen, het stijgen van zijn adem, die, bijna een kus, heure haren deed trillen, te bespieden en zijn arm als gordel van liefde om heur middel te voelen.
En overwonnen door haar weelde, liet zij haar hoofd ten laatste zinken op zijn schouder.
--Wat is de naam dien je verzonnen hebt? fluisterde zij eensklaps vragend aan zijn oor.
--Nily! fluisterde hij terug en terwijl zij zijn arm vaster haar leest voelde omvatten, herhaalden haar lippen bijna onhoorbaar den naam, die als een stille klank van liefkoozing haar geheel doorjubelde.
VI.
Mathilde Van Rijssel had aan het strand een tent gehuurd, en Jeanne Ferelijn gezegd, dat zij maar, zooveel zij wilde, met haar kinderen bij haar moest komen zitten. Jeanne had eerst, uit bescheidenheid, slechts een enkele maal aan dit verzoek voldaan, maar Mathilde drong aan en Jeanne kwam nu zeer dikwijls; soms spraken zij beiden af des morgens reeds te vertrekken en boterhammen meê te nemen,--de kinderen konden aan den wagen der melkinrichting melk drinken,--en zij zaten dan beiden in het opgeslagen zeil der tent, waarop de zon broeide, en die slechts voor een bewaarplaats van trommels en manteltjes werd gebezigd, en werkten of lazen of praatten, terwijl haar beider kinderen óf vóor de tent of in een grooten zandkuil met hun schopjes groeven óf dicht bij de zee, als kleine ingenieurs, de wonderlijkste aquaducten schiepen. En Jeanne meende, dat de hare flinker werden en minder zeurden, nu zij door de woelige Van Rijsseltjes speelsch en vroolijk werden gemaakt, en zij en Mathilde zagen met genot op het zevental neêr, dat als jonge honden van hun kuil naar hun waterleiding draafde. Vooral Jeanne had genoten van dat veelvoudig samenzijn met Mathilde, in wie zij een vriendin had gevonden, die haar beslommeringen begreep en die haar met de ondervinding eener treurigheid, waarin zij berustte, raad gaf en zij spraken veel over hun kinderen en hun huishoudelijke zaken en Jeanne vond Mathilde, al was deze dan ook steeds gewend geweest aan eene omgeving van groot comfort, zeer practisch en zuinig.
Maar niet lang duurde dit geluk aan het zonnige strand, want de Ferelijns moesten weldra vertrekken; zij zouden naar Boppard gaan, voor de koudwaterkuur van Frans, en Jeanne tobde en rekende het vermoedelijk totaal van hunne reis- en verblijfkosten uit. Hoe zouden zij het daar nog anderhalve maand kunnen rekken, met drie kinderen, terwijl zij haar bovenhuisje in de Hugo de Grootstraat toch niet konden opzeggen?
Mevrouw Van Erlevoort was met Otto en Eline, die de familie van haar aanstaande wilde gaan opzoeken, voor een paar dagen naar Zwolle geweest, en mevrouw was één en al verrukking over de kleine Van Stralenburg: een baby, zoo mollig en dik als er geen tweede was en met, o, zooveel donker, krullend haar! Zij was Otto dankbaar, dat deze den tocht naar Zwolle had doorgezet; naar de Horze ging ze iederen zomer, en de reis naar heur landgoed was haar zoo gewoon geworden, dat zij er nimmer bezwaren in zag, maar de minste andere verplaatsing uit haar tehuis deed haar pijn, als sleurde men er haar voor altijd van weg. Zij genoot wanneer zij weder terug was in haar ruim huis op het Voorhout, met zijn eenigszins ouderwetsche luxe, verwelkt en verkleurd, maar vol gemak en gezelligheid. Eline vond de Van Stralenburgen allerliefst; Suzanne een snoezig moedertje, niet mooi, nu en dan wat nonchalant gekleed, maar zóo eenvoudig en vriendelijk, en zóo dol op haar kleinen jongen, dat het heerlijk was om aan te zien; hij, een goede, grappige vent, maar tot in het dolle toe bedorven door zijn vrouw, die hem zóo bediende en zóo voor hem de trappen afdraafde, dat Eline het soms moest uitproesten van het lachen.... neen, zoo zou ze nooit voor Otto worden; daar moest hij maar niet op rekenen, hoor! Maar hoewel zij Otto hiervoor schertsend gewaarschuwd had, op den grond van heur hart had zij gevoeld, dat het zalig was, zich zoo geheel en al aan een man te wijden als Suzanne zich wijdde aan Van Stralenburg; zoo als een trouwe slavin in heur meester, in een man op te gaan, slechts voor hem te bestaan en geheel en al zijn eigendom te worden. Innig huiselijke voorstellingen van heur leven als Otto's vrouw, heur leven, dat komen zou, schiep zich dan heure fantazie, die steeds behoefte had te beelden en te boetseeren, en die zelfs in een overgelukkig heden niet kon nalaten de tooverbeelden van een nog gelukkiger toekomst op te roepen.
In deze stemming, die haar ziel als met idyllen vulde, zag zij ook in alles den weêrschijn van dat geluk, en de menschen harer omgeving schenen haar allen vriendelijk en liefderijk toe, nooit medegesleept in hartstochtelijke twisten, en levende voor elkaar, zonder een zweem van egoïsme. Scènes met Betsy schenen haar nooit meer te zullen voorkomen, nu dat zij haar zusters schamperen toon niet overnam, maar dien steeds beantwoordde met een stem vol milde zachtheid, als gedoogde de waardigheid van haar geluk niet, dat zij het ontroerde door een enkelen verstorenden klank. Hare zenuwen kwamen tot een groote kalmte en zij was zelve verwonderd over haar gelijkmatig, blijmoedig humeur, door geene periodieke buien van levensmoede melancholie verbroken. Er hingen geen grauwe en zwarte nevels om haar heen; het was als ademde haar verruimde boezem in een lichte atmosfeer, vol azuur, bloemengeur en zonnevonken....