Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 16

Chapter 163,957 wordsPublic domain

--O neen, ik heb geleden; er is een tijd geweest, dat ik gek dacht te zullen worden en God vloekte, maar dat leed is een lethargie geworden, dat is voorbij.... Ik denk er nooit aan, ik denk alleen aan mijn vier schatjes. En die gedachte vervult mij genoeg om geen levende mummie te worden.... Je weet, ik leer ze totnogtoe zelve, en toch wordt het al langzamerhand voor Tina en Jo tijd om naar school te gaan. Otto zegt dat ten minste wel eens, maar ik zou ze te zeer missen, en mama is natuurlijk op mijn hand.... Lievelingen!

Misschien verbeeldde zij het zich, maar Jeanne meende door die doffe berusting een onderdrukten, bitteren toon te hooren doorklinken, en zij kon niet nalaten Mathilde's hand te nemen en medelijdend te fluisteren:

--Arme meid!

--Ja, jij... zeker, je bent rijker dan ik, je hebt je kinderen en je hebt je man! antwoordde Mathilde met een treurigen glimlach, terwijl haar oogen zich met tranen vulden; en al heb je natuurlijk verdriet en akeligheid op je tijd, je hebt meer... meer dan ik... Laat dat je troost zijn, denk in een treurige bui maar aan mij, denk er aan, dat ik je nog zou kunnen benijden, als... als alles niet dood in mij was, behalve dat eene.

--Mathilde! O, hoe kan je zoo spreken! Het doet me pijn....

--Dat moet het toch niet, want mij doet het geen pijn meer... Het is alleen maar zoo een flauwe herinnering van iets wat geweest is, weet je... Verder niets... Maar toch is het beter er over te zwijgen: die herinnering op te rakelen doet me geen goed, al ben ik bijna een mummie...

--O Mathilde, hoe is het je mogelijk dat altijd te verkroppen: ik, ik zou niet kunnen, ik zou moeten uitspreken wat me zoo ongelukkig ...

--Neen, neen, Jeanne! O, waarlijk neen, nooit meer! Spreek daar ook nooit meer over... ik... ik voel... me anders... herleven!... Ik bid je... nooit... nooit meer...

Zij leunde achterover tegen de bank en enkele tranen drupten van haar wimpers, terwijl zij, wasbleek in haar zwarte kleeding, een beeld geleek van oneindige, bovenmenschelijke smart...

Zij wilde niet meer herleven, zij wilde dood zijn...

IV.

Jeanne wenschte gaarne niet al te laat thuis te komen, opdat zij de kinderen en Frans vóor mocht zijn. Zij gingen dus terug.

--En ik heb je nu zeker treurig gemaakt, terwijl ik je had willen opfrisschen met een prettige wandeling? vroeg Mathilde glimlachend. Dat komt van al die filozofie, vergeef het me maar....

Jeanne vond niets te zeggen en knikte haar even vriendelijk ontkennend toe, als wilde zij daardoor te kennen geven, dat zij waarlijk niet treurig was. En in het binnenste van heur hart moest zij het zich ook bekennen; hoe diep Mathilde's stille wanhoop haar ook in het eerst bedroefd had, nu deze zelve weer haar gewonen schijn van berusting had aangenomen, vervloeide dat medelijden voor haar vriendin in een gevoel van kalmte en rust, wat haar eigen kleine ellenden betrof: bij die eene groote, zich steeds opkroppende, smart leken haar deze nietig en onbeduidend toe, licht te torsen lasten des levens, terwijl zij onder Mathilde's leed verpletterd zou zijn neergezonken. Zij gevoelde een wroeging, dat zij ondankbaar was voor al het goede, dat haar geschonken was en haar behouden bleef, een wroeging, dat zij wel eens, o, altijd in stilte! zoo rampzalig durfde zijn over haar noodlot, terwijl toch zooveel verdriet haar bespaard was geworden! Frans, hij mocht zijn fouten hebben, hij mocht driftig en onaardig zijn, als hij ziek was, toch had hij haar lief, en was hij steeds, na een pooze nadenkens, bereid om zijn ongelijk te bekennen; toch stelde hij haar op prijs. En in die zoete gedachte, welke haar fier maakte, was het haar niet meer mogelijk treurig te zijn uit medelijden; alleen vond zij er zich egoïst om, maar ach! ze gevoelde zoo zelden zulk een zalige fierheid haar kleine ziel doortrillen; zou het dan slecht zijn, een weinig egoïst te genieten, voor een kort oogenblik?

Mathilde bracht haar weder thuis en Jeanne verlangde, alleen gebleven, vol opgewektheid naar de kinderen. Zij kwamen weldra, frisch van de buitenlucht, en zij omhelsde hen bijna onstuimig en liet hen vertellen waar zij geweest waren, wat zij gedaan hadden. En toen haar Dora wat zeurde, maakte zij het zwakke poppetje met allerlei gekheid aan het lachen; het leven scheen nu zoo somber niet, of zij kon vroolijk zijn.

Hoofdstuk XVII.

I.

Lili zat in den salon te lezen, toen Frédérique binnen kwam. Zij had eenige visites gemaakt en zij eindigde nu haren middag bij de Verstraetens.

--Is Marie uit? vroeg Freddy.

--Neen, antwoordde Lili; wij zijn uit geweest. Marie is nog boven.

--Wat doet Marie daar toch? hernam Frédérique met eenige bevreemding. Wat voert ze tegenwoordig toch altijd boven uit? Wanneer ik hier ook kom, zit ze boven. Jullie hebben toch niet gekibbeld?

--O, neen, volstrekt niet! antwoordde Lili. Marie teekent, geloof ik, of dikwijls zit ze ook te schrijven.

--Te schrijven, een brief?

--Ach, neen... een novelle, of zoo iets... maar je moet er maar niet over spreken, misschien wil ze het niet weten.

--Vindt je Marie niet veranderd? vroeg ze daarop.

--Veranderd? Marie? Neen, ik heb niets gemerkt. Waarom zeg je dat?

--Ach, nergens, om; ik dacht alleen: Marie heeft het tegenwoordig altijd zoo druk; dan dit, dan dat.

--Maar dat heeft ze toch altijd gehad; ze zoekt zich altijd te occupeeren, net als Jan; papa zegt, dat ik alleen de luie van de familie ben....

Frédérique zweeg, maar in zichzelve verbaasde ze zich, dat Lili niet opgemerkt had, hoe Marie in den laatsten tijd iets nerveus kreeg, dat afstak bij haar vroegere gezonde beweeglijkheid. Intusschen, misschien verbeeldde zij het zich slechts, dacht zij, in haar meening een weinig aan het wankelen gebracht door Lili's verwondering over haar vraag.

--Je weet, we gaan van avond naar de Oudendijken, zeide zij, om over iets anders te spreken.

--Het is waar, je vertelde verleden, dat je er geïnviteerd was.... Je gaat dus weêr meer uit? Je bent immers een tijdje blasée geweest, niet waar; ten minste je werd altijd onwel na een invitatie? schertste Lili.

--Ach, ik had ook verdriet! antwoordde Frédérique ronduit. Het was.... je weet wel.... om die dwaasheid van Otto... Maar nu er niets meer aan te doen is, wasch ik mijn handen in onschuld... Hij is wijs genoeg, nietwaar... Ik heb ten minste geen lust mij te verkniezen, omdat...

Zij voltooide niet, en haar oogen werden vochtig terwijl een trek van spijt zich trotsch om haar lippen groefde.

--Maar Freddy, betuigde Lili zacht. Hij kent haar toch zoo lang, al den tijd, dat zij bij de Van Raats inwoont, en als hij nu van haar houdt...

--O, ik wensch niets liever, dan dat alles goed gaat en dat ze gelukkig worden. Maar ik kan Eline nu eenmaal niet uitstaan. Natuurlijk, ik doe me nu geweld aan, ik ben nu lief tegen haar, maar je weet, ik kan me zoo moeilijk anders voordoen dan ik ben... Ach toe, laten we over iets anders spreken; er is niets aan te doen en ik denk er liefst zoo min mogelijk over... Willen we naar boven gaan, naar Marie?

Lili vond het goed en zij gingen. In de zitkamer der beide zusters zat Marie voor een kleine schrijftafel; een paar bladen lagen beschreven voor haar, maar zij leunde met het hoofd in de hand en haar pen trok op een blank vel papier, als in verstrooiing, rechte schrapjes dwars door elkaâr. Zij schrikte op, toen Freddy en Lili binnenkwamen.

--We komen je verrassen te midden van je drukke bezigheden! begon Freddy te schertsen. Ten minste, als je ons niet liever kwijt bent...

--Wel neen!... Je weet wel beter, nietwaar... Die Lili is ook zoo ongezellig om alleen beneden te gaan zitten...

Lili antwoordde niet; het was immers niet haar beider gewoonte des namiddags op haar kamer te blijven, en Marie zelve was ongezellig dit te doen....

--Is het een geheim wat je schrijft? vroeg Freddy met een blik naar de beschreven vellen.

--O neen! antwoordde Marie schijnbaar achteloos. Ik was al vroeger iets begonnen.... een soort dagboek, een beschrijving van onze reis in Thüringen en het Schwarzwald, van verleden jaar, en ik wou er een schets, iets romantisch van maken, maar het verveelt me... Ik begrijp eigenlijk niet, hoe ik er toe gekomen ben, voegde zij er zacht bij. Het is niets voor mij om te willen gaan schrijven, vindt je wel...?

--Dat weet ik niet! sprak Freddy bemoedigend. Lees er ons iets van voor.

--Verbeeld je! Je te vervelen met mijn schoolmeisjes-stijl! Pas si bête, hoor, riep Marie lachend. Ach, een mensch moet iets uitvoeren; ik verveel me; toen ben ik gaan schrijven, net als Lili is gaan lezen... Weet je wat, Frédérique! vervolgde zij, terwijl zij hare vriendin ernstig-komisch aanzag: ik vind, dat we zoo oud worden! Oud, weet je, bepaald oud, we worden vervelend... Weet je wel, dat we zeker in geen twee maanden zoo hebben gelachen, als we vroeger wel eens deden?

--Met Paul of Etienne! voegde Lili er bij, terwijl zij glimlachte bij de herinnering.

--Met ze of zonder ze! Wij amuzeerden ons ook zonder die jongens, onder ons meisjes! Maar nu... ik weet niet hoe jij er over denkt, maar ik vind ons criant vervelend! We krijgen onze beslommeringen... Jij hebt een tijdlang onder den druk van een antipathie tegen Eline rondgewandeld... Lili zegt geen woord tegenwoordig, maar rêvasseert den heelen dag of vertelt me poëtische droomen, en ik... ik ga van verveling schrijven over blauwe bergen en wazige verschieten....

--Wat zal daar het einde van wezen! lachte Freddy. Ik zie de toekomst duister in, vooral voor jou. Achter de blauwe bergen en die wazige verschieten schuilt iets, wed ik...

--Schuilt iets?.... herhaalde Marie. O neen, niets, volstrekt niets.

Frédérique meende een traan te zien glijden tusschen Marie's vingers, die zij voor de oogen hield. Lili was in een boekenkastje aandachtig eenige deeltjes aan het ordenen....

--Marie! fluisterde Frédérique zacht... Toe zeg me: is er iets, kan ik iets voor je doen, vertel het me dan... Ik zie toch wel, dat je over iets verdriet hebt; waarom schroef je je dan op?

Marie stond op en wendde het gelaat af...

--Ach, wel neen, Freddy, verbeeld je toch niet zoo iets! Je wordt net zoo romanesk als Lili... Ik heb niets... Ik verveel me alleen, ik verlang naar vroolijkheid... Zoo, dag Janneman!...

Janbroêr was binnengekomen, eenigszins verbaasd.

--Wat zitten jullie hier met je drieën te koekeloeren? Zeker over heeren te praten! riep hij met eene luidruchtige, brutale stem.

--Heb je ooit zoo een wijsheid gehoord! antwoordde Marie en sloeg haar handen in elkaâr. Dat is je ingeboren mannelijke ijdelheid, die je dat laat zeggen, al ben je zelf nog maar een kwajongen... Wacht, ik zal je leeren...

Zij liep hem om de tafel na, terwijl hij behendig en met haar spottende, een paar malen over een stoel wipte dien hij haar vlug voor de voeten zette.... Freddy en Lili schaterden om hun beider, komieke zwenkingen rondom de tafel en de stoelen.... Plotseling stormde hij weg en zij achtervolgde hem.

--Die Marie! riep Freddy en zij verwonderde zich. Zij begreep niet. Na een pooze kwam Marie terug, ademloos...

--Heb je hem gepakt? vroeg Lili.

--Natuurlijk niet! antwoordde zij. Die jongen is als een geit zoo vlug.... Hup.... hup.... hup... hij vliegt over alles heen! Hé, heerlijk zoo eens te rennen.... Ik wou dat ik een jongen was.

Toen Frédérique wegging, vergezelde Lili haar de trap af; Marie zou dadelijk beneden komen....

Maar zij toefde even aan het venster en keek uit.... In de schemering, die als een doorzichtige, als een aschkleurige mist, neêrzonk, lag het Kanaal groen en stil onder het vage loovernet der boomenrij. Daarachter dommelde de Maliebaan weg, uitgewischt in schaduw, met een vochtig gaas van grijzen dauw, recht oprijzende in hare vlakte.

Marie zag uit en ze zuchtte. Zij zou dat gevoel, die wreede spijt uit haar hart wegspotten, zooals zij nu gedaan had. Zij werd oud, bepaald oud, ze werd vervelend, ze kreeg hare beslommeringen. Onmeêdoogend voor zichzelve, zou zij dien bloesem harer ziel verdrukken, altijd afweren. Het was zelfkwelling, maar het moest.

En nu zij in dien droefgeestigen dauw, ginds over de vlakte stijgend, zich moê staarde, rees voor haar vochtig oog een dierbaar gelaat op, een flinke kop, met een oprechte hartelijkheid in een paar trouwe oogen en stralend van een innemenden lach, maar niet haar, Eline straalde die lach toe.

II.

De trammen van den Ouden Scheveningschen weg naar het Kurhaus waren stampvol. Zij werden op de halte Anna Paulownastraat--Laan Copes van Cattenburg bestormd door een wachtende menigte, die, in een oogwenk, de wagens gevuld en de perrons overladen had of de imperiale was opgeklommen. Men verdrong elkander, zeer ernstig van gelaat, zelfs ter wille van het kleinste staanplaatsje, onbarmhartig voor wanhopige lotgenooten, onder wie vele dames, met een overspannen zenuwachtigheid en een bont gefladder van lichte toiletten den tram omliepen, turende door de glazen of zij wellicht nog een zweem van een open plekje bespeurden. De conducteurs belden; zij riepen driftig tot de achtergeblevenen die wenkten, en daarop dadelijk den anderen kant uitzagen, naar de, nog onzichtbare, volgende tram; want ach, de paarden zetten zich reeds in beweging en de ernstige gezichten van hen, die nu blijde op elkaâr gepakt zaten, glansden van gelukzaligheid, na de overwinning.

--Wat een foule! Het is vreeselijk! zeide Eline, met een rustig glimlachje op het gewoel neêrblikkend.

Zij zat naast Betsy in den open landauer, met Henk en Otto tegenover haar. Dirk, de koetsier, was een oogenblik genoodzaakt geweest even stil te blijven staan, maar nu kwam er opnieuw vlugger beweging in de file van equipages op den rijweg. Het palfreniertje, Herman, zat met gekruiste armen, als gegoten in zijn lichtgrijze livrei met schitterende knoopen, onbeweeglijk en recht, de lippen bijna aanmatigend op elkaâr gedrukt.

--Het zal stampvol zijn! meende Betsy. Maar het is natuurlijk buiten, we behoeven dus niet bang te zijn voor een plaats....

Er woei geen zuchtje door het dichte bladerweefsel, en, na een dag van straffe, broeiende zonnehitte, scheen er bij het eerste waas van schemering nog een looden zwaarte in de lucht te blijven hangen. Eline, een weinig afgemat door die warmte, welke haar zeer bleek maakte, leunde achterover, en sprak weinig; alleen blikte zij Otto een enkele maal tusschen hare kwijnende wimpers toe met een schalke coquetterie, vol geluk. Betsy sprak voortdurend tegen van Erlevoort, daar Henk ook niet spraakzaam was; hij overwoog namelijk bij zichzelven of het niet gezelliger zou geweest zijn, thuis in den tuin thee te drinken, dan zoo dadelijk na den eten naar Scheveningen te moeten oprukken.

Betsy intusschen, zeer gezond en opgeruimd, genoot van de lauwe lucht, waarin zij behagelijk ademde; genoot van hare zachte gebombeerde kussens, van geheel haar weelderige equipage, die zoo keurig uitblonk boven andere eigen rijtuigen, genoot zelfs van Hermans onberispelijke houding en van de zilveren initialen op de van den bok afhangende dekken. Zij was tevreden over zichzelve, over de luxe, die zij, al toerende, ten toon spreidde, tevreden over haar gezelschap. Eline was zoo beeldig mooi, net een poppetje: haar toilet van lichtgrijs étamine was bijna opvallend eenvoudig, terwijl de brides van het capothoedje haar gelaat in een zijden lijst hielden omvat.... Erlevoort zag er flink uit en zoo gedistingueerd: Henk zoo gezellig dik, zoo goed doorvoed.... haar man was toch nog zoo kwaad niet, ze had slechter kunnen treffen.

En zij groette hare kennissen, terwijl Dirk hunne equipages voorbijreed, met allerinnemendste hartelijkheid: zij wilde vooral niet trotsch schijnen, al vlogen hare mooie vossen ook nog zoo hard.

--O, heerlijk, de lucht wordt frisscher, ik voel me bepaald herleven! murmelde Eline, zich, diep ademend, oprichtende, toen zij de Promenade voorbij waren. Ik heb heusch behoefte aan frissche lucht na zoo een temperatuur als van middag.

--Ach kom, kind, het was delicieus! beweerde Betsy op een toon van tegenspraak. Ik teeken er voor altijd zulk weêr te hebben,

--Nu, ik zou binnen een maand dood zijn... Zeg Otto, je lacht, zeg eens eerlijk, denk je nu, dat ik me aanstel, of geloof je waarlijk dat ik niet tegen die warmte kan....

--Maar Elly, natuurlijk geloof ik je!

Zij keek hem opeens gemaakt boos aan en schudde verwijtend met heur kopje.

--Alweêr Elly, fluisterde zij.

--O ja.... hoe dom van me; nu, ik geloof wel, dat ik iets weet! fluisterde hij verrukt terug.

--Wat conspireeren jullie toch? vroeg Henk nieuwsgierig.

--Niets, nietwaar, Otto.... een geheimpje tusschen ons alleen.... cht! zeide zij en hield zich den wijsvinger voor den mond, genietende in hun mysterie.

Zij wilde namelijk niet, dat Otto haar noemde bij den verkleinnaam waarmede iedereen haar mocht noemen.... Hij moest er een uitvinden voor hem alleen, een, die niet afgesleten was op aller lippen, een, die nieuw was en frisch.... hij vond haar toch niet erg kinderachtig, wel? En hij had zich uitgeput met te verzinnen, maar zij was niet tevreden geweest met wat hij verzonnen had... hij moest nog maar eens zoeken.... nu, scheen hij dat gevonden te hebben?

--Ik ben heusch nieuwsgierig? fluisterde zij weêr, glimlachend.

--Straks! fluisterde hij terug en zij glimlachten beiden.

--Zeg eens, ik heb je totnogtoe altijd minder vervelend gevonden dan de meeste geëngageerde menschen, maar begin nu ook niet met zulke onuitstaanbaarheden! riep Betsy, verontwaardigd, maar toch niet erg boos.

--Nu, jij vroeger met Henk! schertste Eline, nietwaar, Henk?

--Nou, of! antwoordde Henk en lachte haar vroolijk toe, terwijl zij bij de gedachte aan de verloving harer zuster, thans jaren geleden, een uitgewischte herinnering voelde oprijzen van hare toenmalige gevoelens, als van iets, dat zeer ver en zeer zonderling was.

Maar zij waren reeds langs de villa's van den Badhuisweg, voorbij de Galerie, langs de achterzijde van het Kurhaus omgereden en zij hielden voor de trappen van het terras, aan den zeekant op.

III.

Om een tafeltje, dicht bij de muziektent, zaten de Eekhofs en de Hijdrechten, toen Betsy, Eline, Otto en Henk door het tourniquet, dat de controleur draaien deed, éen voor éen uitkwamen, terwijl Henk de kaarten toonde. Zij echter zagen hun kennissen niet en wandelden verder, terwijl Otto zijn hand op Eline's arm deed rusten.

--Kijk, daar heb je de Van Raats en freule Vere met Erlevoort! zeide de jonge Hijdrecht. Ze komen hier tegenwoordig iederen avond.

--Wat kleedt Eline zich tegenwoordig bespottelijk eenvoudig! merkt Léonie aan. Waarvoor dient dat nu? Niets dan aanstellerij. En verbeeld je... een capotje! Ieder geëngageerd meisje meent dadelijk, dat ze een capotje op moet zetten... Ridicuul!

--Het is toch een paar, waar je gaarne naar kijkt! meende mevrouw Eekhof. Je hoort wel van onverstandiger engagementen.

--Ze loopen ten minste fatsoenlijk met elkaâr, zeide Ange. Soms zie je er, die bespottelijk zijn; bij voorbeeld: Marguerite Van Laren, die altijd de pluisjes van de jas van haar aanstaande wegplukt... weet je nog, hoe we verleden gelachen hebben, Hijdrecht?

Betsy intusschen, rechts en links groetende, had verklaard, dat zij goed zouden doen, niet langer te wandelen en naar een tafeltje om te zien; het was zeer vol.

Gelukkig, buiten zat men overal prettig, zelfs was het te verkiezen ver van de tent te zitten; anders verging men van het lawaai... Zij zetten zich dus een weinig terzijde, aan den kant der Conversatiezaal, waar nog tal van tafeltjes onbezet waren, toch vóor aan het wandelpad, zoodat zij de menigte wandelaars konden zien en door dezen gezien worden.

Het was dus een gewissel van groeten en knikjes en Betsy en Eline vermaakten zich soms fluisterend met een scherpe critiek over een bespottelijk toilet of een ridiculen hoed. Eline zelf was zeer tevreden over den eenvoud, waarmede zij zich sedert haar engagement kleedde: een eenvoud, die zeer elegant, zeer cossu en zeer overdacht bleef, maar die toch in te groot contrast was met haar gewone weelderigheid, om niet sterk in het oog te vallen. Zij vond, dat die eenvoud haar lieftallige schoonheid als met plastischer lijnen deed uitkomen en hare ranke gestalte als in het marmer van een beeld modelleerde; zij vond, dat haar vroegere wuftheid er met een waas van gracieusen ernst door gesluierd werd, een ernst, die Otto's ingeschapen eenvoud zeker aantrekkelijk moest zijn.

Zij was nu zoo en niet anders; zij gevoelde het, dat zij moeilijk zichzelve kon zijn, dat het haar integendeel gemakkelijker was, zich steeds in de eene of andere rol te denken; nu de rol der eenigszins pozeerende, maar altijd bevallige en overgelukkige aanstaande van een degelijken, jongen man, iemand uit haar eigen wereld, en dien men algemeen mocht om zijne, hemzelve onbewuste, innemendheid. En overgelukkig--zij gevoelde dat tevens, met al de zaligheid van het gestild verlangen in haar hart, dat naar geluk gesmacht had--zij was het in de rust, die haar zijne groote, kalme liefde, welke zij meer ried dan begreep, geschonken had; zij was het in de blauwe stilte van dat meer, dat Nirwana, waarin hare, door fantazieën vermoeide, ziel gegleden was als in een donzen bed, en zij was daarin zóó gelukkig, zóó tot in hare fijnste zenuwen, welke waren als losgespannen snaren, dat zij vaak, onverwachts, een traan in haar oog voelde opwellen van innige dankbaarheid.

De stroom van wandelaars draaide zonder ophouden voor haar blikken voort, en het duizelde haar een weinig, zoodat zij een enkele maal niet teruggroette.

--Eline, waarom groet je niet....? Zie dan toch, mevrouw Van der Stoor en Cateautje! fluisterde Betsy berispend.

Eline zocht met haar blik en knikte zoo lief mogelijk, toen Vincent Vere en Paul Van Raat hen kwamen aanspreken. Zij bleven staan, leunende op hunne stokken, daar er geene stoelen in den omtrek te zien waren.

--Willen jullie een oogenblik gaan zitten, ten minste als Eline wat wil loopen? vroeg Otto en hief zich half op.

Eline vond zijn plan uitmuntend. Henk en Betsy bleven nu niet alleen, en terwijl Vincent en Paul hunne stoelen innamen, wandelden zij langzaam voort in den stroom der anderen. Zij naderden de muziektent en de hooge vioolpassages van Lohengrins Vorspiel zwollen als stralen van kristal voller en voller op.... Een groep van aandachtige muziekliefhebbers had zich in een halven cirkel om de tent geschaard, en tuurde den kapelmeester, die met het langzaam zwaaien van zijn staf den stroom van melodie beheerschte, op den rug. Otto wilde Eline laten voorgaan in den nauwen doorgang tusschen de bezette stoelen der verandah en den halven cirkel der staande toehoorders, maar zij wendde zich om en fluisterde:

--Even luisteren, wil je?

Hij knikte en zij bleven staan. En zij genoot in haar kalme stemming van de statige zwelling dier tonenmassa's. Het was haar, als vloeiden daar geen klanken, maar de blauwe wateren van haar meer, rimpelloos als de vloed, waarop Lohengrins kaan was voortgegleden, en zij zag zwanen, statig en schoon...

Bij het zwaarste fortissimo haalde zij diep adem en toen de glazen toondraden der violen dunner en dunner uitsponnen, dreven ook de zwanen weg, statig en schoon....

Een applaus weêrklonk, de halve cirkel der toehoorders verbrak zich.

--Mooi.... zoo mooi! murmelde Eline als in een droom. En zalig voelde zij Otto's hand haar arm zoeken.... o, zij leefde zoo zoet....

--Vindt je het niet dwaas .... ik voel me altijd zoo .... beter dan anders, als ik mooie muziek hoor; ik krijg dan bijna een gevoel of ik je toch wel een beetje waard ben, lispelde zij bijna aan zijn oor, onhoorbaar voor wie hen omringden. Het is misschien wel pedant van me, maar ik kan het toch heusch niet helpen.

Zij zag hem glimlachend, maar bijna angstig aan, in spanning voor wat hij zou antwoorden: zij gevoelde dikwijls, voor wat hij van haar denken zou, een lichte vrees, als zou zij hem kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, want zij begreep nog niet, hoe hij haar liefhad, waarom hij haar liefhad....