Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 15

Chapter 153,964 wordsPublic domain

Zijn scherts was haar een wanklank. In de, haar ongewoon ernstige, stemming, waarin zij onwillekeurig door haar gedachten was gekomen, scheen de herinnering aan die pooze van wuftheid haar een echo van vervlogen wenschen toe. Neen, zij wenschte zich aan geen berispelijke onzinnigheden toe te geven; zij wilde verstandig zijn als Otto was. Berispelijk onzinnig: haar teleurgestelde liefde, zoo zij dien naam aan haar dwaasheid mocht geven, was het al geweest; zij wilde zich voortaan niet meer zoo laten medesleepen.

En zij drong in haar hart de bittere spijt terug, die er als een adder den kop scheen op te beuren.

Terwijl zij nauwelijks woorden vond om Vincent met een luchtige fraze te kunnen antwoorden, omving haar eensklaps een plotselinge schrik. Het was een gedachte, die nieuw bij haar oprees. Neen, er was geen terugdeinzen meer mogelijk. Otto, Betsy, moesten verwachten, dat zij zoude aannemen, Zou zij anders hem met de intieme invitatie haar wensch te kennen hebben gegeven, dat zij hem wilde zien? Zou zij hem anders niet geschreven hebben? Het was beslist, het kon niet anders en een groote rust verspreidde zich, na haar plotselingen schrik, door haar geheele wezen.

--Maar lieve meid, ik geloof, je lijdt aan distracties! riep Vincent lachend uit. Hij had haar gevraagd, waarom Georges De Woude er niet was en zij had kwijnend gelispeld:

--O ja, dat is wel zoo....

Ze lachte nu zelve, zij werd nu weêr zichzelve in de zaligheid van die rust. Zij ging zitten.

--Neem me niet kwalijk; ik heb wat.... en ze bracht de hand aan de lokjes op haar voorhoofd.

--O, zeker hoofdpijn. Ik ken dat! viel hij ironiek haar in de rede en zag haar onderzoekend aan. Ik geloof, dat het een familiekwaal bij ons is; we hebben dikwijls hoofdpijn.

Verschrikt hief zij haar blik naar hem op. Hij kon toch niets weten?

--Ik heb ook hoofdpijn gekregen onder het spelen, onder dat gerammel aan die piano. Het was, alsof ik er allerlei schelle kleuren zag, groen, geel, oranje. Als die kleine, vroolijke meid daar zingt, Léonie, geloof ik, zie ik altijd oranje.

--En als ik zing? vroeg zij coquet.

--O, dan is het heel iets anders, hernam hij ernstig. Dan zie ik altijd een harmonieuzen climax van zeer licht roze tot purper toe, en alles smelt zacht in elkaâr. Je lage tonen zijn roze, je hooge purper, en schitterend. Als Paul zingt wordt het me grijs, soms iets van violet.

Zij begon zeer vroolijk te lachen, en Paul, die hem gehoord had, ook.

--Maar Vincent, dat zijn vizioenen van een overspannen fantazie.

--Misschien wel. Soms is het toch iets heel moois. Heb je het nooit gehad?

Zij dacht even na, terwijl Ange en Etienne, die het laatste van hun gesprek gehoord hadden, naderbij kwamen en luisterden, evenals Paul.

--Neen, ik geloof het niet.

--Heb je ook niet, dat sommige tonen de gedachte aan een geur bij je opwekken, bij voorbeeld opoponax of réséda? Orgeltonen zijn net als wierook. Als je die scènes van Beethoven zingt: Ah, Perfido! dan ruik ik altijd verveine, vooral bij een der laatste hooge passages. Als je het eens later zingt, zal ik je zeggen wanneer.

Ange schaterde.

--Maar, meneer Vere, hoe heerlijk zoo geparfumeerd te zijn!

Allen lachten meê en Vincent scheen ook zeer opgewekt.

--Het is toch waar, parole d'honneur.

--Neen, ik heb wel, dat sommige menschen me aan beesten laten denken, fluisterde Etienne. Henk bij voorbeeld, laat me aan een grooten hond denken, Betsy aan een kip, mevrouw Van der Stoor aan een krab.

Men gierde het uit: Otto, Emilie en Léonie stonden op en kwamen naderbij.

--Wat is dat toch voor een vroolijkheid? vroeg Emilie nieuwsgierig.

--Mevrouw Van der Stoor is een krab! gilde Ange met tranen in de oogen van het lachen.

--En zeg eens, Eetje, waar laat ik je dan aan denken? vroeg Léonie met glanzende oogen, nadat Eline haar op de hoogte van het gesprek had gebracht.

--O, jij en Ange zijn net twee kleine puckjes, roaff, roaff! riep Etienne uit en blafte. Freule De Woude met haar onderkin is een kalkoen! fluisterde hij, overmoedig door zijn succes, Ange in, die bijna stikte. Juffrouw Frantzen is ook een kalkoen, in een ander genre. Willem, onze knecht, is een deftige ooievaar en Dien, de keukenmeid van de Verstraetens, een kakatoe.

--Het is een menagerie, een arke Noachs! gierde Léonie.

--En Eline! vroeg Paul ten laatste.

--O, Eline! herhaalde Etienne en dacht na. Soms.... een pauw, soms.... een slang, op het oogenblik.... een duifje.

Men schudde het hoofd over den dollen jongen, maar men bleef vroolijk lachen, zeer vroolijk.

VI.

--Etienne is altijd opgeruimd, sprak Eline tot Otto, nadat men zich verspreid had en zij knikte mevrouw Van Raat, die Emilie haar plaats aan de speeltafel had afgestaan, vriendelijk toe. Vincent werd intusschen zeer geplaagd door de Eekhofjes, die hem vroegen of hij een parfumeriewinkel ging opzetten.

--O ja! antwoordde Otto. Hij heeft ook geen reden anders te zijn, niet waar? Hij heeft alles wat hij verlangt.

Er klonk iets weemoedigs in die woorden, als was dit met hem, Otto, niet het geval, en het was Eline onmogelijk hem nog iets te antwoorden. Een pooze bleven zij zwijgend naast elkaâr staan, terwijl haar bevende hand in de pluimen van den Makart-bouquet woelde, en zij gevoelde haar gedachten opnieuw wiegelen.

--Heb je niets te zeggen? fluisterde hij ten laatste zacht, maar zonder eenig verwijt.

Zij haalde diep adem.

--Waarlijk, ach... ik... ik kan nog niet, vergeef me, maar heusch... later, later.

--Goed later, ik heb geduld, zoolang ik het nog mag hebben, sprak hij, en zijn kalme toon stilde dat gewiegel in haar hersenen. Toch, zij kon niet meer weigeren, maar zij kon zich ook niet uitspreken.

En zij bewonderde nu ook zijn tact vol eenvoud, terwijl hij met haar voortsprak over zaken, die hun op dat oogenblik geen van beiden veel belang inboezemden. Die eenvoud was zijn grootste bekoring, voor iedereen; hij was zoo geheel en al die hij was, dat het scheen alsof er achter zijn oprechtheid niet het minste school, dat hij behoefde te verbergen. Terwijl hij praatte scheen hij noch haar, noch zichzelven wijs te willen maken dat dit gesprek belangrijk was; scheen hij het alleen voort te zetten, omdat hij gaarne bij haar was, gaarne naast haar stond, en dat zij iets tegen elkander moesten zeggen. Het klonk haar zoo duidelijk uit de volle diepte zijner stem; hij dacht aan iets anders en hij poogde dit niet te verhelen. En voor het eerst gevoelde zij nu voor hem iets als medelijden; gevoelde zij, dat zij wreed was, en dat hij moest lijden, en deze erbarming wekte opnieuw de smeltende weekheid in haar op, die zij niet begreep.

Gerard ging rond met een zilveren blad vol glazen, wijn en sorbets, daarna met twee groote porseleinen schulpen vol gebakjes.

--Wil u een sorbet, mevrouw, en een taartje? vroeg Eline aan mevrouw Van Raat, wat verlaten op de canapé, nu en dan glimlachend tegen het vroolijke troepje der jongelui, die elkaâr kaart legden.

--Wacht! vervolgde zij tot Otto; mevrouwtje zit daar zoo alleen, ik ga haar wat gezelschap houden.

Hij knikte haar vriendelijk toe en ging hooren naar de horoscoop, die Ange voor Paul trok.

Eline wenkte Gerard en zij nam een sorbet, legde een taartje op een schoteltje, en bood het mevrouw Van Raat. Daarna zette zij zich naast de oude vrouw neêr en vatte haar hand.

Mevrouw Van Raat roerde echter de ververschingen niet aan, maar zag tot Eline op, recht in heur oogen.

--Nu, hoe is het? vroeg mevrouw.

Eline kon in heur smeltende weekheid niet geërgerd worden over de onbescheidenheid. En zij antwoordde alleen zeer zacht, bijna onhoorbaar:

--Ik.... ik zal ja zeggen.

Zij zuchtte, en de tranen welden in haar oogen, toen zij voor het eerst dat besluit uitsprak. Zij zou ja zeggen. En zij kon niets meer vinden om de oude vrouw bezig te houden; dat eene woord, dat zij zou moeten uitspreken, vervulde haar zoo geheel, dat alle andere gedachten vervlogen. Een oogenblik zaten zij dus zwijgend naast elkander, een weinig met den rug naar het vroolijke troepje, dat zich om een babytafel verdrong en de kaarten raadpleegde. En Eline hoorde eensklaps Ange's schelle stem, die schertste, terwijl zij de kaarten een voor een naast elkaâr scheen te leggen.

--Hoort u nu goed, meneer Erlevoort.... ik ben veel geestiger dan madame Lenormand.... dat is u, hartenheer.... u is omringd van veel tranen, maar die klaren op in glimlachjes... u krijgt veel fortuin, en gaat in een kasteel wonen op de Pyreneeën. Of koopt u liever een villa bij Nice? Ah! daar is zij! Hartevrouw, ziet u! Roze Mie! U gaat nogal ver van haar af, maar al de tusschenkaarten zijn gunstig... U zal met veel bezwaren te kampen hebben, eer u tot haar doordringt, want ze wordt nogal gecourtizeerd.... ziet u maar: klaverheer, ruitenheer, zelfs een plebejer, een sociaal-democraat; schoppenboer!

--Zwarte Piet....! riep Léonie. Ah, fi donc!

Eline glimlachte een weinig verschrikt en wischte een enkelen traan af, die aan haar wimpers hing en mevrouw Van Raat, die eveneens geluisterd had glimlachte ook.

--O, kijk die azen heerlijk liggen! juichte Ange voort. Geen vrees, meneer Erlevoort, geen vrees, alles klaart op...

--De kaarten schijnen gunstig, fluisterde mevrouw Van Raat.

Eline trok glimlachend een minachtend mondje, maar zij was wat ontsteld: Zwarte Piet had haar aan Fabrice doen denken....

VII.

Men was van de whisttafel opgestaan en men praatte druk door elkaâr. De vroolijkheid was door de voorspellingen nog meer gestegen, en Etienne verweerde zich met een stortvloed van woorden tegen Ange, die hem voorspelde, dat hij een oude vrijer zou worden; hij bedankte daar hartelijk voor....

Terwijl Ange en Léonie Paul overhaalden nog iets te zingen en Léonie hem een lied van Massenet accompagneerde, nam Betsy met aandacht haar zuster en Otto op. En zij meende goed te zien: er was nog niets tusschen hen verhandeld. Wat draalde Eline toch! Neen, dan had zij, Betsy, het eenvoudiger gedaan; zij had Van Raat kalm geaccepteerd, toen hij haar in zijn onhandigheid gevraagd had.... Waar zat Eline toch over te zeuren? Waarom zou ze Erlevoort nu in 's hemels naam niet aannemen? Zij waren geheel en al voor elkander geknipt.... En ze ergerde zich zeer over die sentimenteele aarzeling harer zuster, terwijl deze een huwelijk kon doen met iemand van goede familie, met een redelijke pozitie.... Haar blik gleed koud over Eline's ranke gestalte, waaraan steeds die weifelende schuchterheid een nieuwe bekoring gaf, en zij merkte die op, zij merkte ook een waas van ernst op, dat over haar schoonheid verspreid lag, en dat zij nooit te voren bij haar bespeurd had... Wat een pourparlers toch, als alles zoo eenvoudig was! Maar toen zij haar man, die met Otto sprak in het oog kreeg, ergerde die haar nog meer dan Eline: wat was hij toch dom! Zou hij waarlijk nog niets gemerkt en niet begrepen hebben, waarom Otto eigenlijk van avond ten hunnent was!

Intusschen, mevrouw Van Raat was reeds vertrokken, later dan zij gewoonlijk placht te doen en nog over Eline's besluit in eene onzekerheid, die haar nieuwsgierig had doen dralen. Zij had zich eenigszins de illuzie gemaakt van eene scène-de-familie en de avond was haar dus een teleurstelling geweest. Nu--het was bij half-een--maakten mevrouw Eekhof en haar dochters met Emilie, Vincent en Paul ook aanstalten tot vertrekken, en zij gingen, terwijl de meisjes, in een wervelwind van vroolijkheid, door Henk en Etienne naar de vestibule, naar heur rijtuig werden geleid.

In het kleine boudoir waren Betsy, Eline en Otto een wijle alleen gebleven, in stilte, die hen eenigszins verlegen maakte. Betsy echter begaf zich opzettelijk naar den salon, naar de speeltafel, als wilde zij de verstrooide fiches ordenen....

En het was Eline of de grond onder haar voeten wegzonk. Zij kon heur verwarring niet voor Otto's blik verbergen, en hij, hoewel hij geen voornemen had gehad dezen avond op zijn verzoek terug te komen, gevoelde zich niet sterk genoeg tegen de verleiding der omstandigheden, nu zij zich beiden alleen bevonden....

--Eline...! fluisterde hij met gebroken stem... O, waarlijk, moet ik zoo weggaan....?

Bijna angstig hijgde zij haren ingehouden adem uit met een sidderenden zucht.

--Otto... heusch, heusch... ik... ik kan nog niet...

--Adieu dan, vergeef me, dat ik je voor de tweede maal drong, sprak hij, drukte even hare vingers en ging....

Zij echter gevoelde zich eensklaps geheel en al smelten in hare weekheid. Bevende over haar geheele lichaam wankelde zij, maar zij stortte zich naar de portière, en zich aan de draperie vastklemmende, riep zij, terwijl zij zich geheel en al aan hare aandoeningen overgaf:

--Otto! Otto!

Hij kon een lichten kreet niet weêrhouden, hij snelde terug en ving haar in zijne armen op en stralende van vreugde voerde hij haar terug in het boudoir.

--Eline, Eline, riep hij uit. Is het waar?

Zij antwoordde niet, maar wierp zich snikkend, gebroken door haren strijd, overwonnen, aan zijne borst en voelde, dat hij haar klemde in zijne armen....

--Je wilt dus .... je wilt dus mijn vrouwtje worden?

Zij waagde heur gelaat tot hem op te heffen, terwijl zij, rillende, geketend lag in zijne omhelzing en slechts haar blik vol tranen en haar vage glimlach antwoordden hem.

--O.... Eline.... engel! fluisterde hij en zijne lippen drukten haar voorhoofd.

Stemmen klonken in den salon. Henk en Etienne waren uit de vestibule teruggekomen, Etienne met zijn overjas aan en zijn hoed in de hand.

--Maar waar blijft Otto toch? hoorde Eline hem eensklaps uitroepen en zij onderscheidden tevens de stem van Betsy, die iets fluisterde.

Otto zag glimlachend neêr op het weenende hoofdje, dat, nu verschrikt, tegen zijn borst lag.

--Kom, willen we dan gaan? sprak hij, en in zijn eenvoud straalde hij van geluk.

Zij liet zich langzaam, zeer langzaam medevoeren, steeds snikkende in zijn armen, het hoofd verborgen op zijn schouder. Betsy kwam hen glimlachend te gemoet en drukte Otto de hand met een blik van verstandhouding. Henk en Etienne waren ietwat verbaasd.

--Van Raat, mag ik je.... mag ik je mijn aanstaande prezenteeren, sprak Otto.

Ook Henk glimlachte nu, ook Etienne, met zeer groote oogen.

--Die oolijkert, die schalk! riep hij uit en dreigde zijn broeder met den vinger. Als ik dat nu toch vanavond had kunnen denken.

Eline echter, steeds snikkende, maakte zich uit Otto's arm los en viel Henk om den hals. Hij kuste haar en zijn zware stem mopperde goedig:

--Nou, van harte, zusje... maar drommels, kom, niet zoo huilen... wat moet er dàt nu bij.... Kom, lach eens, kijk eens lief....

Verlegen verborg zij echter heur hoofd in de handen en ook Betsy meende haar nu even te moeten zoenen, en schoof heur verwarde lokjes wat recht.

--Ik ben erg tevreden over mijn soiréetje, erg tevreden! sprak zij met bedoeling.

VIII.

Henk wilde Otto nog doen blijven, Etienne was reeds zoo bescheiden zich uit de voeten te willen maken, maar Eline murmelde smeekend, dat zij zeer moê was en Otto drong niet aan. Hij was te gelukkig om nog iets te verlangen, hij zou gaan, overvol van vreugde.... En zij vond hem zeer lief, dat hij afscheid nam alleen met een handdruk, terwijl zij gevreesd had, dat hij haar kussen zou, voor de anderen ....

De beide broêrs vertrokken en Eline vluchtte naar heure kamer, waar zij Mina trof, die het lampje ontstak. De meiden hadden door Gerard, die zoo even te ongelegener tijd in den salon was gekomen, het nieuws gehoord en Mina feliciteerde haar en keek haar nieuwsgierig glimlachend aan.

--Dank je, dank je.... Mina.... stotterde Eline.

Gelukkig, zij bevond zich alleen.... Even zag zij in den spiegel en zij schrikte over haar betraande bleekheid. Maar toch was het haar of heur ziel weggleed in een stil, blauw meer, dat roerloos zijn wateren over haar sloot, en waar een eeuwige vrede scheen te heerschen, een Nirwana, waarvan de zaligheid geheel nieuw was.

Hoofdstuk XVI.

I.

Het was een frissche, heldere dag in Mei, na een week van regen en kille mist. Jeanne had haar kinderen, Dora, Wim en Fritsje met de bonne een wandeling laten maken naar de Scheveningsche Boschjes; zijzelve echter was thuis gebleven, daar zij voortdurend veel te doen had, en het bovenhuisje scheen haar uitgestorven toe, nu zij eenzaam zat te naaien en te stoppen in een bleeken zonnestraal, dien zij, onbevreesd voor haar tapijt en haar gordijnen, binnen liet vallen. Frans was uit de stad, naar Amsterdam, waar hij een geneesheer consulteerde. Het was nu halftwee, dacht Jeanne met een blik op de pendule, die hoorbaar in de stille kamer tikte; om halfzes ongeveer zou Frans terugkomen, en de uren, die zij nog zoude moeten wachten, schenen haar eeuwen toe, hoewel zij het toch heerlijk vond eens ongestoord veel werk te kunnen doen.

De bleeke zonnestraal was schuins op haar neêr komen zinken, maar het hinderde haar niet en zij koesterde zich integendeel in zijn zwakken lenteglans. Het licht tintelde langs heur lichtbruin haar, en gaf haar ingezonken, witte wangen een weêrschijn van dof albast; het glinsterde ook over haar dunne, fijne vingers, terwijl zij met een regelmatige beweging de naald haalde door den zoom van een hemdje. En zij verlangde naar den zomer; o, Mei, met haar nattig, mistig weêr, en haar zeldzamen helderen dag, mocht zich zoo snel mogelijk ten einde spoeden; hoe had zij zich nog eenige illuzie kunnen maken, dat Mei een maand van lente-weelde zou zijn, zooals de dichters het logen! Zij glimlachte een weinig weemoedig, zich over het hemdje bukkend en den zoom met haar nagel dicht persend; zij glimlachte er over, dat iedere illuzie, de minste zelfs, verstoof, terwijl heur leven voortrolde en de toekomst, waarvoor zij in een grooten, geheimen, onzegbaren angst vreesde, steeds week voor de eentonige werkelijkheid en nu, nu rilde zij, nu rees weder dat bange voorgevoelen in haar ziel, als een gesluierd spook; hun zou iets overkomen; een, niet af te wenden, ramp zou hen verpletteren. Zij haalde huiverend diep adem, met de handen geprangd aan haar borst, huiverend, niet voor haar, niet voor hem, voor de kinderen.

Zij stond op, het werd haar onmogelijk meer te werken, en toch, zij mocht niet lui zijn, den enkelen zomerschen dag, dien de kinderen haar in rust lieten. O, waarom was zij niet sterk!

En zich leunende tegen den post van het venster, liet zij zich geheel beschijnen door den zonnestraal, als een bleeke kasbloem, die naar licht en lucht verlangt, en zij zag, verloren in haar grauwe gedachten over wat komen zou, in het vierkante tuintje van den kruidenierswinkel beneden. Een sering begon er in blad te komen, maar in het middenperkje en in de perkjes aan den muurkant was nog niets geplant en voor Jeanne's gedachten doemde eensklaps een vizioen van Perzische rozen op, zooals die op hun erf te Temanggoeng bloeiden, groot als roze bekers vol zoeten geur. Het was of zij dien geur genoot; het was of de blozende kleur dier bloemen de grauwe gedachten verdreef en alleen maar wat heimwee opwekte naar warmte en liefde.

Zoo stond zij, toen er gebeld werd en Mathilde Van Rijssel binnenkwam.

II.

Zij hadden elkaâr eenige malen ontmoet bij de Van Raats, en zij wisten nu dat zij sympathie voor elkaâr gevoelden.

--Ik kom eigenlijk met het booze voornemen je eens meê te troonen voor een wandeling! sprak Mathilde glimlachend. Het is heerlijk buiten en het zal je goed doen.

--Maar Tilly, de kinderen zijn uit en Frans ook. Heusch, ik kan niet, ik moet ook werken.

--Waarlijk onoverkomelijke bezwaren! schertste Mathilde vriendelijk. Je hoeft toch niet op het huis te passen!

--Neen, maar als de kinderen thuis komen, en ze vinden mij niet....

--Heusch, Jeanne, dat is verwennen, ze kunnen toch wel een oogenblikje zonder je! En dat je man uit is.... is dat ook al een bezwaar? Kom, ik zou maar hoed en mantel aandoen en meêgaan als een verstandige meid. Zoomen? Dat doe je als het regent....

Jeanne gevoelde een week genot zich de wet te laten voorschrijven door die zachte stem, die zelfs schertsend steeds een toon van weemoed liet doorschemeren. En zij gaf zalig toe, terwijl zij bijna neuriënd de trap opging om zich te kleeden.

Weldra was zij gereed en na tal van vermaningen aan Mietje, ging zij met Mathilde de deur uit. De koele wind hief iets als een nevel van haar geest op, terwijl haar bleeke wangen koud werden en bijna een kleurtje kregen. Zij luisterde verschrikt naar haar vriendin, die haar vertelde, dat zij eerst Tina en Jo naar de Van Raats had gebracht; Betsy en Eline hadden hen gevraagd om met hen en Ben te gaan toeren.

--En de anderen?

--O, Lientje en Nico moesten absoluut met mama gaan wandelen; mama was al wanhopig, dat de oudsten uitgingen. Ik had ze niet meê durven nemen! sprak zij lachend. Die goede mama!

Zij waren door de Laan van Meerdervoort op den Scheveningschen weg gekomen en sloegen dezen in. Er waren weinig wandelaars. Mathilde liet zich meêsleepen door haar gevoel, liet zich opwekken door de heldere frissche lucht, hoe weinig spraakzaam zij ook anders zijn mocht en teruggetrokken in haar stille smart.

--Je weet niet hoe.... hoe goed mama is, sprak ze. Ze leeft zoo geheel en al voor de haren, voor haar kinderen en haar kleinkinderen: ze heeft nooit de minste behoefte voor zichzelve; wat ze ook denkt of doet, het is voor ons. En ik geloof, als je vroeg van wie ze het meest hield, dat ze het niet zou kunnen zeggen. Ja, ze is dol op Etienne; Etienne is altijd vroolijk als een kind, en omdat ze ook vroolijk is en nog heel gaarne eens goed lacht, doen zijn grappen haar goed, maar of ze niet evenveel van Frédérique of van Otto of van mijn kinderen houdt, daar twijfel ik heusch niet hard aan. Als mama naar Londen of naar de Horze schrijft, zijn het klachten zonder eind, dat zij die verloren schapen nooit ziet! Je kan begrijpen, hoe ongelukkig mama was, toen Cathérine en Suzanne trouwden en ze haar verlieten.... Ik geloof, ze zou het liefst een soort van hôtel laten bouwen, waar ze ons allemaal in kon herbergen, Théodore en Howard en Stralenburg en al de anderen.... Goede, goede mama!

Ze zwegen beiden een pooze. De Scheveningsche weg slingerde zich als een lang, grijs lint voor haar uit, met een ver perspectief van boomstammen, onder het netwerk der bladerende twijgen. Zonneglanzen vonkelden op het jeugdige, geelgroene loof, hel en vroolijk wuivend onder de strakke, blauwe lucht; op de oude stammen gloeide een nieuw mos, fluweel gelijk. Een zacht getjilp van vogelen doortrilde de heldere atmosfeer als kristal.

--Wat is het hier heerlijk! zeide Mathilde. Men herleeft. Maar laten we een zijpaadje ingaan. Die menschen vervelen me, denkelijk moeten wij hen ook vervelen. Wij detoneeren, hier in de natuur, ik vind menschen altijd zoo leelijk tusschen groen, vooral als het zoo jong is.... Je ziet, ik begin te filozofeeren....

Jeanne lachte even, overvol van geluk. De wereld scheen haar schoon en goed toe, vol liefde. En zij dacht aan Frans...

III.

Zij waren op een bank gaan zitten en Jeanne waagde te vragen:

--Maar jijzelve, Mathilde? Je spreekt altijd zooveel over je mama en nooit over jezelve.

Mathilde zag met iets huiverends op.

--Over mijzelve? Ik doe mijn best mijzelve te vergeten. Ik ben.... ik ben niets meer voor mijzelve. Ik ben.... alleen nog iets voor de kinderen. Voor hen denk ik nog en leef ik nog; als zij er niet waren, was ik dood.

Er klonk uit haar woorden de herinnering eener doffe smart, die in berusting was weggewischt.

--Als je je verbeeld hebt zeer gelukkig te zijn, gelukkig door en met iemand, voor wien je lichaam en ziel zou willen opofferen en je merkt.... Maar ach, waarom daarover te spreken....

--Doet je de gedachte daaraan dan zoo lijden?