Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 14

Chapter 143,971 wordsPublic domain

De strengheid des winters verzachtte zich en het voorjaar viel in, druipende van regen en kil van mist, die haar sluiers in flarden ophing aan de nog bladerlooze boomen. En men praatte veel over Otto Van Erlevoort, die Eline Vere zoo het hof maakte; o zeker, het zou een engagement worden, meenden de Eekhofjes, de Hijdrechten, de Van Larens en mevrouw Van der Stoor. Henk was met Etienne in Gelderland geweest; zij hadden gelogeerd op het Huis ter Horze, het landgoed der familie Van Erlevoort, waar Theodore, de oudste zoon, zomer en winter met zijn vrouw en zijn kroost woonde, en in dien tijd was Otto veel op het Nassauplein gekomen, bij Betsy en Eline, wel meestal in gezelschap van anderen, geïnviteerd er familiaar den avond te passeeren, maar toch, bleef het niet opmerkelijk in hem, die anders stil leefde en weinig uitging, dat hij nu de Van Raats zoo dikwijls bezocht? Intusschen, kwam het eens tot een engagement, dan zou het uitstekend zijn: Otto was een charmante jongen, had een goede pozitie. Eline was allerliefst, elegant, rijk naar men meende: zij waren voor elkander geknipt, en daarbij, Eline zou heel blij zijn een baron te krijgen! Men vond hen zoo goed voor elkander geschikt, dat men eigenlijk leed had er maar weinig kwaads van te kunnen zeggen, en men zocht, tot men eindelijk iets gevonden had; au fond was het Betsy, zie je, die, zooals je wist, niet al te best met zusje overweg kon, en die haar gaarne fatsoenlijk het huis had uitgebonjourd.... Betsy haalde Otto aan; het was waar, Eline wilde wel, maar zonder Betsy hadden misschien noch hij, noch zij er aan gedacht.... O ja, Betsy, ze was heel goed in gezelschap, maar in huis! Een maîtresse femme? Wel neen, erger.... een feeks! Die goede dikke Henk zat geheel onder de pantoffel, en als Eline niet zoo ongemakkelijk was, en flink van zich afbeet, was ze ook onder den duim geraakt! Het scheen oppervlakkig zoo lief, een zusje, dat wees was, in huis te nemen, maar als je zoo schatrijk was als de Van Raats, beteekende het financieel niets--daarbij, de Vere's hadden óok geld--en of het in huis alles zoo couleur de rose was, men geloofde er niets van! Daarom, Betsy vond, Eline moest maar trouwen; het werd tijd; ze had het ook al zoo dikwijls kunnen doen, met dien, en met dien, maar ze was mooi, en ze was moeilijk, enfin.... het was haar zaak, nietwaar?

Eline wist, dat men zoo over haar sprak, maar zij trok er zich met een vorstelijke onverschilligheid bitter weinig van aan. Zij ook dacht het: Otto zou haar zeker vragen, en zij meende, dat zij hem zou aannemen.... Zij gevoelde wel is waar geen liefde, zooals zij die bedoelde, voor Van Erlevoort, maar er bestonden niet de minste termen om hem af te wijzen; het zou in alle deelen een uitstekende partij zijn; meer fortuin zou haar niet onwelkom geweest zijn, maar zij, meende zij, met haar verfijnde zuinigheid, zou genoeg tact bezitten, om een schijn van weelde om zich heen te verspreiden.

Dat Betsy echter Otto aanhaalde, was een weinig bezijden de waarheid: Betsy, hoewel zij het huwelijk zeer gewenscht achtte, gevoelde geen persoonlijke sympathie voor Otto, die haar te strak en gepozeerd was, en zij was vriendelijk en beleefd tegen hem, maar deed geen zweem blijken, dat zij hem een gewenschten zwager vond....

Ook bij de Van Erlevoorts had men van de buitenwereld wel eens onbescheiden vragen vernomen, maar Frédérique haalde nog altijd haar schouders op, met een gebaar, alsof zij totaal van niets wist; Eline was immers al zoo dikwijls geëngageerd geweest, in de oogen harer kennissen altijd,--met dien en met dien, waarom ook niet eens met Otto? vroeg zij zoo ironisch, dat men de waarheid niet gissen kon. En toch wist zij, dat er thuis soms raadselachtige gesprekken gevoerd werden tusschen mevrouw Van Erlevoort, Mathilde en Otto, een soort van familieraad, die nog tot geen beslissing scheen te komen.

Zij gevoelde er zich een weinig uit ter zijde geschoven, en ze was te fier, nu men haar raad versmaadde en haar opinie niet noodig scheen te hebben, er zich in op te dringen; eens zelfs, toen zij mama, zuster en broêr na het diner te zamen had gevonden, en bespeurd had, hoe het gesprek bij heur binnenkomst eensklaps was opgehouden, hoe men haar, terwijl heure hand den deurknop nog had vastgehouden, aangezien had met eenige lichte verlegenheid, was zij, zonder een woord, weder verdwenen, de deur zacht sluitend, in een stille bouderie, vol gekrenktheid. Ook alleen met Otto zocht zij, na heur gesprek over den waaier, geen vertrouwelijk samenzijn meer; hij beschouwde haar immers als een kind; nu goed, zij zou hem niet lastig vallen met haar kinderachtigheden.... En alleen bij Lili en Marie voer zij uit tegen Eline, dat coquette nest, zonder een sprankje gevoel in al haar gedraai en gelach; maar zij zweeg, als Paul er bij was; hij verdedigde haar ook al; Eline had hem ook al ingepalmd, evenals Etienne, die geen kwaad woord van haar hooren kon! Wat al die jongens toch in haar vonden, ze begreep het niet, zij vond Eline een en al onnatuur en affectatie, een actrice, Eline speelde altijd comedie....

En al was zij geërgerd over Etienne's pleitredenen voor Eline, zij gevoelde zich zonder hem, nu hij op de Horze logeerde, wat eenzaam in het groote huis te midden van het gewoel der Van Rijsseltjes en het geblaf van Hector, waartusschen dikke juffrouw Frantzen zich met wanhopige pogingen roerde om den vrede te herwinnen.

II.

Het was Zondag en Paul Van Raat had zich voor eene pooze gezet aan zijn ezel, waarop een half voltooid stilleven prijkte: eenig oud Delftsch, een antieke Bijbel, een antiek Rijnwijnglas en een zilveren drinkkan,--die van Vincent, welke hij toch had overgenomen,--los geschikt op een breed gekreukeld Smyrnaasch tafelkleed. Maar het werk vlotte niet; het licht bleef vaal, hoe hij ook zijn gordijnen ophaalde of neêrliet, en hij betreurde het, dat zijn vingers veel gemakkelijker de voorwerpen zelve in een oogwenk smaakvol wisten te plaatsen, dan ze daarna in kleur op het doek na te beelden. Het was de schuld van het weêr: bij zoo een regenachtigen hemel tintelde er geen licht in den wijn van zijn glas, en geleek de zilveren kan tin.... En hij legde het penseel weg en wandelde met de handen in de zakken en fluitende zijn atelier op en neêr, een weinig geërgerd door zijn gemis aan werkkracht. Hij had toch zoo gaarne gewild, maar hij kon niet, al dwong hij zich....

Zijn kamer geleek een chaos van artisticiteit, zooals zijn machteloos dillettantengemoed een chaos was, waaruit zelden een schepping voortkwam. Boven een gebeeldhouwde eikenhouten kast hing een tropee van antieke wapens; de muren waren, tot het plafond toe, bedekt met porselein, schilderijen, platen en etsen, en vrouwenbeelden in marmer en terra-cotta schenen hem te omringen, als in een harem van krijtwitte en amberkleurige schoonheid. Overal slingerden boeken; uit losgestrikte portefeuilles slipten schetsen en gravures; op den grond, om den ezel, lagen penseelen, kwasten en tubes. Een groote aschbak was vol asch en overal lag stof. Leentje, de werkmeid, mocht slechts bij groote gratie dit verblijf binnentreden.

En terwijl hij in zijn teleurstelling op en neêr wandelde scheen het hem, dat hij een verluchting zou gevoelen, wanneer hij al dien artistieken rommel eens opruimen, zijn ezel op zolder brengen, en nooit meer aan een penseel denken zou. Het scheen hem toe, dat, ware zijn kamer gezuiverd van kunst, zijn geest van zelve ook geen kunst meer verlangen en geen teleurstellingen ondervinden zou.... Het was tijd verknoeien; hij kon toch niets, hij kon zich beter amuzeeren dan met dit gekladder.... En hij bedacht, hoe hij zijn kamer dan opnieuw zou inrichten, ruim en eenvoudig, zoodat men er zich in bewegen kon, zonder nu een beeld om te gooien of dan over een Oostersche draperie te struikelen. Maar toch, iets als weemoed overviel hem bij die gedachte; het was toch illuzie.... wel reeds lang gebroken en neêrgestort van haar voetstuk, maar waarvan hij nu ten laatste de scherven nog weg zou vagen....

Eensklaps hoorde hij Eline's schertsende stem op den corridor, en hij ging naar beneden, de achterkamer in, waar zij zijn moeder reeds omhelsde. Zij was met Ben gekomen; Betsy liet mevrouw Van Raat vragen, of zij genoegen zou hebben dien avond op het Nassauplein te komen: er kwamen alleen mevrouw Eekhof met hare dochters, Ange en Léonie, Frédérique met haar twee broêrs en Vincent.

--We rekenen natuurlijk ook op jou, Paul! sprak zij, terwijl zij hem de hand reikte, Cela s'entend, n'est ce pas....? Kom, mevrouwtje, u moet het maar doen, wees nu niet zoo onaardig te weigeren; u mag op uw gewone uurtje weêr weg. Ce n'est pas à refuser....

Enfin, mevrouwtje zou het dan maar doen, maar eigenlijk gevoelde zij zich niet thuis bij al die jeugd.

--Dat doet u juist goed, die vroolijkheid .... zie mevrouw Van Erlevoort eens! sprak Eline. Aan die moest u een voorbeeld nemen....

Mevrouw, niet bestand tegen de verlokking van de stem harer lieveling, werd overwonnen; ook Paul beloofde te komen. En mevrouw zag Eline, die naast haar op de canapé zat, met nieuwsgierigheid aan, als overwoog zij iets bij zichzelve. Paul had Ben aan het ravotten gebracht, geërgerd over de zoetheid van het kind, dat stil op een bankje aan de voeten zijner grootmama was gaan zitten.

--Zeg Eline, ik moet je toch eens vragen....! begon mevrouw Van Raat fluisterend. Is het zoo?

Eline voelde een lichten blos haar wangen kleuren, maar zij deed, of zij de vraag niet begreep.

--Wat mevrouwtje? Hoe meent u?

Mevrouw glimlachte, maar verklaarde zich niet verder, Alleen vroeg zij:

--Frédérique komt vanavond, nietwaar...?

--Ik denk het wel, tenminste.... begon Eline.

--Alleen....?

--Neen, met.... zooals ik u zooeven zeide, met haar broêrs, Otto en Etienne....

--O zoo! sprak mevrouw achteloos, maar zij zag haar weder van terzijde aan, terwijl iets als een schalkschheid in haren doffen blik speelde.

--Ik geloof, dat u erg ondeugend is! sprak zij, over haar mofje strijkend.

--Ach, de menschen praten zooveel, niet waar? Je hoort dit, je hoort dat.... maar toch, soms hoor je ook wel eens de waarheid.

--En wat heeft u gehoord?

--Iets dat je me al lang had moeten vertellen, als je vertrouwen in mij gesteld had. Nu moest ik het waarlijk door Betsy het eerst weten.

Eline schrikte.

--Heeft Betsy gezegd....? stamelde zij.

--Ja, liefje, en ik had het liever voor het eerst van jou gehoord! herhaalde mevrouw Van Raat, in de lichte gekrenktheid eener oude dame, die meent te kort gedaan te zijn.

Eline werd heimelijk ongeduldig. Het is waar, Otto had haar gevraagd, maar zij kon zich nog niet beslissen, en het hinderde haar, hoe iedereeen er van scheen te weten en ongevraagd raad gaf, hoe iedereen in bedekte en onbedekte termen tegen Betsy toespelingen waagde te maken en sommigen, gedekt door den sluier van intimiteit, haar zuster zelfs ingefluisterd hadden, bij Eline aan te dringen, opdat zij zich verklaren zoude.... Zij had ten laatste genoeg van die indiscreties, en zij was op het punt mevrouw Van Raat een bits antwoord te geven, maar zij bedwong zich en liet niets van haar ergernis blijken, terwijl zij aan mevrouws oor murmelde:

--Ach, wat had ik u moeten zeggen....? Het is zoo, Erlevoort heeft mij gevraagd.... maar ik mocht er toch niet over spreken, voordat ik zelf wist, wat ik zou doen.

En zij zag even naar Paul, schielijk haar blik afwendend, geërgerd ook op hem, daar hij met Ben op zijn rug, een pooze het ravotten gestaakt had, haar nieuwsgierig aanzag en haar woorden poogde op te vangen. Zij zou hun toch geen voldoening op die ongepaste onbescheidenheid geven, meende zij, en zij stond op, en brak mevrouw Van Raats overwegingen, waaruit bleek, dat de oude dame Otto gaarne mocht, zoo spoedig zij kon af, door een omhelzing en een paar lieve woordjes.

En zoowel de meerdere innigheid van mevrouw Van Raats bevenden kus, als de dartelheid in Pauls oogen hinderde haar tot kribbig wordens toe, terwijl zij op Ben wachtte, daar zijn grootmama hem nog liefkoozend in haar armen sloot.

III.

Neen, Eline wist niet wat te beslissen. Zij huiverde een stap te doen, die haar gelukkig of ongelukkig voor haar leven maken kon; het was haar als hing heur toekomst thans alleen af van een enkel woord, dat zij draalde te uiten. Zij huiverde er voor een mariage-de-raison te doen, daar zij in heur hart een grooten drang gevoelde naar veel liefde, al had zij dien ook, willens en wetens onderdrukt na heur teleurstelling, en Otto.... zij had met hem gedanst, met hem gelachen en geschertst, maar nooit had zijn beeld haar gedachte ook maar een wijle vervuld, en zij had hem vergeten, zoodra zij hem niet meer zag en hoorde. Toen zij echter zijn hartelijken eenvoud doorzien had, toen zij ried, dat hij haar liefhad, was dit vermoeden haar zoet geweest, en zij maakte zich wijs, dat het haar zou gehinderd hebben hem leed te doen, hem iets te moeten weigeren, zelfs heur hand.... Bij die vrijwillige verbinding scheen de zachtheid van zijn stillen hartstocht een balsem uit te gieten over haar gemarteld hart.

De gedachte zijn vrouw te worden had haar onder dit zelfbedrog vervuld met eene kalme vreugde: iets als een lieflijk verschiet was haar voor den blik gerezen, en.... zij had financiëele overwegingen gemaakt.

Ook, meende zij, lachte het haar toe, geheel onafhankelijk te zullen worden, en het huis harer zuster te verlaten, daar zij er zich, trots haar eigen fortuintje, als geketend gevoelde, als een lastige logée, die men duldde ter wille van de opinie der wereld. Maar onder al die schijnredenen, welke haar lokten Otto met een stille behaagzucht toe te lachen, school, een adder gelijk, onzichtbaar voor haar eigen blik, de bittere spijt over de ruïne harer ingestorte fantazieën weg, en zou zij zich ooit aan Otto geven, het zou zijn om zich te wreken op Fabrice, om zich te wreken op zichzelve.

Intusschen, zoodra hij gevraagd had, zoodra zij nadenken moest, en zich niet in een overstelpende weelde van passie kon overgeven, was zij vol angst teruggedeinsd een beslissend woord te spreken.

Hij, Otto wachtte; hij ten minste was bescheiden.

Hij had gedurende eenige dagen het huis der Van Raats gemeden, en zij wilde hem beloonen voor zijn discretie; zij had blozend Betsy verzocht hem een intieme invitatie te sturen, evenals aan Freddy en Etienne.

Hij zou komen, zij zou hem spreken en het scheen haar of zij door onzichtbare machten werd voortgestuwd op een hellend pad, of zij anders wilde dan zij handelde, maar onmachtig was den dwang van haar noodlot te ontgaan; het scheen haar of zij geblinddoekt zocht naar haar geluk, angstvol luisterend haar handen uitbreidde naar iets wat er de echo van scheen, en toch zeker was het nimmer te zullen vinden, nimmer.

IV.

Betsy schonk thee. Mevrouw Van Raat en mevrouw Eekhof zaten bij haar op een canapé en praatten met Emilie De Woude; Henk hoorde, met de handen in zijn zak, aandachtig naar Vincent, en Eline bladerde met Ange en Léonie Eekhof en Paul in haar muziek op de piano, toen Otto en Etienne binnenkwamen.

--En Frédérique? vroeg Betsy verbaasd, terwijl zij Otto de hand reikte.

--Frédérique gevoelde zich wat moê, ze laat zich excuzeeren, antwoordde hij eenvoudig.

--Ze is tegenwoordig meer onwel! sprak Etienne met overtuiging, als wilde hij de woorden van zijn broêr kracht bijzetten.

Eline's hart klopte. Zij gevoelde zich zeer zenuwachtig, al wist zij die nervoziteit te verbergen onder haar lieflijke vroolijkheid. Het was haar plotseling of ieder haar aan zou zien, zou raden wat zij dacht, en zij huiverde bijna haar wimpers omhoog te heffen, uit vrees het aanzicht van den salon eensklaps geheel veranderd te zullen vinden.... Maar toch, toen zij opzag, was alles het zelfde: de oude dames praatten met Betsy en Emilie door, Vincent fluisterde bijna aan Henks oor, en de meisjes en Paul drukten Etienne de hand.

Otto trad echter naar haar toe. Zij wist bijna niet meer hoe zich te houden en meende, dat zij zeer onhandig stond, maar juist die aarzeling teekende in haar slank figuurtje iets weifelend schuchters af, dat haar een nieuwe bekoring gaf. Zij hoorde, hoe hij haar eenvoudig goedenavond zeide, maar in zijn stem klonk iets vols en rijks, als een belofte van teederheid. Zij gevoelde eensklaps een nieuwe aandoening, een smeltende weekheid in haar hart, die zij niet begreep.

Hij bleef bij hun groepje, bij de piano; hij stond vlak naast haar, maar sprak met Ange, terwijl Léonie luid schertste met Etienne, die haar brutaal het hof maakte. Een enkele maal zag Otto Eline aan, om haar te doen deelen in hun gesprek over niets, en zij glimlachte zonder te hooren. Zij kon haar gedachten niet meer volgen; die fladderden in haar geest als kapellen en het werd haar, of stemmen aan haar ooren zongen....

Zij begreep, dat zij zich niet mocht laten neêrzinken in de zachte weelde, die haar als met donzen armen omving, dat zij niet droomen kon te midden van een salon vol menschen. En zij ging, na een paar schertsende frazen, terzijde, terwijl zij zich verwonderde over haar gedempte stem, die klonk als door een gaas....

--Vincent, je speelt ook, nietwaar? hoorde zij Betsy vragen, terwijl zij de oude dames en Emilie zag opstaan en Henk in den anderen salon aan het speeltafeltje bespeurde, bezig de parelmoeren fiches uit een Japansche doos te nemen. Het was haar, als bewoog zij zich in een droom....

Zij zag de kaarten in den vorm van een S uitgespreid op het ronde, roode laken; zij zag op de hoeken der tafel de bougies branden en de, van ringen glinsterende vingers van mevrouw Eekhof een kaart trekken.

Het werd haar, als was zij buiten dat alles, ver af.... Vincent ging zitten tegenover mevrouw Van Raat, Henk zou spelen met mevrouw Eekhof. Betsy keerde met Emilie terug, zij zou later invallen.

--Mevrouw, wij hinderen toch niet, als we muziek maken, of is het daar een vreeselijk ernstig partijtje? vroeg Léonie aan Betsy, naar de speeltafel wijzend.

--O, volstrekt niet, amusez-vous toujours....! antwoordde Betsy en zij voerde met een vraag Otto en Emilie mede naar de canapé. Zij was voor vreemden steeds zeer innemend.

--Toe, Eline, laat je dan hooren, kindlief, we smachten naar je sirenengeluid! ging Léonie door in een onuitbluschbare levendigheid; ik zal je accompagneeren met mijn doigts de fée.

--Heusch niet, Léo, niet vanavond.... Ik ben niet bij stem.

--Niet bij stem? Ik geloof er niets van! Kom! Allons, chante, ma belle! Wat moet het zijn....?

--Ja, Eline, toe zing! riep mevrouw van Raat uit den anderen salon en vroeg verlegen aan haar partner wat troef was.

--Heusch mevrouwtje, heusch Leo, ik kan niet, ik voel het altijd wanneer ik niet kan.... Ik laat me anders nooit bidden, nietwaar....?

--Maar je hebt immers muziek meêgebracht?

--Ja, maar dat zijn geen airs om meê te beginnen, dat is voor later op den avond....

--Eerst iets ernstigs, kom Eline, allons!

--O, gedecideerd niet! sprak Eline en schudde het hoofd. Het was haar waarlijk onmogelijk; zij gevoelde zich als in een koorts, die haar een zachten blos op de wangen joeg, haar oogleden kwijnend neêrvallen, haar pols jagen, haar vingeren sidderen deed. Zij zou gevibreerd hebben, haar keel was klankloos.

--Gedecideerd niet? hoorde zij zacht herhalen en zij zag om. Het was Otto, die, bij Betsy en Emilie gezeten, het haar vroeg en haar met zijn hartelijke oogen aanzag. Opnieuw schudde zij het hoofd, steeds, naar zij meende, onhandig, maar vol onbewuste bevalligheid.

--Waarlijk, ik zou niet kunnen....

En zij wendde zich dadelijk af, vreezende, dat hij vermoeden zou, waarom.... Daarbij gevoelde zij zich zeer verlegen, zoodra haar blik den zijne ontmoette, ofschoon niet het minste verwijt er uit straalde. En het werd haar nu of er iets scheefs was in de verhouding dier kennissen, welke hunne salons vulden met hun gescherts en gelach, iets wat niet was zooals gewoonlijk en de regelmatige banaliteit ervan verbroken had; maar toch, zoo dacht zij, alleen Betsy en mevrouw Van Raat wisten, dat Otto haar gevraagd had, en dat zij hem dezen avond haar antwoord zou geven.... Wat de anderen mochten vermoeden, zij zouden geen woord laten ontslippen, dat haar zou noodzaken den sluier van hun geheim op te beuren, vóór zij het verkoos. En dit vertrouwen op de discretie hunner welopgevoedheid stelde haar gerust.

Léonie echter boudeerde en vond Eline een vervelende meid. Paul en Etienne riepen nu, dat zij, Léo, zingen moest en wilden hare muziek halen, die het meisje uit eene affectatie van schuchterheid in de vestibule gelaten had. Alle drie vlogen ze lachend naar de deur, maar Léonie wilde hun niet permitteeren de muziek te zoeken, en zij maakten een plotselinge, vroolijke drukte, die de whisters in den anderen salon glimlachend over de kaarten deed opzien. Etienne echter zegevierde en bracht weldra met opgeheven armen de partituur van de Mascotte binnen, die aan een draad uit zichzelve hing. De Eekhofjes werden overgehaald en zij neurieden nu lachend en hakkelend, met twee dunne, schelle stemmetjes het duet van Pipo en Bettino:

"O, mon Pipo, mon Dieu, qu't'es bien!"

terwijl Etienne haar met dikwijls twijfelachtige akkoorden begeleidde.

Toch had het duet groot succes en in een stijgende vroolijkheid galmden zij weldra met hun vieren, Ange, Léonie, Etienne en Paul, zoowel uit de maat als uit den toon, nu het langoureuse:

"Un baiser est bien douce chose!"

dan het comique:

"Le grand singe d'Amérique!"

en hun muziek dartelde als een gefladder van luchtige melodie vroolijk door de salons.

Eline was op een pouffe naast de piano gaan zitten, en zij leunde er heur koortsig hoofdje tegen aan, bijna verdoofd door Etienne's hard gerammel. Hare hand sloeg de maat op hare knie: zoo scheen zij nog eenig belang te stellen in wat zij deden. Zij hoorde de snaren der piano gonzen in hare ooren, en dit gegons verhinderde haar na te denken en eene beslissing te nemen. Telkens slingerde zij van het een op het ander.... Ja, zij zou aannemen; zijne liefde, schoon niet beantwoord, zou toch haar geluk zijn, het was de vervulling van haar noodlot.... neen, zij kon zich niet dwingen, zij kon zich niet, zonder een zweem van liefde, laten vastketenen. En het was haar of heure gedachte, tot bezwijmelens toe, gewiegeld werd naar twee zijden; het was haar of een klok hard in heur hersenen tikte, ja, neen, ja, neen.... Verluchting zoude het zijn in den blinde te grijpen.... neen, slechts met juist overleg mocht zij haar besluit nemen.... o, dat die klok toch bedaarde, zij vermocht niet zoo te strijden met zichzelve, zij was er te zwak toe....

Zij wilde niet meer nadenken, zij zou zich laten medesleepen door de onzichtbare machten, die haar op haar hellend pad dreven, zij zou zich geheel overgeven aan den drang der omstandigheden; die zouden beslissen voor haar.... en zij gevoelde een rilling kil over haar huid glijden, toen hunne blikken elkaâr ontmoetten, en stond op.

V.

Vincent was uitgevallen, Betsy viel in.

--En Elly, heb je nu al een dollen streek verzonnen, iets vreeselijk dwaas? vroeg Vincent in de laatste woorden hare stem nabootsend.

Aan de piano was het kalmer geworden, Léonie was bij Emilie gaan zitten praten en verhaalde zeer levendig van een kleine sauterie bij de Van Larens, Etienne had zich omgedraaid op den tabouret en maakte nu gekheid met Ange, die in een schaterlach op den pouffe was neêrgevallen, terwijl zij haar gelaat met de handjes bedekte, Paul lachte meê en bladerde in de muziek.

--Hoe? Wat?.... Hoe meen je? stotterde Eline, die niet begreep.

--Je vertelde me immers verleden, dat je iets vreeselijk dols zou willen doen; nu ik vraag je of je misschien al iets weet. Ik doe gaarne meê.