Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 13

Chapter 133,633 wordsPublic domain

Zij wist wel beter, het waren geen geldzaken, het waren nooit geldzaken, want hij was daarin zoo wanhopig accuraat, dat zij, die haar ouden vader zoowat alle beheer uit handen had genomen, zich nimmer een aanmerking of een vermaning behoefde te getroosten. Hij schudde dan ook ontkennend zijn hoofd, maar toch, hij zag haar slechts glimlachend aan, hij kwam niet verder, zijn vraag scheen dan wel moeilijk in woorden te brengen, voor iemand, die zoo ratelen kon?

--Ach neen, antwoorde hij. Alles is gezegd in een paar woorden maar er zijn soms oogenblikken, nietwaar, dat woorden goud schijnen te kosten.

--Ik bid je, Georges, niet van die ambages; heb je me iets zeggen of te vragen, zeg het ronduit, flinkweg, zonder je woorden te wikken en te wegen, dat is tegenover mij volstrekt niet noodig! hernam zij bijna verwijtend, maar met zoo aangemoedigde innigheid, dat hij haar groote, blanke hand greep, en ze met zijn speelsche galanterie aan de lippen bracht.

--En nu, gommeux, allons, biecht op! drong Emilie aan, met de geliefkoosde hand hem een tik onder de kin gevend.

Hij moest zoo, er was geen terugwijken meer mogelijk en hij verzamelde zijn moed, hij begon te spreken, langzaam, met afgebroken zinnen, maar het eigenlijke kwam spoedig genoeg. Zijn pozitie.... zou zij het erg dwaas van hem vinden zoo hij.... aan trouwen dacht?

In zijne woorden trilde een heimelijke vrees, alsof zijn geluk aan haar antwoord zou hangen.

Het was zoo: zijn woorden verrasten haar, zij beschouwde hem, niettegenstaande zijn vier-en-twintigste jaar, nog zoo een beetje als haar jongen, als haar troetelkind en.... hij dacht aan trouwen! Maar tevens kende zij hem, niettegenstaande het oppervlakkig vernis zijner lichte affectatie, als degelijk en verstandig; hij zou haar zoo iets niet vragen, wanneer hij niet nagedacht had, en ze mocht hem niet krenken, met een woord van scherts, in een willicht allerinnigst gevoel. Scherp te midden dier gedachten, gevoelde zij echter een vrees, hem aldus vroeg of laat te moeten verliezen.

--Trouwen! Georges, waarlijk denk je er aan....?

Hij glimlachte heimelijk, als gestreeld door een lieflijk vizioen.

--Waarom niet? fluisterde hij bijna.

--Ben je dan.... ben je dan zoo.... verliefd? vroeg zij zacht. Is het....? en een naam welde haar op de lippen, zonder door te klinken.

Hij knikte haar lachend toe, als wist hij, dat zij het geraden had. Zij plaagde hem reeds, eenigen tijd voor zijn vertrek naar Berlijn, met Lili Verstraeten, waar hij het steeds zoo druk over had. Maar dat hij het toestemde, stelde haar teleur. Wist hij dan, dat Lili van hem zou kunnen houden? Bouwde hij niet het tooverpaleis zijner verwachtingen op zand? Zij echter uitte die gedachte niet; zij wilde hem geen illuzie ontnemen, hij scheen zoo gelukkig in zijn stille hoop.

--Georges, als het je ernst is, nietwaar.... eh bien raisonnons! hernam zij en schoof haar fauteuil dichter naar zijn stoel. Veronderstel, dat alles eerst rozengeur en maneschijn is, dat je haar vraagt, dat zij je accepteert, wat dan? Hoe lang zal je dan niet moeten wachten, eer het tot een huwelijk komt?

--Waarom?

--Maar Georges, hoe heb ik het nu met je? Wat een naïveteit! Je wil toch niet trouwen op je traktement van leerling-consul? Twaalfhonderd gulden, niet waar? Het is waar, je kan natuurlijk je aandeel krijgen van wat mama heeft nagelaten, maar het is een bagatel, ce ne sera pas le Pérou, alles te zamen! Ik vraag je dus, hoe.... wat....? Je kunt ook niet rekenen, dat de Verstraetens je veel zullen meêgeven, ze leven goed maar eenvoudig! bepaald fortuin hebben ze niet.

--Beste Emilie, als je rekenen wilt, reken dan juist. Het is waar, op ondersteuning van mijn aanstaande schoonouders--zoo zij het ooit worden, fluisterde hij glimlachend--reken ik niet; het zou me zelfs niet eens aangenaam zijn.

--Afslaan, zoo ze een duit in het zakje legden, zou je toch niet, geloof ik.

--Ik weet het niet; dit is een factor, dien ik buiten rekening laat, waar ik ook waarlijk nog niet aan gedacht heb, maar je was zoo even aan het optellen, en je telde wat slordig op. Stel, dat ik dit jaar mijn examen voor vice-consul nog niet doe; is ons aandeel niet elk vijftienhonderd gulden?

--Zoo ongeveer.

--Nu, twaalfhonderd plus vijftienhonderd gulden maakt...

--Zevenentwintighonderd gulden! Wil je daarvan leven met een vrouw?

--Maar waarom niet, Emilie?

Zij sloeg de handen van wanhoop te zamen.

--Maar Georges, je bent.... pardonnez-moi le mot.... je bent niet wijs! Wees toch geen kind en schep je geen illuzies uit onmogelijkheden. Heb je soms bij toeval dat boekje in handen gekregen, hoe heet het ook weêr? De kunst om van vijftienhonderd gulden fatsoenlijk en getrouwd....

--Neen, ik ken het niet, maar vijftienhonderd is geen zevenentwintighonderd gulden, en ik maak me sterk....

--Jij maakt je sterk! Ja, jij zal wat! Ben jij iemand om met een paar ellendige duizend gulden met een vrouw een geheel jaar van Januari tot December te moeten doortobben! Ja, jij zal wat! vervolgde zij opgewonden en bijna boos, toen hij haar in de rede wilde vallen, en zij rees driftig van haar fauteuil op. Ik zie je al op een klein bovenhuis met zeker eens in de week een biefstuk, hè? Nu enfin, dat leven je te beschrijven, kan ik niet. Ik heb er geen idee van, wil ik wel bekennen. Je bent het goed gewend, Lili ook, hoe willen jullie samen....? Och kom, het is kinderpraat, het is onzin. Wees toch verstandig. Ik ken je te goed....

--Het schijnt toch niet geheel en al! kon hij eindelijk in het midden brengen, met zijn zachte stem, die zoo kalm afstak bij den klank harer levendige verontwaardiging. Ten minste, ik meen wel mijn behoeften te kunnen inrichten naar mijn middelen.

--Jij misschien, soit, maar je vrouw dan? Wil je een jong meisje, in zekere aisance groot gebracht, forceeren ook hare behoeften in te richten naar jouw middelen? Geloof mij, Georgeslief, de tijden zijn voorbij, dat je alleen leeft van den wind, en....

--Ze hebben nooit bestaan, meen ik.

--Laat me uitspreken. Jongelui, zooals jij, zooals Lili, hebben behoeften, willen luxe, willen uitgaan....

--Och uitgaan, dat eeuwige uitgaan! Ik ben als jongmensch uitgegaan; een mensch behoeft toch niet eeuwig en altijd uit te gaan!

--Egoïst! Omdat jij dus als jongmensch bent uitgegaan, wil je, getrouwd zijnde, uit economie thuis blijven, en met je vrouw op je bovenhuis bij je wekelijksche biefstuk zitten koekeloeren.... Prettig perspectief voor haar!

--Maar Emilie, in ernst, waarom op den voorgrond te stellen, dat men iederen avond zoogenaamd moet uitgaan. Ik zie daar geen reden toe, ik stel mijn geluk in iets anders ....

--Tot op dit oogenblik heb je toch met genot gefladderd op bals, op soirées, ben je, en un mot, uitgegaan.... Je bent nu verliefd, je hebt nu zowat poëzie misschien in je idées, maar geloof me, dat slijt.... en als je eenigen tijd getrouwd bent, vind je het heel gezellig een aangenamen kring van kennissen te hebben.

--Toegegeven wat den kring van kennissen betreft, maar dien af te danken, zou ook niet in mijn plan liggen, en ze te blijven zien, kost zooveel geld niet....

--Kost wel veel geld, Georges, geloof me, drong Emilie beslist aan. Je wordt geïnviteerd, je wilt niet achterblijven; je moet eens, hoe eenvoudig ook, een dinertje geven.... dat herhaalt zich, en dat moet gebeuren van je zevenentwintighonderd gulden, niet waar? Nu, ik zie je al! Vooral zie ik je vrouw, die het huishouden moet doen van die zevenentwintighonderd gulden, of liever, van wat je haar er voor afstaat... Nu, ik kom niet bij je logeeren, hoor!

Hij lachte om haar komische woede, maar hij gaf haar niet toe.

--Ja, zusje, je mag nu praten wat je wilt, ik blijf bij mijn opinie, dat men van weinig geld met veel verstand ook een heel eind komt en ook gelukkig kan zijn....

--O ja, natuurlijk, dat weet ik.... je mag praten als Brugman, meneer Georges hoort je allerliefst aan en maakt allerliefst zijn aanmerkingen.... maar koppig.... stokstijf bij wat hij denkt, dat is....

Zij kon niet uit haar woorden komen; ze was zeer boos ....

--Emilie, wind je nu niet op voor niets! zeide hij bedarend. Totnogtoe hangt alles in de lucht, nietwaar? Ik heb nog.... geen stap gedaan.... Ik weet niet eens, of ik....

--Ja Georges, dat begrijp ik, antwoordde Emilie, eenigszins gestild door de kalmte zijner fijne stem; maar toch, financieele overwegingen zijn niet iets van later zorg; dat zal je me toestemmen.

--Natuurlijk, maar je zou alleen mijn budget hooger stellen dan.... à propos, wees eens lief! viel hij zichzelven in de rede met een innemenden glimlach. Van een budget gesproken.... help mij eens er een te maken.

--Totaal zevenentwintighonderd gulden? Onmogelijk Georges, dat kan ik niet.... Wanneer je als jongmensch op kamers woonde, zou je meer noodig hebben....

Hij zuchtte.

--We kunnen het daarover dus niet eens worden? vroeg hij. Ze haalde haar schouders op.

--Je bent een kind dat je nog blijft bij die dwaze idees. Je kent het leven niet.

Zij was verstoord, dat hij zoo eigenzinnig was niet naar goeden raad te luisteren, maar hij.... ofschoon hij er niet voor zou hebben willen uitkomen: hij gevoelde zich een weinig wankelen in de onwrikbaarheid zijner, toch zoo langdurig overpeinsde meeningen: hij gevoelde een moedeloosheid drukkend op zijn vertrouwen zinken, den grond zijner verwachting voor zijn voeten wegdeinzen.... Langzaam streek hij de hand over het voorhoofd: beter zoo hij.... zoo hij wachtte....

--Het is misschien beter, als ik.... als ik wacht!.... fluisterde hij, zijn gedachte uitende, en er klonk zoo treurige verslagenheid uit die berusting, dat zij Emilie, trots haar voorloopige overwinning, smartte....

Zij ging achter hem, ze vatte zijn hoofd in beide hare handen en ze keek hem lang in de weemoedig lachende oogen, die hij op de hare richtte....

--Droomer, die je bent! sprak zij vol moederlijke innigheid voor zijn verdriet.... Wie weet, nietwaar? Je bent zoo jong.... en misschien, wie weet misschien....

--Nu.... wat misschien?

--Misschien heb jij wel gelijk en redeneer ik als een kip zonder kop! riep zij uit, haar overwinning verwerpende bij het leed, dat deze haar verwenden jongen toebracht; alleen ik bid je: overleg, weer verstandig, Georges!

En zij drukte twee lange kussen op zijn oogleden, die zich sloten, en waaronder zij iets vochtigs ried.

Hoofdstuk XIV.

I.

--Adieu, Betsy, dag Henk! Ik ga slapen, ik ben moê! zeide Eline in één adem, nog in de vestibule.

--Kom je nog niet wat eten? vroeg Betsy.

--Merci, wel verplicht....

Zij ging naar boven, terwijl Betsy haar schouders ophaalde. Betsy hoorde in den korten, beslisten klank van Eline's woorden, dat zij in die nerveuze prikkelbaarheid was, waarin zij kon haten wie haar af wilde brengen van haar voornemens.

--Wat heeft Eline? vroeg Henk in de eetkamer, ongerust over de dreigende wolk.

--Ach, weet ik het! riep Betsy uit. Het is begonnen op het concert, en in het rijtuig antwoordde zij me zelfs niet, zooals je hebt kunnen merken. Ik doe of ik het niet zie, maar ik vind Eline onuitstaanbaar met die kippenkuren....

Eline ging, statig, als een beleedigde vorstin, in het zwanendons en peluche harer sortie de trap op, haar zitkamer binnen. Mina had de oplettendheid gehad het gas aan te steken; zelfs brandde er nog een blok hout in den haard. Ze zag even rond, rukte zich de witte kant van heur haren en het witte manteltje van haar schouders, en, het hoofd gebogen op de botst, met starende oogen, zag zij bijna wezenloos voor zich uit, als verpletterd onder het gewicht eener ontzettende teleurstelling.

In het Venetiaansche spiegeltje, door de roode koorden sierlijk opgebeurd, boven de blanke groep van Amor en Psyche, wier bevallige idylle in hatelijk spotziek contrast was met de satire harer gedachte, zag ze zichzelve weêrkaatst, schitterend in haar roze rips, het hoog opgekamde haar gekapt met een roze aigrette, hetzelfde toilet waarin ze drie maanden geleden voor het eerst.... Fabrice had gezien....

En nu....

Zij lachte bijna luid, ze vond zich bespottelijk, ze walgde van zichzelve, als had zij zich bezoedeld.

Het was Diligentia-concert geweest, in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, en Henk en Betsy waren er met haar, op haar aandringen, heengegaan. Fabrice zou er zingen: "de populaire baryton der Fransche opera was uitgenoodigd geworden zich ook in de concerten van het Gebouw lauweren te plukken," zooals Het Vaderland vermeldde.... Eline had niet gerust voor zij zeker was te gaan; zij had eerst de Verstraetens gevraagd; Mevrouw had geen lust, Lili was nog ziek.... zij had toen Emilie aangespoord; Emilie had een invitatie; eindelijk Henk en Betsy, die, ofschoon zij geen van beiden veel met concerten dweepten, hadden toegegeven. En Eline had zich veel voorgesteld Fabrice op een nieuw terrein, in een nieuwe gedaante, die van concertzanger, te zien optreden. Gelukkig hadden zij hun plaatsen op het balkon, vlak bij het tooneel; hij.... o, hij had haar zeker in de opera opgemerkt; hij zou haar nu een teeken geven, hij had haar lief.... de waaier van Bucchi!.... En Eline had zich illuzies geschapen zonder eind; haar hartstocht vulde haar ziel meer en meer met een tweede, denkbeeldig, fantastisch bestaan, waarin Fabrice en zij held en heldin waren; een roman van onwaarschijnlijkheid en zich steeds al meer en meer opschroevende romantiek....

Hij vond haar schoon, hij aanbad haar, zij zouden vluchten, zingen op een tooneel, armoede lijden, tot roem en weelde geraken.... Een koorts van gelukzaligheid, nu zij hem weer zien zou, had de geamberde bleekheid harer wangen getint met een lichten blos, als van een donzige perzik; haar oogen hadden gefonkeld in den schemerenden gloed harer kwijnende blikken; en.... zij waren gegaan, zij had zich neergezet, schitterende van een schoonheid, die binocle bij binocle op haar had doen richten, die Henk, Betsy zelfs weder was opgevallen, en de eerste symphonie, was een ruischende hymme geweest, die haar juichte van liefde en geluk....

Toen, toen was hij opgetreden, ontvangen door een kletterend handgeklap.

Terwijl Eline nu, steeds wezenloos, in den spiegel blikte, zag zij hem in haar verbeelding zoo optreden, een tweede maal.

Onhandig, als een dikke timmerman in een rok, die hem te nauw scheen; zijn korte kroesharen, vet van cosmétique, geplakt langs zijn wangen; zijn gelaat zeer rood boven het spiegelwitte plastron van zijn overhemd, geleek hij burgerlijk en plomp, met een onbehaaglijk norsche uitdrukking om zijn behaarden mond, in zijn toegeknepen oogen, overhangen door zware wenkbrauwen. En het was Eline geweest of ze hem voor het eerst zag. Al de bekoring, waarmede hij door zijn levendige, talentvolle actie, in schitterende kostumes, welke zijn gestalte op het voordeeligst deden uitkomen, haar onbewust omstrikt had, verbrak haar tooverkoorden als dooreen enkelen ruk, en al klonk in zijn prachtige stem het zelfde krachtvolle koper, dat haar in de opera met zaligheid doortrilde, nu hoorde zij ternauwernood dat hij zong, ontzet als zij was over haar reusachtige vergissing.

Had zij dan nooit oogen gehad? Die burgerlijke timmerman het ideaal harer fantastische hersenschimmen! In snikken had zij kunnen uitbarsten, wanhopig van ontsteltenis, maar geen trek verroerde zich op haar gelaat en zij bleef recht, bijna stijf zitten, slechts met een lichte huivering de witte peluche sortie zich om de schouders trekkend. Zoo lang hij zong, blikte zij hem toe, bezag hem van top tot teen, als wilde zij zich nu ook niet sparen, en de adem onttrilde bijna hijgend haar lippen, nu zij zich alzoo dompelde in haar verdriet, zonder er lucht aan te kunnen geven. Had zij hem dan nooit zóó gezien, wanneer zij hem in het Bosch ontmoette, in zijn duffel, met zijn bouffante en zijn flambard, die hem iets romantieks, als van een Italiaanschen roover, gaf? Had zij zich zoo vergeten?

Zij blikte even met een rillenden angst de zaal rond. Niemand sloeg op haar acht, niemand vermoedde den storm van teleurstellingen in haar hart; men was een en al oor voor Fabrice. Gelukkig, men wist niet, men zou nooit weten.

Maar de gedachte, dat zij gered bleef voor het oog der wereld, schonk haar geen troost. Vóór haar, in scherven, lag het luchtige, glazen paleis harer teedere vizioenen en hersenschimmen, dat zij, zuil voor zuil, broos en luchtig had opgezet, schitterend en, hooger, steeds hooger, in fantastische, kristallen pracht, hooger, steeds hooger, tot het als met een apotheoze aan de wolken reikte.

En nu, alles was verbrijzeld, alle vizioenen en hersenschimmen vervlogen, weggevaagd als door een enkelen windstoot, en zelfs geen chaos bleef over, slechts een ontzettende leegte, slechts die man daar met zijn rood kruideniersgezicht en zijn wit hemd, en zijn nauwen rok en zijn geplakte haren.

Zij herinnerde zich niet ooit zoo geleden te hebben als dien avond.

Drie maanden lang had die roman van liefde haar hart doen kloppen; iederen keer, dat men achteloos zijn naam voor haar uitsprak, iederen keer, dat zij zijn naam op een aanplakbiljet vermeld zag, en nu: een enkelen blik op dien--Vincents woorden ruischten haar als een echo van spot in het oor--"dikken, leelijken baas", scheurde haar dien roman uit de ziel, en alles was weg, weg.

Zij sprak bijna niet, en toen Betsy, later in den foyer, het strakke masker harer trekken, overtogen met een vale bleekheid, opviel en zij haar zuster vroeg, of ze ziek was, stemde Eline koel toe; ja, ze voelde zich wat flauw. Men ontmoette er de Oudendijks en de Van Larens, men lachte en schertste, men noemde Fabrice's naam, maar Eline bleef, als een gewonde duif, op een bank neêrliggen en hoorde, bijna zwijmend van smart, niets begrijpend en bête glimlachend, naar een verhaal van den jongen Hijdrecht.

In het tweede gedeelte van het concert trad Fabrice ook ten tweede male op, nogmaals met jubelende toejuiching ontvangen, en het werd Eline of ze duizelde, of het publiek, dol van bewondering, in een satanischen rondedans zou rondvliegen om den baryton, altijd even norsch en rood en plomp. Het zweet parelde haar op het voorhoofd, heur handen waren ijzig en klam in het strakke schoeisel van peau de Suède, en haar boezem hijgde boven een langen, benauwden ademtocht.... Gelukkig, het concert was uit.

II.

Nu was zij alleen, zij kon zich vrij door dien storm van smart laten meêslieren, zij behoefde niet al haar geestkracht bijeen te zamelen om zich glimlachend en vriendelijk te houden tegenover de wereld, en zij viel ook met een snik van wanhoop op haar knieën neêr voor de Perzische sofa en begroef haar kloppend hoofdje in het goudborduursel der weeke kussens. Heur handen verstikten het hikkend gehuil, dat haar tenger lichaam schokte, terwijl heur haren in den val losraakten, en langzaam zich ontwindend, haar omgolfden met hun glanzende kronkels.

Na de eerste smart en teleurstelling had haar een bitter gevoel omvangen, alsof zij zich, ware het ook slechts in haar eigen oogen, aan een onuitwischbare bespottelijkheid had overgegeven, aan iets onwaardigs en belachelijks, dat voor altijd met een smet haar gemoed bezoedeld had, dat haar voor altijd met een spottende herinnering zou achtervolgen, als een komisch spooksel....

Zeer lang bleef zij aldus gedompeld in haar verdriet en in haar kussens. Zij hoorde eerst Henk en Betsy zich naar hun kamers begeven, toen Gerard, den knecht, de huisdeur op het nachtslot sluiten en den bout verheffen, hoorbaar klinkend in de stilte, die het geheele huis doorsuisde.

Toen bewoog zich niets meer en Eline gevoelde zich zeer eenzaam, als verdronken in een oceaan van leed.

Eensklaps schrikte een gedachte haar op.... Snel hief zij zich omhoog, terwijl het bruine haar zich warrelde om haar schouders, en een uitdrukking van gekrenkten trots schemerde over haar, met tranen besproeid, gelaat als een glans. Beslist trad zij op haar schrijftafel toe, schijnbaar zelfs kalm, en zij opende met trillende sleutel het, eens zoo dierbare, loket, zij nam er den album uit... Het roode fluweel scheen haar als vuur de vingeren te schroeien ... Zij schoof een stoel bij den haard, waar het houtblok nog gloeide in de asch, zij ontsloot het boek... Dat was dan het heiligdom harer liefde, de tempel van passie, waarin zij gedweept had over de beeltenis van den afgod.... En terwijl zij de bladen omsloeg, ging de processie dier portretten haar blik voorbij: Ben Saïd, Hamlet, Teil, Luna, Nélusco, Alphonse, de Nevers... Het was voor het laatst... Ruw, terwijl de vergulde albumbladen scheurden, schoof zij de fotografies er uit, één voor één, en zonder eenige aarzeling scheurde zij ze doormidden, daarna in vieren, éen voor éen, het harde bordpapier der portretten kreukende, in den wraakzuchtigen greep harer fijne vingeren. De stukken wierp zij in den haard, éen voor éen, en terwijl de vlam ze omkrulde, volgde zij haar werk van vernietiging, en wierp er steeds meer, steeds meer in het vuur, met den pook er in woelende, tot alles verbrandde... Dat was voorbij, de schande was gelouterd...

Toen rees zij op, eenigszins verlicht...

Maar de gescheurde album, dien zij nog in de vingers hield, schroeide haar nog steeds de huid, en het fluweelen boek eensklaps zoo ruw aangrijpend, dat haar nagels scheurden, slingerde zij het met een onderdrukten kreet van afgrijzen verre van zich weg, tegen de piano aan, waarvan de gewekte snaren een doffen zucht slaakten...

Toen raapte zij haar sortie, heur witte kant op, streek de verkreukelde zijde van haar toilet glad en begaf zich naar heur slaapkamer, waar een kleine, melkwitte nachtlamp een zachten, weemoedigen glans verspreidde.

En het was haar of zij opnieuw diep, diep neêrzonk in dien oceaan van leed, dien afgrond van teleurstellingen, waaruit slechts de zwarte schim harer melancholie verrees.... terwijl haar eensklaps een twist met Betsy heugde.... Zij had namelijk een paar dagen geleden beweerd, dat Roberts, haar muziekmeester, oud werd en niet meer deugde, dat zij van een artist wilde les nemen, van Fabrice bijvoorbeeld, en Betsy had haar afgevraagd of ze dol was geworden, en beweerd, dat dit gedecideerd nooit gebeuren zou, zoolang Eline bij hen in huis woonde....

Het hoefde nu ook niet te gebeuren....

Hoofdstuk XV.

I.