Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 12

Chapter 123,933 wordsPublic domain

Die verjaardag ging Eline somber voorbij. De verzoening met Betsy had op haar niet den gewenschten indruk gemaakt; zij had zich iets hartelijkere voorgesteld: een zusterlijke omhelzing, een vermenging van tranen, waarna zij langen tijd vriendelijk en minzaam met elkaâr zouden zijn omgegaan. De werkelijkheid echter was een, van Betsy's kant, ijskoude neêrbuigendheid geweest, waaronder zich Eline nu haar houding eenigszins als een dwaas figuur voorstelde. Zij wist zich zwakker dan haar zuster en toch wilde zij zich tegen die overheersching verzetten, maar bij iederen opstand en nog meer, zooals nu geweest was, na een tijdelijke overwinning, gevoelde zij zich krachteloozer en krachteloozer om dien strijd met zoo ongelijke moreele wapenen voort te zetten. Haar fierheid was haar thans als een zwak riet gebleken, dat knakte bij iedere vlaag, en haar mistroostigheid bleef daarom een donker waas als een rouwfloers over haar gedachte verspreiden.

Toch was zij schijnbaar vroolijk, dien middag, te midden van de vroolijkheid harer kennissen, die haar kwamen gelukwenschen. Maar mevrouw Van Raat, uit wier peinzende, lichtblauwe oogen zij gaarne een straal van sympathie had opgevangen, was ongesteld, en liet zich door Paul verontschuldigen, en deze teleurstelling woog haar zwaar op het harte. Mevrouw Van Erlevoort en Mathilde voegden daar Freddy's excuses aan toe, die verkouden was en liever thuis had willen blijven, en Eline overdacht weêr met verwondering, waarom Frédérique haar toch een kwaad hart scheen toe te dragen. Jeanne Ferelijn overstelpte haar met tal van huiselijke klachten, en zij had al haar wellevendheid en innemendheid noodig, om die niet al te blijkbaar ongeduldig aan te hooren. Cateautje Van der Stoor, die zij evenals mevrouw Van Raat gaarne had gezien, scheen haar verjaardag vergeten te hebben; zij kwam niet en liet ook niets van zich hooren. Maar Emilie De Woude bracht haar eigenaardige, bruyante vroolijkheid mede, die haar tot schaterens toe opwond. De tintelende kout verlichtte haar een weinig de doffe atmosfeer der salons, waar het gas nog niet was opgestoken, waar langs de laag geplooide meubelgordijnen een schemerende somberheid binnenzonk, die de vroolijkheid van het verguldsel, van het havanna satijn, van het vieil-or der draperieën en meubels in treurige schaduwen scheen uit te wisschen.

Emilie wilde Eline's cadeaux zien, sierlijke kleinigheden, enkele bouquetten, op een tafel geschikt om een groote mand vol bloemen en vruchten.

--Wat een heerlijke corbeille! riep Emilie. Perziken, druiven, rozen, prachtig! Van wie, Elly?

--Van Vincent; charmant, vindt je niet?

--Ik wou, dat ik ook zulke galante neven had....

--Cht, stil, fluisterde Eline.

Vincent was juist binnengekomen, terwijl hij, naar de gastvrouw zoekende, zijn oogen een weinig toekneep. Betsy ontving hem als altijd met zekere warmte en voorkomendheid, in een voortdurende vage vrees voor dien neef. Eline bedankte hem, zijn beide handen in de hare drukkend.

Vincent verontschuldigde zich, dat hij zoo laat kwam; het was kwartier over vijven en de Verstraetens namen afscheid in de toenemende schemering, waarna Gerard binnenkwam om het gas op te steken, de blinden te sluiten, de gordijnen dicht te plooien.

--Vincent, blijf eten vanmiddag, wil je? vroeg Betsy.

Betsy vreesde namelijk voor een vervelende avond. Zij waren nergens geïnviteerd, en daarbij had zij gemeend op den verjaardag harer zuster geen plannen te moeten maken om uit te gaan, had dit ook niet kunnen doen, daar zij, tijdens de bouderie, dien morgen pas bijgelegd, haar nauwelijks een woord had toegesproken. Vincent kon een half uur voor het diner familiaar gevraagd worden. Vincent had conversatie als hij in een goede luim was en bracht ten minste een ander gezicht meê aan tafel.

Vincent nam met een onverschillig: "o, heel gaarne!" de uitnoodiging aan. Intusschen beweerde Henk behoefte te hebben om even een loopje te maken en wipte de deur uit, alleen zijn hoed nemend en zijn kraag opzettend, met de handen in de zakken. Anna, de kindermeid, kwam Ben halen om hem wat op te knappen, daar zijn mond vol gelei en room zat van de taartjes. Ook Betsy verdween even naar boven en Eline en Vincent bleven alleen in de groote salons, nu hel van gasgloed.

--Kom, laten wij in het boudoir gaan zitten! zei Eline, en Vincent volgde haar in het kleine vertrekje. De zacht heldere gloed van het kristallen kroontje over den zilveren weerschijn van het violette peluche gaf er iets geheimzinnigs vertrouwelijks aan, iets als om uit te lokken tot intieme mededeelingen. Vincent scheen echter geen anderen indruk te krijgen, dan dien van een rustig bien-être; hij liet zich met een zucht op de sofa neêrzijgen, in zijn gewone matheid, en deed Eline eenige onverschillige vragen over de kennissen, die hij zoo even had afscheid zien nemen. Terwijl zij hem antwoordde, gevoelde zij een groote sympathie voor haar neef in zich opwellen. Het was weer die behoefte, welke haar hartstocht voor Fabrice verwekt had: veel liefde om zich heen te voelen, de schatten harer liefde te verspreiden. En evenals het Paul getroffen had onder den valen schijn eener petroleumlamp, trof het haar nu onder het, door de pendeloques tintelende, gaslicht: Vincent geleek haar overleden, dierbaren vader, zoo treffend, dat zij zich bij zijn aanblik, als in haar jeugd kon terugdenken; zóó, met dien smartelijken trek om den mond, met die oogen vol meemoed, lag haar vader neêr, wanneer hij uitgeput was van artistieke vizioenen, te ver af om in zijn onmacht te grijpen: zóó hing zijn hand over de leuning van zijn stoel, wanneer het penseel haar ontgleden was.

En Eline voelde haar sympathie voor Vincent doortrillen met medelijden en poëtischen weemoed, terwijl zij luisterde naar zijn vermoeid murmelende stem, die haar over Smyrna sprak; hij scheen haar belangwekkender toe, dan de meeste jongelieden bij hun côterie; hij werd haar martelaar, in de kleinheid der wereld, terwijl hij haar klaagde, dat hij Den Haag kleinsteedsch en vervelend vond en naar veel ruimte verlangde; zij ook, zij wilde....

--Maar ik verveel je met mijn klachten, parlons autre chose! viel hij zichzelven met veranderde stem in de rede. Ik ben niet beleefd zooveel over mijzelven....

--O, volstrekt niet, je verveelt mij in het geheel niet! antwoordde zij wat haastig, een weinig verdrietig, dat hij den draad harer fantasie eensklaps afsneed. Denk je, dat ik mij niet geheel en al in je gedachten verplaatsen kan, dat ik niet begrijp, hoe je anders wilt, dan den alledaagschen sleur, waarin wij willens en wetens ronddraaien? Ik zelf zou somtijds.... er wel eens uit willen! riep zij met een beweging harer armen, als ware zij een gevangen vogel, die zijn vleugelen uitslaat. Ik voel mij soms zeer geneigd een vreeselijk dollen streek te doen! en zij glimlachte schalks en dacht aan Fabrice.

Hij schudde, glimlachend ook, zijn hoofd en tikte haar even op heur omhoog geheven hand, die bevallig neêrviel.

--Waarom zou je nu dwaasheden willen? vroeg hij. Je vervalt in een uiterste. Onafhankelijk te leven van iedereen, je niet storen aan de praatjes van een côterie, maar je wil te volgen, zoolang die verstandig is; zoo dikwijls van omgeving te veranderen, als men verkiest, dat is mijn ideaal.... niets dat zoo jong doet blijven als afwisseling.

--Maar om onafhankelijk te zijn, om zich aan niets te storen.... moet men meer moreele kracht bezitten, dan wij gewoonlijk in onze overbeschaafdheid durven hebben! antwoordde zij, zich vermeiende in de epicuristisch-filozofische tint, die hun gesprek een weinig kleurde.

--Moreele kracht? Ach neen, je moet er eenvoudig geld voor hebben! hernam hij kortweg en practisch. Als ik rijk ben, en vormen heb, geen dwaasheden doe, maar mij netjes hoû voor de wereld, ben ik volkomen in staat mijn ideaal verwezenlijkt te zien, zonder dat men mij iets anders zal ten laste leggen, dan misschien.... een beetje excentriciteit.

Zij vond de zienswijze te nuchter, te banaal en drong hem de hare op, die haar meer romantisch scheen.

--Nu goed, geld.... natuurlijk! hernam ze, met vrouwelijke gemakkelijkheid zijn stelling afwerend. Maar zonder genoeg kracht om zijn eigen wil door te drijven, wordt men toch dadelijk meêgesleurd door alle oude gewoonten. Zie je, en daarom--hij lachte om haar allerbeminnelijkste logica--daarom zou ik zoo gaarne.... eens iets dwaas doen, iets vreeselijk dwaas. Ik gevoel me sterk om mijn eigen gang te gaan en mij te verzetten tegen de wereld, ik voel soms zeer veel bravoure in mij....

Hij had schik in de dartelheid, die uit hare glanzende oogen straalde en hare geheele elegante figuurtje scheen hem, terwijl zij aldus coquetteerde met haar loszinnigheid, een kapel toe, op het punt weg te fladderen.

--Maar Eline! riep hij lachende. Wat voor dingen haal je je toch in je hoofd! Wat zou je dan wenschen, wat voor dwaasheden zou je dan eigenlijk willen doen? Toe, biecht eens op, ondeugd!

Zij lachte meê.

--O, minstens me laten schaken!

--Door mij?

--Waarom niet? Maar ik geloof, je zou me gauw aan mijn lot overlaten, ik zou een te duur luxe-artikel zijn en ik zou met hangende pootjes terugkeeren. Merci dus, als je vraag een invitatie insloot; ik wacht liever op mijn rijken mylord....

--Geen hutje dus met maneschijn?

--O, Vincent, hoe afgezaagd! Jamais! Ik bestierf het van verveling: dan noch liever actrice.... en wegloopen met een acteur....

En zij schitterde van schalkschheid en overmoed, zij genoot met geheime vreugde in haar gedachte aan Fabrice, en zag Vincent driest in de oogen; hij kon toch die gedachte niet raden....

Hij schaterde het uit; de levendige dartelheid, die haar loome elegance gedurende hun gesprek vervangen had, de gloed in haar amandelvormige oogen, en het behaagzieke tikken harer kleine hand op hare knie vermaakten hem nog meer dan haar woorden, en toch, deze waren hem ook sympathiek; er verschool zich een verlangen naar afwisseling onder, dat gelijk was aan het zijne. Zij zagen elkander daarna een wijle glimlachend aan, en Eline gevoelde in de zachtheid van zijn fletsen blik die langzaam omstrikkende bekoring als van het staren eener slang.

--Hoe frappant.... lijkt hij op mijn lieve papa, hoe frappant! dacht zij, bijna verwonderd over de sympathie, die zij voor Vincent gevoelde, terwijl zij opstonden, nu de bel hen naar de eetkamer riep.

Hoofdstuk XIII.

I.

Mevrouw Verstraeten was bij Lili, die zwaar koude had gevat, thuis gebleven, terwijl Marie en Frédérique met Paul en Etienne, de schaatsen over den schouder, naar de IJsclub aan de Laan van Meerdervoort waren getogen. De oude heer zat te lezen in de warme serre tusschen het glanzige groen der aralia's en de palmen. Lili was uit haar humeur; zij antwoordde haar moeder, die nu en dan een fraze zeide, niet anders dan met kwijnende monosyllaben, terwijl zij, tot stikkens toe, een kuch zocht in te houden. Want zij had verklaard, dat zij beter was en niet meer hoestte; dat dit lange thuis blijven haar toch niet goed zou doen en haar zou verwennen, en dat zij over een paar dagen uit wilde. En toch, niettegenstaande dit voornemen, scheen het haar buiten Siberië toe, zooals zij in den tuin de bevroren sneeuw hard en blank zag liggen op de dorre takken der boomen, en op de onbezoedelde, in lang niet betreden paden, die marmer geleken. Mevrouw haakte ijverig door en de vlugge beweging der haakpen, die den wollen draad tot een mollig weefsel verstrengelde, hinderde Lili, evenals het regelmatig omgeslagen blad van haar vaders boek, daar ginds, haar hinderde. Zijzelve deed niets en heure handen lagen mat in den schoot, maar, genoot zij anders van zulk een dolce-far-niente, nu verveelde zij zich, zonder toch tot eenige bezigheid aandrang te gevoelen.

Heimelijk gevoelde zij zich ijverzuchtig op Freddy en Marie, die gezond en vroolijk waren, terwijl zij zwak was en zich voor ieder tochtje in acht moest nemen, maar zij had haar zuster, toen deze aarzelde met Freddy en Etienne mede te gaan, zelve aangespoord haar schaatsen te gaan halen; Marie kon toch niet altijd bij haar, Lili, thuis zitten, als ze zoo dwaas was ziek te worden, en daarbij, mama bleef haar gezelschap houden.

Een zucht ontglipte haar lippen, terwijl zij uit den bon-bonnière een cough-lozenge nam, en mevrouw zag haar even tersluiks aan, daar zij wist, hoe het openbaren harer moederlijke bezorgdheid Lili in deze prikkelbare stemming meer ergeren kon, dan de grootste onverschilligheid gedaan zou hebben.

Zoo dreef de middag langzaam voorbij onder Lili's stille bouderie en geen visites kwamen die doffe rust verstoren, toen er over vieren gebeld werd en Dien Georges De Woude binnenliet. Lili was geërgerd; Dien had hem best eerst kunnen aandienen en hem niet dadelijk in den salon laten, meende zij. Zoo intiem kwam hij toch niet bij hen aan huis. En zij groette, terwijl mevrouw Verstraeten hem de hand reikte, eenigszins koel, dralend haar witte vingertjes reikende, dralend ook volgende, toen mevrouw hem naar de serre leidde, naar den ouden heer. Haar ouders zaten reeds met hem ter neder, toen zij langzaam een rottingstoel wat aanschoof, en zich langzaam er in neêr liet zijgen, als wilde zij hem goed doen merken, dat zijn bezoek haar stoorde, en dat zij zich bij hen voegde, alleen omdat de beleefdheid dit eischte. Zij zag bij de eerste frazen, die hij met haar ouders wisselde, een weinig gemaakt verstrooid in den tuin, als stelde zij geen belang in hun gesprek. Mevrouw was begonnen met een vraag over Berlijn, waar hij drie maanden gedetacheerd was geweest, maar hij antwoordde eenigszins haastig, zich half tot Lili wendend, en hij vroeg beurtelings mevrouw en haar aanziende, naar hare gezondheid; was zij waarlijk zwaar ziek geweest? Lili murmelde iets, terwijl haar mama eigenlijk antwoordde, maar het trof haar, hoe zijn vraag gedaan werd met zekeren angst, zonder banaliteit, alsof hij inderdaad in haar welvaren belang stelde. Wat kon het hem schelen of zij ziek was of niet!... Maar hij scheen haar koelheid niet op te merken, nu hij, daar de vraag haar onbehagelijk scheen, met zijn levendige gemakkelijkheid doorpraatte en op Berlijn terugkwam, en op zijn aangename wijze de vragen van meneer en mevrouw beantwoordde. Telkens zag hij haar aan, als om haar in het gesprek te voeren, en uit beleefdheid glimlachte zij dan een enkele maal, of vroeg zij iets, zonder al te veel belangstelling. Wat ratelde hij toch altijd, dacht zij, zooals zij vroeger dacht wanneer hij causeerde als nu; maar toch, het was of die gedachte gedwongen bij haar oprees, en niet geheel en al gemeend was. Hij ratelde, het was waar, maar er was iets gezelligs en aangenaams in zijn geratel, iets dat haar, al wilde zij het zich niet bekennen, onderhield na den eenzamen achtermiddag, dien zij, zich vervelend, had doorgebracht aan de zijde heurer hakende moeder. Hij sprak niet kwaad, een beetje druk, maar vervelend was hij niet en--het was, of zij het nu voor het eerst zag--zoo vreeselijk geaffecteerd was hij toch ook niet. Hij had een wat al te nauwkeurige en daarom gekunstelde uitspraak, maar dat was alles; zijn gebaren waren eenvoudig, en door zijn lichte gemaniëreerdheid blonk iets hartelijks door, zoo vaak hij zich tot haar wendde. En zijn kleeding, ze was precies, precies, neen maar zie je, zóó precies.... toch niet poenig, moest zij erkennen, netjes, al te netjes misschien, maar eenvoudig.

Hij praatte door, nu de heer Verstraeten hem over zijn betrekking sprak, terwijl zij hem aldus opnam, en onwillekeurig, zonder het te bespeuren, hartelijker glimlachte en vriendelijker vroeg, maar hij, hij bespeurde het, en hij waagde het nog eens te vragen: gevoelde zij zich nu beter, ging zij nog niet uit? Wat kon het hem toch schelen, dacht zij weêr, bijna kribbig; één keer uit beleefdheid gevraagd, was meer dan genoeg, maar toch, zij antwoordde nu zelve, en zeide, dat zij niet meer hoestte,--een kuch logenstrafte haar aanstonds--en dat zij zich voelde bijkomen onder de goede zorgen van mama en Marie. Hij was haar dankbaar voor die woorden, maar hij had de kuch hooren krijschen in haar keel, en hij had het op de lippen, haar aan te raden, zich nog in acht te nemen; het weêr was zoo bar.... toch deed hij het niet; ze mocht eens meenen, dat het zijn zaken niet waren, en hij vroeg of Marie het goed maakte.

--O ja, antwoordde Lili; ze is gaan schaatsenrijden met Frédérique en Etienne Van Erlevoort en met Paul. Beklaagt u me niet, dat ik weêr alleen thuis moet blijven, als het zieke kindje?

--Is het u zoo een groot verdriet niet te hebben kunnen meêgaan? Houdt u van rijden?

--Ja, dat is te zeggen, ik hou er wel van, maar eerlijk gezegd, ik kan het niet goed; Marie en Freddy rijden veel beter; die zwieren dan rond, terwijl ik krabbel; ik ben te bang, weet u en....

--Maar helpen Paul of Etienne u dan niet?

--O, Paul zegt ronduit, dat hij het vervelend vindt met zoo een sukkelaarster te rijden en Etienne, dat is zoo, die offert zich wel eens een vijf minuten op.

--Maar Lili! sprak mevrouw; als je het niet kan, is het toch ook wel vervelend voor hen.

--Ik was toch galanter in mijn tijd! zeide de oude heer.

--O, ik maak hun er geen verwijt van, zeide Lili; ik constateer alleen een feit! en zij kuchte.

--Maar, als u nu beter is, als u nu weêr uitgaat, hernam Georges aarzelend,--hij wist wel, dat hij zich waagde op dun ijs,--mag ik me dan eens een enkelen keer als uw cavalier offreeren; ik ben wel meestal op mijn bureau, maar toch....

--U rijdt? riep Lili; ze had het nooit van hem gedacht.

--Ik ben er dol op! betuigde hij. Neemt u aan?

Zij bloosde bijna, en antwoordde glimlachend, met neêrgeslagen wimpers.

--O, dan heel gaarne.... met heel veel plezier. Maar u zal zoo een last van me hebben.... Ik ben zoo bang, ik hoor het ijs altijd kraken; weet u.... u vermoedt niet, wat u me eigenlijk wel aanbiedt....

--Toch wel! antwoordde hij. Ik geloof niet, dat het me ooit berouwen zal u dit gevraagd te hebben....

Hoe was het toch, dat hij een fraze zeggen kon met zoo iets.... gemeends, iets hartelijks, dacht Lili, en zij vond niets om hem te antwoorden, en lachte alleen een weinig. Er ontstond een kleine pauze in het gesprek, en eertijds zou Georges zeker zijn hoed gegrepen en afscheid genomen hebben, maar nu, hij bleef, hij verlevendigde de conversatie opnieuw, als had hij nog geen plan om in het eerste uur op te stappen; totdat Janbroêr met zijn boeken onder den arm thuis kwam, bleef Georges met gemakkelijk gekeuvel zijn visite rekken, toen werd het donker, en zich verontschuldigend over zijn lang bezoek, rees hij ten laatste op.

--O, volstrekt niet, integendeel! zeide de heer Verstraeten. Het doet me plezier je weêr eens gezien te hebben.... Groet den ouden heer en je vroolijke zus van me.

--Emilie beweerde, dat ze het niet zonder je kon stellen! voegde mevrouw er bij. Ze zal zeker wel blij zijn....

Lili begreep nu eenigszins, dat Emilie Georges gemist kon hebben, en zij bood hem gul haar hand en bedankte hem nogmaals voor zijn aanbod.

--Een goede jongen, die De Woude! sprak de heer Verstraeten, toen hij weg was en Lili ging naar den kleinen salon terug, terwijl zij haar mama ook iets gunstigs over Georges hoorde zeggen, ingenomen als zij was door Georges' beleefde voorkomendheid....

--Hij komt altijd geregeld eens aan.... natuurlijk, hij zou het niet doen, als er geen jonge meisjes in huis waren, als we geen menschen zagen, maar toch....

Lili hoorde niet verder; ze glimlachte haar fantazie toe, die zich haar voorstelde met Georges, glijdende over het ijs, de handen gekruist over elkaâr....

II.

Marie kwam thuis, gebracht door Freddy, Paul en Etienne, die aan de deur afscheid namen; zij was doodmoê, koud en rozig van wangen met schitterende oogen. Het was heerlijk geweest: veel menschen op het ijs, de Eekhofjes, Eline met Henk....

--De Woude heeft hier een visite gemaakt, zeide mevrouw. Hij was sedert drie dagen terug.

--Zoo! sprak Marie onverschillig en begon haar manteltje los te knoopen.

--En hij heeft me gevraagd met hem te gaan schaatsenrijden, als ik beter was, zeide Lili, bijna verlegen en kuchend.

Marie hield eensklaps op den mantel uit te trekken en zag haar zuster verbaasd aan.

--De Woude?.... Met jou! En wat heb je gezegd?

--Natuurlijk, dat ik het heel vriendelijk vond.... wat zou ik anders gezegd hebben....

Marie proestte het uit.

--Jij rijden met De Woude? Met dat "pedante être", dien "geaffecteerden fat"? Maar Lili, dat zal nooit gaan, je vond hem altijd zoo onuitstaanbaar.

--Qu'est ce que ça fait? Hij is tenminste galanter dan Paul of Etienne, en als hij me helpen wil....

Marie lachte steeds.

--Hij kan immers niet rijden! riep zij minachtend uit.

--Hij zegt, dat hij er dol van houdt....

--Och, geloof het toch niet.... Praatjes....

Lili haalde ongeduldig haar schouders op.

--Hij zal er toch niet om jokken....

--Mon Dieu, wat ben je in eens vol ijver om hem te verdedigen. Vroeger was er geen haar goed aan....

--Ik heb hem altijd heel vriendelijk gevonden, heel beleefd....

--Lili, hoe kan je zoo schandelijk jokken....! Je vond hem onverdragelijk!

--Maar Marie, daarom mag ik toch wel eens met hem gaan schaatsenrijden? riep Lili bijna smeekend. Je danst toch ook niet altijd met charmes van je.

--Ik weet toch niet, wat ik er van denken moet, hield Marie plagend vol. Zoo maar in eens, samen op het ijs.... Mama, vindt u het wel goed?

Lili wendde zich af met een voorname minachting.

--Kind! was alles wat zij, neêrziende op hare zuster, zeide, en zij was wrevelig op zichzelve, dat zij weêr een kleur had gekregen, voor niets immers....

III.

--Papa slaapt? vroeg Georges, terwijl hij Emilie's zitkamer binnentrad, des avonds na het diner.

Emilie schrikte een weinig; zij was eenigszins onder den indruk van een copieusen maaltijd; haar stoel was zoo gemakkelijk en het vuur zoo gezellig.

--Ja, papa slaapt, herhaalde zij, met de oogen knippende. Georges lachte.

--En Emilie, heeft die ook geslapen? vroeg hij luimig.

Emilie stemde meê in zijne vroolijkheid. Neen, ze had niet geslapen, ze had alleen maar wat zitten soezen. Bleef Georges thuis thee drinken? Dat was gezellig.

En zij zag hem, met haar hartelijke oogen, vol vriendelijkheid, aan; ze gevoelde een moederlijke genegenheid voor dien veel jongeren broeder, dien zij van kind af aan had opgevoed en bedorven en vertroeteld, die nu weêr terug was onder de vleugelen van haar zorg, na twee maanden in het buitenland geweest te zijn. Gelukkig, hij zag er goed uit, hij was zelfs dikker geworden, en zij merkte met trots op, dat er iets mannelijks lag over zijn fijne trekken, of was het, omdat haar blik hem een wijle ontwend was?

Georges zette zich bij haar neêr, sprak over dit en vroeg naar dat. Ze kende hem goed, meende zij, en aanstonds begreep ze, dat hij haar iets te verzoeken had. Zij was inwendig verheugd, dat hij haar noodig had, maar toch ondeugend genoeg, om hem uit zichzelven voor den dag te laten komen, zonder zijn woorden uit te lokken. Hij draalde zeer lang, en toen hij uit haar voorgewende achteloosheid meende, dat het oogenblik van vertrouwelijkheid niet goed gekozen was, scheen hij eensklaps beslist zijne mededeeling uit te stellen, en sprak op vasteren toon over iets onverschilligs. Nu gevoelde zij berouw en antwoordde weinig, terwijl zij een middel zocht om hem tot zijn eerste voornemen terug te brengen. Maar zij vond er geen aanleiding toe en eensklaps hakte zij den knoop door met bondigweg te vragen:

--Zeg, Georges, wat is er? Wat heb je me te vertellen?

Het was nu zijn beurt te veinzen en verwonderd antwoordde hij:

--Je iets te vertellen? Hoe meen je dat?

--Ach.... ik weet niet, ik dacht.... ik meende zoo iets in den krul van je knevel te zien! schertste zij. Is er waarlijk niets? Geldzaken?....