Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 10
--Hoe is het in godsnaam mogelijk! Jullie zijn dan toch al met bitter weinig tevreden, of liever jullie weten volstrekt niet wat er eigenlijk in de wereld is. Den Haag maakt mij slaperig en suf, er hangt iets soezigs in de lucht....
--Kom, dat zal wel aan jou liggen, lachte Paul.
--Het is mogelijk en het ligt ook zeker aan mij, dat ik zoo een leven als de meesten van jullie leiden, geestdoodend vind. Wat voeren jullie nu uit! Je loopt hier altijd rond in een heel klein kringetje, net een paard in een tramwayspel op de kermis. Je hebt in je betrekking, als je er een hebt, altijd dezelfde bezigheidjes en daarna dezelfde amuzementjes. Het is insipide, hoor!
--Maar wat wil je dan hebben, dat we doen? vroeg Georges.
--Mijn God, leidt voor mijn part zoo een plantenleven voort, maar ik begrijp niet, dat jullie niet eens verlangen er uit te gaan, de wereld eens te zien....
--En jij, jij hebt nu, zooals je het noemt, de wereld gezien, nietwaar.... en wat heb je nu....? Je hebt twaalf ambachten en dertien ongelukken gehad, en je hebt op het oogenblik het toch ook niet schitterend ver gebracht! riep Paul, een weinig ontstemd over de minachting, waarmede Vincent hem beoordeelde.
Er lichtte even achter zijn lorgnet een vinnige schicht uit Vincents fletsen, blauwen blik, terwijl zijn dunne lippen zich vastsloten in hun glimlach.
--En je vergeet je plichten als gastheer met je filozofie! riep Etienne, op zijn leêg glas tikkend.
--Ach, het is mogelijk, dat ik wat onrustiger van temperament ben dan jullie; dat zal de heele chose zijn! sprak Vincent kwijnend; hij schonk de glazen nog eens in en liet zich mat neêr op de bank, naast Georges, en zijn oogen dwaalden vermoeid door het vertrek.
IV.
Het was zeer warm geworden en de rook der sigaren scheen, als een tastbaar waas van het plafond neêr te hangen. Vincent zette de deur open. Etienne, die weinig wijn verdragen kon, was zeer opgewonden geworden, had roode kringen onder zijn oogen gekregen en zijn glas gebroken. Georges en Paul amuzeerden zich steeds om zijn grappen. Vincent echter bleef hem flauw glimlachend aanhooren.
En er rees in hem een vreemde verwondering op, een verwondering, dat een mensch steeds zichzelve, steeds zijn eigen individu was, zonder zich ooit te kunnen verwisselen in de persoonlijkheid van een ander. Dikwijls, zonder de minste aanleiding, doemde die verwondering bij hem op, te midden van de vroolijkheid der anderen en zij vulde hem met een groote verveling bij de gedachte aan het onherroepelijke noodlot, dat hij steeds Vincent Vere was en wezen zou, dat hij nimmer herboren kon worden in een geheel ander schepsel, dat ademde onder geheel andere omstandigheden in een geheel anderen kring. Hij zou gaarne verschillende gemoedslevens hebben doorleefd, in verschillende eeuwen hebben bestaan, en in telkens wisselende metamorfozen zijn geluk hebben willen zoeken. En dat verlangen scheen hem tegelijkertijd zoowel zeer kinderachtig, om de bespottelijke onmogelijkheid, als zeer verheven, om de grootsche onbereikbaarheid, die het omvatte, en hij meende, dat niemand dan hij zulk een verlangen koesterde en gevoelde zich zeer hoog boven andere menschen geplaatst.... In die mijmering was het hem, of de drie anderen zeer ver van hem waren, als van hem gescheiden door den nevel van rook.... Een gevoel van lichtheid doorzweefde eensklaps zijn hersenen; het werd, of hij elk voorwerp met heller kleuren zag, hun gelach en gepraat harder hoorde klinken in zijn oor, als op een plaat van metaal, den geur van de tabak, vermengd met een aroom van gestorten wijn, in meerdere scherpte rook, terwijl de aderen in zijn slapen en zijn polsen klopten, alsof zij barsten zouden....
Die prikkeling zijner zenuwen duurde eenige seconden; toen zag hij de jongelui hem lachend aanzien, en ofschoon hij niets begrepen had van wat zij gezegd hadden, lachte hij zachtjes meê, om hen te doen gelooven, dat hij in hun scherts meêstemde.
--Zeg Vere, het wordt hier verbazend benauwd, mijn oogen doen me pijn van den rook! sprak Georges; zouden we niet even een raam kunnen openzetten?
Vincent knikte, en deed de deur dicht, terwijl Paul, die bij het raam zat, dit openschoof. Een koelte drong aanstonds binnen. Op straat was het stil; slechts een enkele maal hoorde men een paar stemmen, bij een regelmatig geklink van stappen, voorbijtrekken, of een straatdeun, krijschend uitgestooten, door de kalmte daarbuiten heengalmen.
De kille lucht bracht Vincent geheel tot zichzelven, en zijn zonderlinge verlangens verdwenen, nu zijn zinnen tot rust kwamen. Integendeel, thans benijdde hij den drie anderen dat zelfde fyzieke en moreele plantenleven, hetgeen hij kort te voren in hen geminacht had; Paul benijdde hij zijn goede, krachtige gezondheid, slechts een weinig ontzenuwd door eenige energielooze artisticiteit; Georges zijn kalme gelijkmoedigheid en tevredenheid; Etienne zijn kinderlijke jeugd.... Waarom was hij niet als zij, gezond, tevreden en jong, waarom genoot hij niet het leven, zooals het zich gaf, en zocht hij steeds naar iets, dat hij zelve niet had kunnen beschrijven?
Het was bij eenen, toen de drie jongelui opstonden en Paul beweerde, dat zij Etienne moesten thuisbrengen, daar hij van zijn eerste opgewondenheid vervallen was in een droeve melancholie en van zelfmoord sprak.
--Zeg eens, Eetje, heb je wel je sleutel bij je? vroeg hij.
--Sleutel? vroeg Etienne met doffe oogen en doffe stem. Sleutel? herhaalde hij nadenkend. Ja in mijn zak, ja.... een sleutel.... in mijn zak .... Hier....
--Nu, kom dan, laten wij dan gaan! spoorde Georges aan.
Etienne naderde Vincent en vatte hem bij de armen, terwijl de anderen vroolijk toeluisterden.
--Vere, adieu, dank voor je hospi-, hospitaliteit. Ik heb je altijd mogen lijden, Vere, je bent een bliksems goede kerel, hoor je, Vere. Ik voel bepaald veel, heel veel sympathie voor je. Ik heb het vanmiddag nog verteld op.... op de Witte; Paul kan het getuigen, ik heb verteld, Vere, dat je een hart van goud hadt. Ze miskennen je, Vere, maar....
--Kom, allons! riepen Paul en Georges ongeduldig, hem bij een arm vattende; maak het kort!
--Neen, neen, laat me zeggen, wat.... wat ik op mijn tong heb; ze miskennen je, Vere, maar stoor je er niet aan, oude jongen; het gaat mij ook zoo in de wereld, ze miskennen mij ook. Het is treurig, treurig, maar het is zoo; dag Vere, nu, slaap lekker, Vere.
Vincent deed hen uitgeleide met een kandelaar en Etienne, tusschen Georges en Paul, nam beider arm op straat.
--Vere, wees nu niet zoo onvoorzichtig. Vat geen kou, zoo aan de deur, en stoor je er niet aan; ze miskennen je, maar ik zal je wel verdedigen....
Vincent knikte glimlachend Paul en Georges toe en sloot de deur van den donkeren winkel.
--Bliksemsgezellige kerel, die Vere! stotterde Etienne.
Hoofdstuk XI.
I.
Na vieren waren de Verstraetens meestal thuis, en het was nu een dag, waarop het omstreeks dat uur storm liep van visites, geheel en al bij toeval. Betsy en Eline waren even aangewipt en hadden er de Eekhofs en de Hijdrechten, Emilie De Woude en Frédérique ontmoet; later was mevrouw Van der Stoor met Cateautje gekomen.
Eline, met hare hand op den schouder van Cateau, boog zich over de fotografie, die deze bezag.
Zij was bewust een indruk op Cateau gemaakt te hebben, door haar elegance en haar vriendelijkheid, en daar zij, uit een behoefte aan genegenheid, gaarne sympathie verwekte, kweekte zij Cateau's liefde aan, als een dierbare plant. Maar er mengde zich in die behoefte tevens een zweem van zegevierenden trots tegenover Frédérique, in wie zij, na den St. Nicolaasavond, waarom wist ze niet, een geheimen afkeer jegens haar, Eline, vermoedde.
Terwijl Cateau haar toesprak, met haar innemend stemmetje, zag Eline even naar Frédérique op, om te zien, of deze wel de bewonderende sympathie van die kleine bespeurde. Maar Frédérique schertste met de Eekhofjes.
--U zingt veel met meneer Van Raat? Heeft hij een mooie stem? vroeg Cateau.
--Een beetje zwak maar heel lief....
--Hé, ik zou u zoo gaarne eens beiden willen hooren!
--Nu, dat kan wel gebeuren, bij gelegenheid....
--U heeft zoo een prachtige stem; o, ik vind het een genot, als u zingt, ik vind het iets goddelijks....
Eline lachte zachtjes, gestreeld door Cateau's oprechte extaze.
--Heusch waar? Maar toe, Toos, noem me toch niet altijd zoo deftig: juffrouw Vere; zeg maar Eline voortaan, wil je?
Cateau bloosde van genoegen en streelde het bont van Eline's mofje glad. Ze liet zich geheel en al inpalmen door die melodieuze stem, dien zachten, kwijnenden gazellenblik....
Meer dan gewoonlijk gevoelde Eline een behoefte aan liefde, veel liefde om zich heen. In het geheimste harer ziel was haar bewondering voor Fabrice ontvlamd in een hartstocht, die haar geheele gedachte vulde, en waaraan zij lucht moest geven zonder zich te verraden. Den rijkdom van liefde, dien zij in zich waande en dien zij niet vermocht te openbaren, scheen zij te willen verdeelen onder wie het waard waren, als een kostbaar bouquet, waarvan zij ieder een bloem toewierp. Zij overstraalde die verkorenen met den glans van haar glimlach en genoot, wanneer zij bespeurd had, dat men haar lief vond, in een welbehagen van koesterende warmte, maar ook leed zij bijna, wanneer zij in iemand eenige koelte te haarwaarts ontdekt had. Zoo deed haar de onverklaarbare stugheid van Frédérique pijn, en hoewel zij die eerst, uit zekeren trots, niet had willen opmerken, had zij thans moeite gedaan Frédérique voor zich te winnen, en deze toegesproken met al de bekoring harer lieflijkheid. Maar Frédérique antwoordde steeds kortweg, op een luchtigen, nonchalanten toon, terwijl zij een anderen kant opkeek; zij vermoedde wel, dat Eline die koelheid opmerkte, maar zij kon haar gevoelens nooit verbergen, oprecht als zij was, zonder eenigen tact voor diplomatieke veinzerij.
Het gesprek liep over portretten en mevrouw Verstraeten passeerde even Eline en Cateau om een album van een tafeltje te nemen, dien zij aan mevrouw Van der Stoor en mevrouw Eekhof wilde toonen.
Mijmerend en half luisterend naar Toos, dacht Eline aan Fabrice en zag zij den album in de handen van mevrouw Verstraeten.... En er schoot eensklaps een gedachte in haar op, als een onbesnoeide rank van haar levendige fantazie, die over haar hartstocht bloeide.... Zij zou zich een album aanschaffen, voor verschillende portretten van hem, Fabrice; het zou een klein heiligdom harer liefde zijn, waarin zij over de beeltenis van haar afgod zou kunnen dwepen, en waarvan niemand het bestaan zou gissen. Een heimelijk genoegen overglansde haar gelaat bij het voornemen en bij de gedachte, dat zij zooveel te verbergen had voor het oog van anderen; zij kreeg iets zeer belangwekkends voor zich zelve, en zij gevoelde een leegte in haar ziel zich al meer en meer vullen met de schatten van haar passie. Zij was gelukkig, en haar geluk was gemengd met een ondeugende, schalke dartelheid, dat zij iets verheelde, wat haar omgeving natuurlijk zeer dwaas en zeer berispelijk zou gevonden hebben, hadde die er van geweten.... Een jong meisje als zij, verliefd op een acteur.... wat zouden mevrouw Verstraeten en Betsy en Emilie en Cateau en Frédérique, wat Henk en Paul en Vincent wel hebben gedacht en gezegd, zoo zij hadden kunnen vermoeden....
En zij zag bijna spottend rond op haar familie, op haar kennissen, waar zij zich bewogen door den salon; zij vond zich moedig, dat zij hun conventioneel fatsoen in zichzelve tartte, dat zij gecharmeerd durfde zijn op Fabrice! Zij lachte bij een grappige uitdrukking van Emilie meer dan noodig was; ze lachte tegelijkertijd hen allen uit, die daar waren, overmoedig trotsch op haar verborgen en verboden hartstocht.
--En meneer Van Raat, meneer Paul, bedoel ik, wordt nu zeker later advocaat? vroeg Cateau.
Wat had dat kind het vandaag toch telkens over Paul, dacht Eline. Er kwam geen einde aan Paul, Pauls lieve stem en Paul advocaat....
--Ik geloof, dat je Paul nog al aardig vindt, niet? vroeg Eline.
--O, ja, ik mag hem heel gaarne! zeide Cateau zonder blikken of blozen; maar alleen, soms kan hij zoo boos zijn, vind ik; verbeeld je.... verleden bij de tableaux....
En Eline moest het verhaal aanhooren van Pauls woede, verleden bij de tableaux, en ook van Pauls kunstvaardigheid in het drapeeren.
--Die windt er geen doekjes om, dacht Eline; maar ach, ze behoeft toch niet dadelijk gecharmeerd te zijn, al spreekt ze wat veel over hem; denkelijk zou zij dan doen zooals ik en.... zwijgen....
Het liep naar halfzes toe, men nam afscheid.
--Dus ik zal u samen eens hooren? drong Cateau aan.
--Kom maar eens op een Donderdagmiddag, dan zingen wij geregeld.
--Ach, dan ben ik op school....
--Nu dan eens op een avond, nous verrons....
--O, heel gaarne.... Eline....
Zij sprak den naam voor het eerst sedert Eline's verzoek uit, en liet dien thans van haar lippen vallen in een glimlach, gestreeld door die gemeenzaamheid. Daarop nam zij afscheid, aangespoord door haar moeder.
Eline bleef een oogenblik alleen staan, bij toeval naast Frédérique. Zij had reeds afscheid genomen en wachtte op Betsy, die nog terloops met den heer Verstraeten sprak, en zij was op het punt iets tot Freddy te zeggen.... Maar zij toefde, tot deze wellicht beginnen zou.... en zij zwegen beiden.
Cateautje vertelde op straat, in extaze, allerlei liefs aan mevrouw Van der Stoor over Eline en Paul.
II.
Nieuwjaar was gekomen met harde vorst. Betsy had op Oudejaarsavond de Verstraetens en Erlevoorten, ook mevrouw Van Raat en Paul, geinviteerd op oesters en het was zeer vroolijk geweest in de warme luxe van haar salons. Nu volgden de winterdagen elkander in een zelfde eentonigheid op, terwijl de avonden voor Betsy en Eline als een onafgebroken reeks van diners en soirées voortgleden. De Van Raats zagen veel menschen en vooral was Betsy als het ware beroemd om haar keurige dinertjes, nooit van meer dan tien, hoogstens twaalf personen, en steeds aangeboden met de meest onbekrompen en gedistingueerde weelde. Zij leefden in een côterie, wier verschillende leden elkaar vaak en met gemeenzaamheid zagen, en zij waren zeer tevreden over haar kring van kennissen.
Eline intusschen, in dien lichten roes van wereldschheid, voedde de vlam harer geheime liefde in een stil geluk aan, en zij vond er zich zeer romantisch om. Op een morgen, dat zij commissies had gedaan en langs de Princessegracht terugkeerde, zag zij Fabrice, die langzaam uit het Bosch kwam, bij de Brug. Zij voelde haar hart kloppen en durfde nauwelijks opzien,--toch had zij ten laatste met een schijnbare onverschilligheid haar oogen even op hem wagen te richten. Hij was gekleed in een korten duffel; een wollen bouffante was achteloos om zijn hals geslagen; en hij liep, de handen in de zakken, met een ietwat norsche uitdrukking op zijn donker gelaat, beschaduwd door den breeden rand van zijn flambard. Hij maakte op haar een indruk van trotsche ongenaakbaarheid, en zij idealizeerde op dien indruk voort: wellicht was hij van goede familie, want zij vond, dat hij iets zeer gedistingueerds had in zijn krachtvolle gestalte; zijn ouders waren er tegen geweest, dat hij zich wijden zou aan de kunst, maar hij had een roeping in zich gevoeld, die niet te weêrstaan was; hij had zijn muzikale opleiding ontvangen aan een conservatoire, en hij had gedebuteerd, en nu gevoelde hij een bittere melancholie in zijn ziel; hij bespeurde, dat de omgeving van acteurs, waarin hij moest leven, hem te ruw en te onbeschaafd was; hij gevoelde zich vreemd van hen en trok zich terug in zijne fiere eenzelvigheid en hij dacht aan zijn jeugd, aan zijn kinderjaren, en zag zijn moeder weder voor zich, hem, met gevouwen handen, smeekend zijn voornemen vaarwel te zeggen en niet meer aan het tooneel te denken....
Sedert dien dag kreeg Eline de caprice, zooals Betsy het noemde, om des morgens groote wandelingen te doen. Zij vond het Bosch 's winters zoo prachtig, zeide zij; ze dweepte met die hooge, rechte stammen, aan marmeren zuilen gelijk, als het gesneeuwd had: het was als een kathedraal. Henk vergezelde haar een paar malen met Leo en Faust, de twee Ulmerdoggen, maar hij betreurde zijn gewoonlijken rit te paard, en zij ging nu alleen, nadat zij in den stal bij Dirk de twee honden had afgehaald, die met hun groote pooten blijde tegen haar opsprongen en haar, als twee ruwe pages, beschermend omstuwden met hun dartel geren.
Het was goed voor haar gezondheid, beweerde zij, zoo men haar verwonderd naar die wandelingen vroeg; zij liep veel te weinig, en vreesde zoo dik te zullen worden als Betsy werd, wanneer zij altijd maar reed. Dokter Reijer vond haar dagelijksche ochtendwandelingen uitstekend.
In het Bosch ontmoette zij steeds enkele wandelaars, meestal dezelfde; iederen dag een ouden, grijzen heer in een pels gehuld, en die steeds kuchte, met de hand aan zijn mond. Fabrice echter ontmoette zij slechts zelden. Hij was zeker op de repetitie, meende zij, wanneer zij den baryton niet gezien had en in een teleurstelling, die haar vermoeid maakte, naar huis ging, smachtende naar heur boudoir, haar warme kachel, haar piano. Maar toch zette zij heur wandelingen door en zij merkte nu op, dat Fabrice geregeld des Vrijdags de zijne deed; op andere dagen kon zij geen staat maken; soms zag zij hem dan, soms zag zij hem niet... En zij had het er voor over vroeg op te staan, soms nog uitgeput door een soirée, die tot drie uur geduurd had, of afgedanst, half gebroken en niet uitgerust, met blauwe kringen onder haar vermoeide oogen. Het is waar, zij zag Fabrice nu zeer dikwijls in de opera, van uit een loge, of de stalles; ze ging nu met de Verstraetens, dan met Emilie De Woude en Georges, eens had zij de Ferelijns geinviteerd,--maar toch, nu zag zij hem anders, niet van haar gescheiden door het voetlicht en den idealen toestand, waarin hij al zingend verkeerde: nu zag zij hem voor zich, op drie passen van haar af, als een gewoon mensch.
Op die dagen, dat zij Fabrice ontmoette, scheen het wijde gewelf der besneeuwde takken als te nauw om haar geluk te bevatten. Zij zag hem nader komen met zijn flinken, veêrkrachtigen pas, de flambard een weinig schuin, de bouffante met de franje affladderende van zijn schouder, en hij ging haar voorbij, terwijl hij haar, of de honden, die hem snuffelend naderden, even aanzag met een blik zonder gedachte.... Wanneer zij daarna omkeerde en langs de Maliebaan zich naar huis begaf, was zij overvol van een blijdschap, die haar een kleur op haar koele wangen joeg en haar niet de minste afmatting deed gevoelen, en, thuis gekomen, zong zij die weelde uit met een jubelende kracht, klaterend in helderheid van klank. Den geheelen dag bleef zij vroolijk en opgeruimd, en levendiger bevalligheid verving haar loome elegance. Haar oogen tintelden, zij schertste voortdurend, werd geërgerd door Henks luie goedigheid en Bens soezige zoetheid en plaagde vader en zoon, terwijl de vestibule galmde van haar schitterenden lach en de trappen kraakten, wanneer zij die bijna afsprong....
Eenmaal, dat zij Fabrice op een Vrijdag haar tegemoet zag komen, nam zij een besluit. Zij vond het kinderachtig in zich, dat zij hem nooit goed durfde aanzien; hij was toch een acteur en zou wel eens meer door dames, die hem op straat herkenden, worden opgenomen. Hij kwam nader en met iets brutaal hoogmoedigs en bijna uittartends wierp zij haar hoofdje in den nek en zag hem vlak in de oogen. Hij beantwoordde dien blik met den zijne, als gewoonlijk zonder gedachte, en ging verder. Toen, in een overmaat van moed, zag zij om.... zou hij ook....? Neen, hij liep door, met de handen in de zakken, en zij zag alleen zijn breeden rug, die zich verwijderde....
Dien morgen haastte zij zich naar huis, en ze neuriede tusschen haar gesloten lippen, waarom een trek van schalke ondeugd speelde. Ze dacht aan niets dan aan hem, Fabrice, en ze belde op het Nassauplein aan.... Grete deed open.... Leo en Faust renden naar binnen. Daar schaterde ze het uit: ze had vergeten de doggen naar den stal terug te brengen! Luid daverde het geblaf der honden door de vestibule als een duo van bassen.
Betsy kwam uit de eetkamer, brieschend van woede.
--Mijn God, Eline, ben je dol, die lamme honden hier te brengen!... Je weet, dat ik ze niet zien wil.... Ik begrijp niet, hoe het je in je hersens komt, als ik het toch niet hebben wil! Je zou op het laatst geen meester meer zijn in je eigen huis.... Breng ze alsjeblief weg en dadelijk....
Haar stem klonk hard en ruw, als een bevel tegen een mindere.
--Ze hebben dorst en ik wil ze laten drinken, zeide Eline kalm, hoogmoedig, om haar vergeetachtigheid te bedekken voor Betsy's blik.
--En ik wil niet, dat ze hier komen drinken, zeg ik je! Kijk die gang, kijk dien looper, overal vuile pooten....
--Dat kan Grete in een minuut weêr schoonmaken....
--Daar weet jij niets van! Jij leeft hier als een prinses, die niets doet, dan wat mij onaangenaam is! Ik zeg je, breng die smerige beesten weg!
--Ze moeten eerst drinken.
--Mijn God, ik wil niet, dat ze hier drinken! riep Betsy buiten zichzelve van nijdigheid.
--Ze zullen drinken, in den tuin! antwoordde Eline rustig.
--Dat wil ik wel eens zien! schreeuwde haar zuster. Als ik toch....
--Leo, Faust! riep Eline, steeds met een aanhitsende kalmte en lokte de honden tot zich, terwijl zij op haar knie klopte.
Betsy kookte van woede. Haar lippen sidderden, haar handen trilden, haar adem schokte in de keel. Ze kon niets meer zeggen, zij had Eline wel kunnen slaan, maar deze ging langzaam met de opspringende honden door het gangetje naar den tuin, en vulde zelve een emmer met water aan de kraan. Zij vond er een verfijnd genot in Betsy vandaag woedend te maken. De honden dronken en zij bracht ze terug in de vestibule.
Betsy stond daar nog steeds en haar nijdige oogen vlamden van gramschap over haar machteloosheid. Zij had Eline willen naloopen, haar den emmer uit de handen willen rukken, maar zij vermocht het niet van zenuwachtigheid.
--Ik verzeker je, Eline, bij alles wat heilig is, dat ik Henk....! begon zij met een bevende stem en een kleur als vuur.
--Ach, vlieg op! riep Eline in een plotseling stijgende drift, en zij ging met de honden het huis uit, terwijl zij de voordeur dichtsloeg.
Na een kwartier kwam zij terug, zingende en nog vol blijdschap over haar ontmoeting met Fabrice. Zij ging de trap op, terwijl zij een langen triller deed parelen, als om Betsy, die, bijna weenend, in de eetkamer zat, te plagen.
Toen Henk bij twaalven thuis kwam deed Betsy haar beklag over Eline's brutaliteit in hun huis, maar Henk werd ongeduldig, wilde niets beslissen, en zij schold haar man uit, om zijn flauwheid, in een hevige scène.
Een week lang spraken de zusters bijna geen woord met elkaâr, tot wanhoop van Henk, wien deze bouderie al zijn huiselijke gezelligheid vergalde, vooral aan tafel, waar zij snel aten, hoewel Eline voortdurend kakelde tegen hem en Ben.
Hoofdstuk XII.
I.
Het had Frédérique getroffen, hoe Otto op Oudejaarsavond bij de Van Raats zeer veel met Eline had gesproken en geschertst, wel niet in het oog loopend, maar toch meer dan zijn gewoonte was met jonge meisjes in het algemeen. Er waren een paar dagen voorbijgegaan, en zij had steeds een vraag aan haar broêr op de lippen, zonder dat er zich een gelegenheid voordeed, om die te uiten. Zij was soms brusk tegen Etienne, als deze met haar schertsen wilde, en zij had iets van haar goed humeur verloren, meenden Lili, Marie en Paul. Zij speelde ook weinig met de kinderen.
Het was een avond, dat zij thuis bleven; alleen Etienne was met eenige jongelui, die hem waren komen halen, uitgegaan. De kinderen waren naar bed en mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde in den kleinen salon bij het theeblad, mevrouw met een boek, Mathilde met een handwerk. Frédérique kwam binnen, en zij knikte haar moeder glimlachend tegen en streelde liefkoozend het grijze haar op heur slapen glad....
--Freddy, wil je even Willem bellen? vroeg Mathilde, Otto wou een kop thee op zijn kamer hebben: hij zit te werken en zal pas later beneden komen.