Eene schitterende "carrière"

Part 9

Chapter 93,899 wordsPublic domain

Toen hij nu weder de bovenverdieping bereikt had, en op zijn kloppen de bekende stem hem tot binnentreden machtigde, overviel hem andermaal de schroom van vroeger, nog verhoogd door het bewustzijn, dat hij om raad kwam vragen.

»Wel, De Witt, hoe gaat het? Je ziet er flink uit. Neem plaats!"

Professor Van Dam was opgestaan van de schrijftafel, en trad André met deze woorden te gemoet.

De hooge gestalte van den professor, het breede voorhoofd, de schrandere, zwarte oogen, donkere, lange baard, maakten telkens opnieuw indruk, wanneer hij ergens verscheen. André's eerbied en dankbaarheid voegden aan dien indruk nog iets buitengewoons toe; hij gevoelde zich klein en verlegen, maar poogde zoo goed mogelijk zijne ontroering te beheerschen. De heer Van Dam had zich op eene sofa gezet voor eene ronde tafel, waar bergen van boeken in de schilderachtigste verwarring bijeenlagen. André nam een stoel op eenigen afstand, en begon, nog eenigszins gedwongen:

»Ik kom u ophouden en storen in uw werk, professor! Neem het me niet kwalijk! Ik wilde u zoo gaarne even raadplegen!"

»Geen complimenten, De Witt! Je weet, dat ik je niet alleen het recht gegeven heb raad bij me te komen halen, maar dat ik zeer blij ben, als ik je eens zie!"

»Ik dank u, professor! al ben ik toch bang, dat ik u zal vervelen!"

»Ik niet. Hoe gaat het in Den Haag?"

»Uitstekend. Meneer Van Berenvelt blijft mij met buitengewone toegevendheid aanmoedigen, en heeft mij bovendien gezegd, dat hij mij belangrijk werk zal toevertrouwen!"

De hoogleeraar glimlachte opgeruimd.

»Het heeft dus wat geholpen!"--riep hij.

»Hoe zoo, professor?"

»'t Is waar! Je weet er niet van, De Witt! Ik heb voor een paar weken, bij gelegenheid, dat ik meneer Van Berenvelt over iets anders had te schrijven, hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij je maar flink aan 't werk moest zetten .... natuurlijk!"

André boog zonder te spreken. Dit nieuw bewijs van genegenheid ontroerde hem.

De heer Van Dam merkte wel, dat André op dat oogenblik worstelde tegen de eene of andere buitengewone beklemdheid van hart. Recht op het doel afgaande, vroeg hij daarom, alsof de zaak niets te beteekenen had:

»En wat heb je me nu voor nieuws te vertellen?"

»Ja, ziet u, professor! ik zal het u maar ronduit zeggen. Sedert een maand of drie komt het mij dikwijls voor, dat redacteurs van kranten of tijdschriften mij vragen om artikelen over onderwerpen van den dag. Ik heb het tot nog toe niet gedaan, en herinnerde mij uw les geen tijd te verspillen met beuzelachtige zaken van voorbijgaand belang. Men kan zich zoo spoedig versnipperen, zeide u mij eens, wanneer men gaat arbeiden voor de dagelijksche pers. Bij het uitgeven van zooveel pasmunt, raakt men goud of zilver kwijt--het is uw eigen woord. Daarom heb ik mij onthouden .... en toch...."

Professor Van Dam giste nog tevergeefs naar de aanleiding tot deze woorden. Hij dacht een oogenblik na. Toen zeide hij:

»Laat ons niet overdrijven, De Witt! Wetenschappelijke opstellen te schrijven in een geacht tijdschrift, als »de Gids" bij voorbeeld, is een zeer goed werk. Ik zou mij verheugen, wanneer ik daarin iets flinks van je mocht aantreffen! Denk niet, dat ik het tegenovergestelde bedoeld heb. Probeer het met »de Gids", als je er lust in hebt!"

»Ik zal het probeeren.... Maar dit is nog niet alles. Mijn doel is, ronduit gezegd, op de eene of andere wijze mijne inkomsten te vermeerderen. Ik zou dus gaarne vast medewerker worden aan een dagblad...."

»Daar zijn meer bezwaren aan verbonden. Werken voor de dagbladpers kan zeer goed vereenigd worden met grondig wetenschappelijk onderzoek.... Maar dat gebeurt niet altijd. Intusschen zou je misschien een wekelijksch overzicht van de beraadslagingen in de Europeesche parlementen kunnen schrijven, of wel, als je alleen maar een beredeneerd verslag over de debatten in onze Tweede en Eerste Kamer zoudt willen leveren, me dunkt, dat was een vruchtbaar werk!"

André herademde. Hij had ernstig gevreesd, dat zijn plan bij professor Van Dam tegenstand zou vinden. Hij zag nu, dat hij misschien zijn doel zou bereiken.

»U zou het mij dus niet afraden, als ik met een onzer groote dagbladen, bij voorbeeld het Handelsblad, overeenkwam voortdurend uitvoerige verslagen te geven omtrent de kamerzittingen?"

»Afraden, neen! Maar ik zag je toch liever aan meer theoretischen arbeid. Je werk over de Free-Traders is degelijk, en ik verwacht je natuurlijk op dat terrein terug.... Hoe komt het toch, dat je nu iets anders zoekt?"

André had de vraag verwacht, en toch bewoog hij zich verlegen op zijn stoel.

»Ik wil het u gaarne zeggen, professor! Ik weet, dat u het mij niet kwalijk zal nemen .... ook, als ik u verzoek, dit alles als zeer confidentieel te beschouwen!"

De heer Van Dam stond even op, greep een kistje met sigaren, en nadat hij André er eene had aangeboden, zei hij, ernstig en joviaal tegelijk:

»Zie zoo! Vertel me nu eens dood op je gemak, wat er eigenlijk aan de hand is, De Witt!"

De jonkman toonde zich nog vrij zenuwachtig en schutterig in zijne bewegingen, toen hij de sigaar opstak, maar vermande zich.

»Professor!"--ving hij, snel en vastbesloten, aan.--»Ik moet geld verdienen. Ik had gedacht, dat het tractement van adjunct-commies eene heele schat was. Ik had gehoopt mijne familie hier in de stad te kunnen steunen, maar er is tot nog toe niets van gekomen, en ik kan u op mijn woord verzekeren, dat ik geen cent heb verspild. U weet, dat mijn vader niet rijk is. Nooit zou ik u van deze dingen gesproken hebben, als geene buitengewone omstandigheden mij er toe noodzaakten. Voor vier jaren stierf mijne moeder, wij bleven met ons vieren kinderen achter. U kent mijn vader, zacht, vriendelijk, spoedig tot toegeven overhellend. Mama had de huiselijke zaken met flinkheid bestuurd. In de eerste dagen na mama's dood scheen het of alles in de war zou loopen. Toen nam mijne oudste zuster Letje de taak van moeder op zich. Zij was maar zestien jaar oud, zij scheen door haar tenger voorkomen weinig geschikt voor zoo'n moeielijke taak .... en toch, binnen weinig dagen was alles geregeld. Letje had bij hare taak maar ééne gedachte: doen zooals mama zou gedaan hebben! Ik was student, mijn broer Willem ging nog op het gymnasium, mijn zuster Christien was een speelsch en druk kind van elf jaar, maar ik geloof niet, dat de knapste huishoudster, de verstandigste moeder haar plicht met meer stiptheid en tact zou hebben kunnen vervullen. Zoo ging alles vrij goed tot November van verleden jaar. Papa, die niet van de sterksten is, werd gevaarlijk ziek .... misschien heeft u er van gehoord...."

Professor Van Dam knikte. Hij zag André met belangstelling aan, al lag misschien in den opslag zijner geestige oogen de vraag te lezen--waar moet dit alles toe dienen? André ontcijferde die onuitgesproken woorden, en ging schielijk voort:

»Er is nog maar weinig bij te voegen. Zes weken waakte Letje bij mijn zieken vader, en redde hem door hare voorbeeldige zorg het leven. Het hielp niet, of ik haar noodzaakte wat te gaan rusten, of ik in hare plaats waakte .... zij kwam ieder oogenblik aan het ziekbed terug. Toen papa geheel hersteld was, werd Letje ziek. Zij is schijnbaar wat beter geworden, maar eigenlijk lijdt zij altijd door. De verschijnselen zijn zeer verontrustend .... borsttering...."

Het gelaat van den hoorder veranderde. Duidelijk merkbaar stelde hij nu oprecht belang in de zaak.

Snel vraagt hij:

»Wie is je dokter, De Witt?"

»Santman, professor!"

»Zoo--en wat zegt hij?"

»Nog geen oogenblikkelijk gevaar, maar hij ziet de zaak zeer ernstig in. Zij mag hier den winter niet blijven, zij moet naar het Zuiden...."

»Natuurlijk, dat is misschien het eenige radicale middel!"

André zweeg. Hij had gehoopt, dat professor Van Dam begrepen zou hebben, wat hij eigenlijk meende. Maar de vriendelijke hoogleeraar had van kindsbeen af in overvloed geleefd, en was sinds zijn huwelijk nog rijker geworden. In dergelijke gevallen is het soms zeer moeielijk te raden, met welke angsten fatsoenlijke armoede bijna dagelijks te strijden heeft. André doorleefde zulk een oogenblik van pijnlijken angst. Maar plotseling moed vattend, zei hij fluisterend:

»Dit is de reden, waarom ik probeeren wilde in de dagbladen te schrijven. Ik heb besloten mijne arme zuster het leven te redden, als het nog mogelijk is. Maar ik herinnerde mij uwe waarschuwingen, en wilde vooraf om raad vragen!"

»Bravo, De Witt! Dat is een goed plan! Als ik je helpen kan, zeg het dan maar!"

De heer Van Dam zag met heimelijk medelijden naar zijn vluggen leerling. Wat zou er van hem worden, als hij met het beste doel van de wereld zich ging wijden aan den afmattenden arbeid der journalistiek? Hij had zoo dikwijls arme jongelieden, die iets beloofden voor de wetenschap, zien ondergaan in de dagelijksche beslommering om fatsoenlijk te blijven leven. Het was de oude, zeer oude geschiedenis, maar....

Zijne laatste woorden hadden André bemoedigd.

»Professor!"--zei hij onbeschroomd.--»U heeft invloed bij de redactie van »de Gids". Er zijn in den laatsten tijd eenige Engelsche boeken over economie uitgekomen. Ik wenschte er een critisch verslag van te geven. Zou u mijn opstel willen aanbevelen?"

»Met het meeste plezier, amice! Maar .... neem me niet kwalijk, als ik eene zwarigheid maak. Zou dit wel de practische weg zijn, om tot je doel te komen? Wetenschappelijk werk brengt weinig op, en we hebben hier eenvoudig een geldquaestie, niet waar? Ik zou de zaak anders begrijpen. Geef aan dagbladen en tijdschriften, wat ze van je vragen .... het moet nu eenmaal, maar zie zooveel mogelijk vast werk te krijgen voor een bepaalde som. Ik ben bereid je in alles te helpen, doe me maar het een of ander voorstel....!"

Volkomen tevreden, verruimd, alsof hem een pak van het hart viel, stond André op.

»En nu durf ik u niet langer storen, professor! Ik weet nu, wat ik te doen heb. Bij voorkomende gelegenheid mag ik immers op uw hulp rekenen?"

»Dat spreekt van zelf. Beschik over mij. Nog één raad. Blijf in je werk voor dagbladen en tijdschriften zooveel mogelijk oorspronkelijk en degelijk! Schrijf nooit anoniem. Plaats je naam onder je stukken, en zie toe, dat je hem niet bederft!"

Professor Van Dam bleef op de sofa zitten, alsof hij niet bemerkte, dat André wilde vertrekken. De hoogleeraar was bezig een plan te vormen, en zon op middelen. Juist poogde André eerbiedig de hand uit te steken, om afscheid te nemen, toen de heer Van Dam haastig opsprong, en riep:

»Gevonden, De Witt! gevonden!"

Hij liep naar de schrijftafel, en kwam met een bundel handschriften op André af.

»Kijk eens hier! Heb je lust dit alles te lezen en te beoordeelen? Het zijn manuscripten van verschillende auteurs, die een bijdrage wenschen te plaatsen in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Als je die stukken gelezen hebt, geef mij dan in een kort woord op, of je ze geschikt vindt voor plaatsing en waarom?"

André neemt de handschriften zonder te antwoorden.

Professor Van Dam brengt hem naar de tafel, waar ze gezeten hadden, terug. Hij wijst hem naar een stapel boeken.

»Zie je die boeken? Altemaal ingezonden op hoop van een beoordeeling in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Heb je moed ze te lezen, en met een kort woord van critiek te behandelen? Zie je er niet tegen op? Dan verlos je mij van een taak, die me maand op maand meer begint tegen te staan. Jij neemt het eigenlijk redactiewerk van het tijdschrift op je--ik blijf adviseerend redacteur, en jij verdient het honorarium, dat spreekt van zelf! Wat zeg je daarvan?"

André was hoogrood van blijdschap, verrassing en ontroering. Hij stamelde eenige woorden van dank, en lachte ondanks den ernst van het oogenblik. Hij sprak van eer, van onderscheiding, van jeugd, van gebrek aan ervaring en wetenschap, van verplichting en dankbaarheid.... De hoogleeraar viel hem in de rede:

»Hoor eens! Eens en vooral, hier wordt niet van dank gesproken! Jij doet je werk, en daarvoor krijg je je loon. Apropos, geef me maar een wenk, wanneer je er over beschikken wilt. En, als alles naar wensch gaat, word je een volgend jaar mede-redacteur, en komt je naam naast den mijne op het titelblad."

»O, professor! professor!"

»Verlies nu je tijd niet met praten, maar loop eens gauw naar dokter Santman.... Je moet toch weten, waar je de arme patiënte brengen zult!"

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Prettige komplotten.

Wat er in twaalf maanden kan voorvallen als men al de gebeurtenissen uit een enkel menschenleven bijeenbrengt, is soms meer dan de soberste historieschrijver in ettelijke boekdeelen kan verhalen. Breidt men den kring uit tot eene afzonderlijke familie, tot eene geheele stad, dan wordt de taak schier onmogelijk. In de meeste gevallen zal de Muze der geschiedenis echter de aangeboden stof versmaden, de talrijke handschriften in de scheurmand werpen, en binnen een enkelen volzin saamvatten wat gedurende een geheel jaar voorviel.

Aldus Clio. Maar niet alzoo Erato en Euterpe. Het lief en leed van een enkel mensch, van een enkel huis zijn haar dierbaar. Van de geschiedenis des harten te vertellen is haar duizendwerf aangenamer dan te spreken over eene ministeriëele crisis. Onder aanroeping dier beide vriendelijke Muzen wordt er hier opnieuw een begin gemaakt met het tweede deel van de geschiedenis der familie De Milde uit het Westeinde in Den Haag, en wel juist twaalf maanden, nadat zij voor het eerst in dit eenvoudig verhaal te voorschijn trad. Wat er in het verloopen jaar geschied is, zal, als het noodzakelijk mocht schijnen, ter gelegener plaatse worden ingelascht.

Zondag, September 1854. Heldere hemel, felle zonneschijn. De golven aan 't strand te Scheveningen komen vroolijk bruisend naar den lagen oever stroomen. Water en hemel vertoonen bijna dezelfde tint--een flikkerend blauw door de zonnestralen met goudvonken getooid.... Er is groote deining in zee ten gevolge van eene flinke bries uit het Zuidwesten. De stem der golven zingt een vroolijk lied met het oude, geheimzinnige refrein, half vol weemoed, half vol jubel. De pinken liggen in eene lange rij voor anker; de slanke masten teekenen zich geestig tegen het azuur, terwijl nauwlijks zichtbaar een rood of blauw wimpeltje de windrichting aanstreept. De schommeling der baren doet de vaartuigen zachtkens bewegen, als het witte schuim der branding tegen de kiel spat. Aan den horizon, schemerend en flauw geteekend door eene amethistkleurige wolkbank, verraadt een wegblauwende damp, dat een stoomer is voorbijgegaan. Terugkeerende visschersvaartuigen doemen op uit de verte, de masten in rustelooze beweging door de hooge, woelende zee.

Aan het strand bij de pinken heerscht groote levendigheid. Scheveningsche kinderen met bruine gezichten en wit hair scheppen een nationaal plezier in het blootvoets waden door het heldere water, terwijl zij luid joelend onder de ankertouwen doorkruipen. Invaliden der zee met duizend plooien in de geblakerde troniën rooken een bruin eindje pijp, en turen naar den gezichteinder. Enkele vrouwen dalen van de gele duinen, schommelend met eene weelde van rokken om de heupen, als nimmer in eenig oord der beschaafde of onbeschaafde wereld is aangetroffen.

Hoog verheft zich het duinzand van den dorpstoren tot aan het »groot stedelijk" badhuis, welk laatste gebouw nog in geen enkel opzicht »groot" en veel minder »stedelijk" te noemen is. Boven de woestijn van zand tusschen beide gebouwen rijst alleen het eenvoudig, vorstelijk paviljoen op een heuveltop. De beroemde zeebadplaats Scheveningen is nog niet ontdekt door den stroom der Europeesche reizigers; de Nomaden onder de Londenaren spannen hunne tenten elders; de tengere dochters van den Rhijn en de Spree verschrikken nog niemand met hare ongeoorloofd leelijke hoofddeksels van bruin stroo.

Rondom het badhuis heerscht stilte. De dagen der muziektent zijn nog niet gekomen, de zee maakt hier alleen muziek voor den eenzamen wandelaar. Niemand droomt van de hooge teenen strandstoelen, waarin Duitsche bankiers aan hunne millioenen en Hollandsche freules aan hare bruidstoiletten zullen denken, totdat het fluisterend lied der golven ze al te zaam in den slaap der onnoozelen zal hebben gewiegd. Op de duinen en omlaag wemelt geene bonte menigte van bezoekers; de kinderen der voorname badgasten zullen eerst later komen, om met hunne ijzeren spa of houten schop beddingen voor kleine stroomen te graven of bergen van vochtig zand op te werpen.

Behalve het Scheveningsche publiek bij de pinken vindt men evenwel het dagdievend stadsvolk in groote getale vereenigd op het terras of in de omstreken der gastvrije inrichting van oudsher »Zeerust" genoemd. De frissche bries maakt het zitten in de open lucht trots fellen zonneschijn niet onaangenaam. Aan tafeltjes zitten enkele groepen bijeen. Daar het omstreeks drie uren is, laten de heeren zich kleine glaasjes met nationale vloeistof geven; het gerucht der stemmen wordt luider.

Dicht bij den kleinen muziektempel van »Zeerust", in het genot der schaduw, heeft zich een gezelschap van vier dames en twee heeren neergezet. Het zijn de dames De Milde--Kee, Jans en Willemien--vergezeld van de sedert een jaar bij haar inwonende mevrouw De Huibert. André de Witt is de eene heer, de andere heet Kees Tulk, ambtenaar bij de posterijen, en droog komiek bij gelegenheid. De beide oudste dames De Milde zijn misschien wat ronder en Willemien misschien wat schraler geworden, maar voor 't overige heeft »de tand des tijds" haar nog niet veel kwaad gedaan. Mevrouw De Huibert ziet er in haar zwierig zomertoilet jonger en bevalliger uit dan ooit te voren; haar toon tegen de familie De Milde is merkbaar milder geworden. Suze heeft de herhaalde pogingen van een viertal doodgoede, maar buitengemeen nieuwsgierige dames niet kunnen verijdelen; de dames De Milde hebben een soort van vriendschappelijk verkeer met haar aangeknoopt, en nu weten zij dan ook zeker, dat mevrouw De Huibert geene weduwe is, dat ze vrijwillig gescheiden van haar echtgenoot leeft wegens finantiëele onaangenaamheden, die voor geene minnelijke oplossing vatbaar zijn. De dames De Milde vertellen nu aan ieder, die het hooren wil, dat mevrouw De Huibert eene »allerliefste lieve vrouw" is, die men heel »leelijk" behandeld heeft. In één opzicht werd de nieuwsgierigheid der dames nog niet bevredigd. Mevrouw De Huibert gaat dikwijls des avonds uit, en komt somtijds laat thuis, altijd begeleid door denzelfden heer. Maar niemand der familie, welke zij verklaart met hare visites te begunstigen, komt ooit in het Westeinde terug. Daar mevrouw De Huibert omtrent dit verschijnsel altijd even geheimzinnig blijft, spannen de dames De Milde hare uiterste krachten in, om den sleutel van dit mysterie te vinden. Intusschen duurt de dagelijksche omgang op den aangenaamsten toon voort, en is er tot nog toe geen wolk gerezen tusschen beneden en boven in het Westeinde.

Dit zestal dames en heeren had het zeer druk met praten en lachen. Boven allen uit klonk de stem van Willemien, die naast André zat, en telkens van kleur verwisselde, daar de beide oudsten haar voortdurend zusterlijke aanmaningen toedienden. André had het niet minder druk met allerlei mededeelingen, terwijl de jonge Tulk voor de ververschingen zorgde, en Suze droomend naar de onmetelijke zee zat te staren.

»Alles dient nu afgesproken!"--ging André voort.--»In deze maand kunnen we nog vier- of vijfmaal repeteeren...."

»Zou dat wel genoeg zijn, André?"--vraagt Willemien.

»Laat hem toch uitspreken!"--vermaant Kee.

»Vóór den twaalfden October kunnen we dan nog een paar maal in kostuum en met al de accessoiren repeteeren,"--hernam de dilettant-regisseur,--»en dan komt het ding wel in orde!"

»Te beginnen met van avond!"--riep Willemien.

»Juist! Van avond repetitie!"--vervolgt André.--»Ik reken er nu op, dat de dames de rollen van buiten kennen. Vooral Roza en Louise mogen er nog wel wat meer werk van maken!"

»Ja, dat heb je er van, als je er kinderen bij haalt!"--meent Willemien.

»De kinderen moeten er bij voor papa en mama!"--herinnert Jans.--»Ik zal wel zorgen, dat Roza en Louise hare rollen kennen!"

»Goed; en dan moeten de dames eens aan de kostumen gaan denken!"

»De kostumen! Bravo! de kostumen!"--roept Willemien.

»Ja, dat is een lastige quaestie! Daar moest mevrouw ons eens wat aan helpen!"

Als uit verre gewesten plotseling op »Zeerust" aangeland, zag Suze in 't rond bij dit woord van de oudste der De Mildes.

»Helpen .... met plezier, maar wat bedoel je eigenlijk?"

»Meneer De Witt zegt, dat we voor onze kostumen moeten gaan zorgen!"

Zonderling. Suze had juist gemijmerd over het kostuum van .... minister! Zij zag een rijzig jongmensch vóór zich staan met den ministerrok vol goud borduursel....

Haastig antwoordde zij:

»Laat meneer De Witt je dan zeggen, hoe hij het hebben wil!"

André, die, wat er ook met hem in het verloopen jaar was voorgevallen, altijd zijne gezonde opgeruimdheid had bewaard, toonde zich onmiddellijk bereid.

De drie De Mildes luisterden aandachtig. Mevrouw De Huibert vestigde hare blikken weer naar zee, en vervolgde den afgebroken droom.

»Ons kostuum, dames!"--begon André--»kan zoo poëtisch mogelijk opgevat worden. We leven niet onder de verplichting, om er bepaald Olympisch uit te zien. Daar heb je in de eerste plaats Tulk, die voor Mars speelt...."

»Ik heb je al gezegd, De Witt! dat ik sergeant ben bij de Haagsche schutterij!"--viel de droogkomieke ambtenaar der posterijen in.--»Voor mijn kostuum als krijgsgod heb ik dus niet te zorgen!... Aannemen!"

De deftige knecht van »Zeerust" schoot ergens uit een schuilhoek te voorschijn, en hield eene fluisterende beraadslaging met den Haagschen schutter.

»Het moeilijkste zijn de dameskostumen!"--ging André voort.--»Voor de kleineren, Roza en Louize, die Apollo en Eroos zullen voorstellen, is nog wel wat te vinden. We nemen een tuniek van wit gaas, een verguld gordel, gouden kothurnen, pijlenkoker, boog en pijlen van hetzelfde metaal, en rozen, in kransen op het hoofd gedrukt, zooveel je maar wilt...."

Willemien had met hooge belangstelling dit debat gevolgd. Blozender dan ooit vroeg ze:

»En wat zou je mij raden, André? Dat kostuum voor de kinderen zal ik wel in orde maken. Er is niet veel aan te doen, en ik begrijp precies wat je wilt. Maar dat Pallaskostuum, wat begin ik daarmee?"

Kees Tulk, die naar een ouderwetsch glaasje keek, waaruit elk spoor van vocht verdwenen was, viel driftig in:

»Wel, juffrouw Willemien! dat is, dunkt me, gemakkelijk. Je trekt eerst je regenmantel aan, dan huur je een borstharnas en een kurassiershelm! En als je dan nog een schild en een speer van de Leidsche Minerva kunt leenen, dan ben je al een heel eind heen!"

Kee en Jans vonden dit »allerdolst", en schaterden het uit. Willemien richtte een vragenden blik naar André, waaruit eene wereld van bittere verontwaardiging zich openbaarde.

André hield zich zeer ernstig, met heldenmoed allen lust tot schertsen onderdrukkend. Hij greep oogenblikkelijk de gelegenheid aan, om het vraagstuk der kostumen tot de repetitie van den avond uit te stellen. Niet minder ernstig voegde hij er bij:

»Maar er is nog iets anders. Hebben de dames wel gedacht om de muziek? Een zilveren bruiloft zonder muziek is een onmogelijkheid. En daar wij al te zaam als dilettant-artisten optreden, moeten we zien ook dilettanten voor de muziek te vinden!"

De drie De Mildes keken elkander verschrikt aan. De muziek .... nieuwe moeielijkheid! Zij hadden er al zoo veel overwonnen. Nu kwam de muziek! André loste tot nog toe als goed vriend bijna alle zwarigheden zegevierend op. En hij had daarbij vooral gezorgd, dat de beurzen der verschillende kunstenaars konden gesloten blijven.

Suze, die opnieuw uit haar droom wakker schrikte, en het woord muziek verstaan had, beijverde zich nu, om met de meeste hartelijkheid te zeggen:

»Wou jelui muziek hebben? Wel, me dunkt, dat is heel eenvoudig. Ik zal jelui wel helpen. Van avond komt mijn zuster Betsy me opzoeken, dan breng ik haar bij de repetitie, en jelui hebt een virtuoos eerste klasse!"