Part 5
Mevrouw Muller Belmonte boog het hoofd. Het denkbeeld, dat ze tegen onverdiende armoede zou moeten worstelen op hare jaren, maakte haar diep ongelukkig. Zwijgend ging zij weer naar haar stoel. Hare oogen waren vochtig geworden. Zij wilde naar Betsy's vriendelijken raad hooren, en toch kon zij niet geheel met de verstandige plannen van haar jongste kind instemmen.
Een haastige tred klonk bij de deur.
Suze trad binnen. Of de Haagsche zomerlucht haar een blos op de wangen tooverde, of het smaakvol toilet, lichte rouw, haar buitengewoon goed stond, dit althans was zeker, dat ze er ongemeen bevallig uitzag. Toen ze haar moeder en zuster zag, fronste ze even de wenkbrauwen. Kalm begon ze:
»Jelui hier?"
»Ja, Suze! We moeten je het een en ander vertellen, en over een paar punten met je overleggen!"
Mevrouw Muller Belmonte had gepoogd vriendelijk en voorkomend te spreken. Ze had niemand bekend, welk een heimelijke toorn er voortdurend woedde in haar binnenste. Den dood van haar man, het schandelijk bankroet, de verachting van heel Osterwolde, had zij kunnen trotseeren, wanneer hare dochter, mevrouw De Huibert van Vliethuysen, zich niet als eene gemeene deern had laten wegjagen uit de echtelijke woning.
Suze vermoedde niet in 't minst, wat er bij hare moeder omging. Ze antwoordde uit de hoogte:
»We hadden immers afgesproken, dat jelui Zondagsmorgens bij mij zoudt komen koffiedrinken! Is er nu zoo'n haast?"
»Ik begrijp, dat je ons heel best kunt missen, Suze! Schikt het je niet ons te hooren, dan zullen we onmiddellijk weer heengaan!"
»Zooals u verkiest! Ik heb geen lust, om dadelijk weer te kijven...."
Maar Betsy treedt snel naar Suze toe. Zij fluistert haar iets in 't oor. Mevrouw Muller Belmonte heeft met vonkenschietende oogen zich opgericht.
»Kijven! Het past je niet tegenover mij dat woord te gebruiken! Kom, Betsy! Laat ons gaan!"
Maar Betsy, die sedert den noodlottigen nacht, toen haar vader stierf, reeds menig moeielijk oogenblik met hare moeder en oudste zuster had doorgebracht, Betsy wendt zich tot de eerste, en zegt:
»Neen, mama! We moeten geduld hebben, omdat we ongelukkig en arm zijn! Suze zal naar ons luisteren! Onaangenaamheden zijn er toch al genoeg!"
Mevrouw De Huibert hield zich zwijgend met haar eleganten zomerhoed bezig, en wachtte tot Betsy mama zou hebben doen bedaren. Mevrouw Muller Belmonte ging bevende weer zitten, en zei dof:
»Zeg jij het, Betsy!"
»Goed, mama!"
Suze trad zonder de minste ontroering nader, en plaatste zich bij het venster. Zij keek verstrooid naar buiten.
»Suze!"--begon Betsy,--»gisteren was je nog geen uur weg, toen we een brief kregen uit Amsterdam van oom Muller. Hij schrijft mama, dat hij in de eerste plaats de zaak van Bram en Karel in orde heeft gebracht. Beide jongens zijn gezond en sterk: als ze goed willen oppassen bij het instructiebataljon te Kampen, zal hij ze zooveel mogelijk helpen. Ze zijn heel wel tevreden, en hebben beloofd hun best te doen!"
»Dat is ten minste goed nieuws!"--merkte Suze op.
Mevrouw Muller Belmonte bleef beweegloos in elkaar gedoken zitten. Haar zwager, de Amsterdamsche kolonel, kende den omvang der familierampen ten volle. Hij had besloten de beide jongens tot onderofficier te doen opleiden, en ze verder te steunen, zoolang er aan hun gedrag niets mankeerde.
Betsy wachtte eene poos en ging toen na eene korte aarzeling voort:
»Oom schrijft verder over ons beiden, over mama en mij.... Hij vindt het vreemd, dat wij te Rijswijk blijven, en dat jij, Suze, naar Den Haag gaat. Hij had het verstandiger gevonden, als wij al te zaam te Rijswijk waren gebleven, in de eerste plaats om de kosten...."
Het was nu Suze's beurt het hoofd toornig op te heffen. Snel viel ze hare zuster in de rede:
»Dat is mijn zaak! Laat hij er buiten blijven! Ik weet wel, dat hij juist niet met mij dweept .... de brave man heeft principes.... Heel goed! Maar ik heb hoegenaamd geene verplichting aan hem! Ik verlang, dat hij mij met rust laat."
»Maar Suze! denk toch, dat mama en ik alleen van zijne mildheid afhangen! Hij meent het best! Hij zal ons helpen .... hij dacht, dat jij bij ons zoudt blijven wonen, dan konden we zeer fatsoenlijk leven!"
»Oom Muller mag denken wat hij wil! Daar kan niets van komen! Mijn plaats is in Den Haag! Ik heb een vast plan, ik wijk er niet van af."
Mevrouw Muller Belmonte had met klimmende verontwaardiging en bittere gramschap de woorden harer dochters gevolgd. Telkens wilde zij spreken, telkens bedwong zij met inspanning haar toorn.
Betsy zag Suze met een bedroefden blik aan, en ging voort:
»Oom Muller schreef verder, dat hij hartelijk deelnam in ons ongeluk, dat hij als toeziende voogd voor Bram en Karel zal zorgen, maar, dat hij voor mama en mij niet meer dan vijfhonderd gulden in 't jaar kan afstaan. Hij bekent, dat het heel weinig is, maar hij verwijst naar...."
»Naar mij!"--valt Suze schamper glimlachend in.--»Dat spreekt van zelf! Ik ben schatrijk! Het moet van mij komen...."
»Neen, niet alleen van jou! Ook van mij!"--zegt Betsy snel.--»Oom Muller heeft mij nog een goeden raad gegeven. Hij hoorde mij te Amsterdam piano spelen, en denkt, dat ik buitengewoon vlug en vaardig ben op dat instrument. En ook omdat ik zeer goed onderwijs heb gehad, voel ik mij in staat les te geven. Als je me helpen wilt, Suze! dan krijg ik misschien hier in Den Haag wel lessen, en dan konden wij, als jij ook wat deedt, mama een gerusten ouden dag bezorgen!"
Betsy bleef een oogenblik op antwoord wachten.
»Dat idee is niet kwaad, Betsy! Reken op mij, ik zal zorgen, dat je lessen krijgt! Binnen een paar dagen zal ik er werk van maken. Dat kan heel goed! Maar ik zie geen kans je verder te helpen. Ik kom maar even rond met wat ik heb. Vaste ondersteuning beloof ik niet! Bij buitengewone omstandigheden, als je in groote verlegenheid waart, dat spreekt van zelf, dan...."
Mevrouw Muller Belmonte stond schielijk op. Het gele gelaat was grauwbleek geworden. Heesch van gramschap viel ze plotseling uit:
»Dank je, Suze! Ik wil geen cent van je aannemen! Ik wist vooraf, dat het zoo zou gaan! Eens en vooral zweer ik je, dat je geen last meer van mij hebben zult. Ik heb veel geleden, en zal het wel niet lang meer maken! Maar zoolang als ik in deze ellendige wereld leven moet, zoolang zul-je uit mijne oogen blijven! Koud, hebzuchtig, zonder een greintje gevoel, net als je knappe vader, laat je mij eenvoudig aan mijn lot over! Heel goed! Geloof niet, dat ik laaghartig genoeg zal zijn, je ooit weer om hulp te vragen.... Kom, Betsy! Geef me mijn hoed!"
Betsy vatte de van woede sidderende vrouw bij de hand, en vermaande zacht tot kalmte en vrede.
Maar de verontwaardiging harer moeder was te sterk. Mevrouw Muller Belmonte ging voort:
»'t Grootste deel van mijn leven heb ik geleden onder een despoot van een man, die mij iederen dag door zijne opvliegendheid deed beven. Hoe dikwijls heeft mij dat ongelukkig huwelijk berouwd. Ik leefde heel gelukkig te Deventer bij mijne ouders. Mijn papa was een braaf dokter. We hadden het niet ruim, maar we konden toch bestaan. Toen kwam je vader, een doodarm candidaat-notaris. Hij vroeg me .... uit liefde, zei hij. Papa was overal geacht en bemind, hij had aan alle kanten van het land vrienden en relatiën. Mijn handige aanstaande begon dadelijk te intrigeeren, om door hulp van mijn vader tot notaris benoemd te worden. Eindelijk gelukte het te Osterwolde. Je vader, die geen cent, maar vrij wat schulden had, gedroeg zich of hij millionair was. Hij kocht huis, erve en stalling van zijn voorganger, hij kocht paarden en rijtuigen en wist op een wonderlijke manier bij iedereen crediet te krijgen. Kostbare meubels werden aangeschaft, onze huishouding op hoogen voet ingericht. Als ik me angstig maakte over den last der schulden, lachte je vader me uit. Hoe hij er zich uit redde, weet ik niet. Zijn uitgaven voor allerlei onnoodige weelde hebben jaarlijks duizenden en duizenden verslonden. Zei ik een woord, dan snoerde hij me de mond. Nooit heb ik iets geweten van den stand zijner zaken. Eens heeft hij in een hevigen aanval van woede zich verraden, en mij doen merken, dat hij in effecten speculeerde. Hij had een groot verlies geleden, en deed een zwaren eed, dat men hem nooit weer zou verschalken.... Of hij zijn woord gehouden heeft, weet ik niet, maar dit weet ik, dat ik meer dan vijf en twintig jaren in vrees en onrust en daarbij in weelde en overdaad heb geleefd, om nu eindelijk tot armoede en schande te komen .... om nu uit de hoogte behandeld te worden door een dochter, .... die iedereen den rug zou toekeeren, als de wereld maar wist, wie zij was!"
Mevrouw Muller Belmonte had, sidderend van klimmende ontroering, dan eens zacht en haperend, dan weer luider en hartstochtelijker gesproken. Telkens op het punt in tranen los te barsten, beheerschte ze evenwel hare smart, om bij de laatste woorden met volle kracht van stem en uitgestrekten rechterarm tegen Suze uit te vallen.
Deze had zeer oplettend naar de voorbijgangers in het Westeinde getuurd. Een schamper glimlachje krulde hare lippen. Zij keerde zich om, en zei zeer bedaard:
»De familie beneden zit achter en kan ons gelukkig niet hooren. Anders zou ik vriendelijk verzoeken wat minder hard te schreeuwen!"
Mevrouw Muller Belmonte antwoordde niet. Met bevende vingeren gaf ze Betsy hare muts, en repte zich haar hoed op te zetten. Langs de gerimpelde wang liep een traan, dien ze haastig afwischte. De hoekige, magere gestalte der oude vrouw kwam scherper uit, naarmate zij zich driftiger bewoog, voortdurend het hoofd schuddende, terwijl Betsy haar smeekend iets in 't oor fluisterde.
»Kom, kind!"--sprak ze halfluid, telkens nieuwe tranen afwisschend.--»Geen minuut langer hier! Kom!"
Er wordt vrij luid op de deur geklopt.
Schoon in de verwarring niemand »binnen!" riep, werd de deur toch geopend, om toegang te verleenen aan de buigende en glimlachende mevrouw De Milde.
De waardige dame scheen eenigszins verlegen met hare houding, en stapte onder groote drukte binnen, zoodat de breede stroogele linten van haar hoofddeksel in golvende slingering hare bewegingen volgden.
»Neemt het me asjeblieft niet kwalijk, dames!"--sprak ze.--»Ik ben zoo vrij u even te storen! De dames zullen ons, hoop ik, de eer aandoen hier te blijven eten?"
Betsy toonde het meest tegenwoordigheid van geest, en antwoordde oogenblikkelijk:
»Wij zijn u zeer verplicht, mevrouw! Voor van middag hebben we ons woord al gegeven!"
»Dat spijt me! Het zou ons hoogst aangenaam geweest...."
Suze keerde zich met een beleefden glimlach tot de goedhartige oude dame, en viel haar in de rede:
»En mij ook, mevrouw! Maar de dames kunnen vandaag onmogelijk. Later zullen we, hoop ik, van uwe vriendelijke invitatie gebruik maken!"
De drie dames Muller Belmonte bogen zeer deftig. Mevrouw De Milde begreep, dat het niet fatsoenlijk was langer aan te dringen of te blijven. Zij voegde hare buigingen bij die van het drietal, en trok zich onder een vloed van woorden terug. Toen zij de deur der bovenkamer achter zich sloot, bekroop haar de groote verzoeking even te luisteren, wat er gezegd zou worden, maar zij durfde niet .... de oude mevrouw stond op het punt te vertrekken. Daarom wipte mevrouw De Milde vlug naar beneden, en verscheen zij met een raadselachtig gezicht in de tuinkamer, waar de drie gezusters nog altijd ijverig aan de wasch bezig waren.
Vragend staarden zij hare moeder aan. Deze zweeg, en ging op hare gewone plaats zitten. Werktuigelijk grepen de dames ieder een servet of sloop. Toen bogen de vier hoofden zich tot elkander en begon mama te fluisteren. 't Scheen of de heeren met de vermiljoenkleurige »houppelandes" en de dames met de gele zijden »sakken" van het behangsel nieuwsgierig naar het viertal omzagen, maar men lette er niet op, en de fluisterende stem werd langzaam luider:
»Ze hadden woorden.... Er werd hard geschreeuwd! 't Was over geld, denk ik! De oude mevrouw sprak tegen mevrouw De Huibert. Eén ding kon ik duidelijk verstaan. De oude mevrouw Muller riep: »Als de wereld maar eens wist, wie je bent!" of zoo iets. Ik klopte aan, omdat ik er niet meer van hooren wilde, en ik merkte duidelijk, dat er wat aan haperde .... enfin, dat er hier iets heel geheimzinnigs is. Wat moeten we daar nu aan doen?"
De drie dames zwegen eene poos.
Willemien was het eerst met een antwoord gereed:
»We moeten het aan den ouden heer vertellen, en die zal beslissen!"
Kee gaf het tweede advies:
»Laat papa er buiten! Hij is in staat er op de sociëteit over te praten, en dan krijgen we er naderhand last van!"
Jans besloot het debat:
»Jelui begrijpt er niets van. De particuliere zaken van mevrouw De Huibert gaan ons niet aan! We hebben het bovenkwartier voor een jaar verhuurd, en dat is de hoofdzaak!"
Niemand antwoordde, en het viertal wijdde zich met dubbelen ijver aan de wasch.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Bij den Secretaris-generaal.
Donderdag, negen uur des avonds. De duisternis is gevallen over de residentie. Des namiddags was de hemel door akelige, donkere wolken verduisterd geworden, alsof een brekebeen in de waterverfschilderkunst het zwerk met sepia en Oost-Indischen inkt had bemorst. Een onweer, bliksem en hevige donderslagen volgden. Regenstroomen hadden de smachtende bladerkronen van den korten Vijverberg overvloedig gedrenkt; het eilandje ontwaakte uit de doffe dommeling door de felle zonnestralen van Augustus' laatste dagen over den Vijver als uitgegoten; het droppelde onder de lindenlaan op het schelpenpad langs het water; de gaslantaarns werden ontstoken. Nadat de storm had uitgewoed, blies een koele westenwind over Voorhout en Vijverberg; de starren gluurden langs de aftrekkende wolkgevaarten; een schoone zomernacht brak aan.
Op den Vijverberg staat een vorstelijk gebouw van drie verdiepingen, sinds lange jaren eigendom en woonhuis der familie Van Berenvelt. Even na negen uur klonk de bel herhaaldelijk in de ruime marmeren vestibule. Vier knechts in galalivrei stonden boven aan eene marmeren trap van vijf treden, langs de beide zijden van welke schilderachtige heesters en bloemen prijkten. De lakeien haastten zich de gasten binnen te laten, en openden de glazen deur boven aan de marmeren trap. Eene helder verlichte gang, met een dik Turksch tapijt bedekt, en wederom door hoog opgaande heesters en bloemen getooid, bracht naar het salon, waar de Baron Van Berenvelt zijn gasten wachtte. Toeval en plicht hadden den gastheer genoopt midden in den zomer een diner en soirée te geven. De Belgische regeering had eene commissie van hoofdofficieren der artillerie afgevaardigd naar Den Haag, Hannover en Kopenhagen, ten einde wetenschappelijke studiën te maken over eene nieuwe manier van vuurmonden te gieten. De minister van Oorlog was door ongesteldheid aan zijne kamer geboeid, de minister van Buitenlandsche Zaken was voor veertien dagen naar Ems vertrokken. De secretaris-generaal had dus de »honneurs" van Den Haag tegenover de Belgische heeren op te houden, en aarzelde geen oogenblik ook in het weinig eigenaardig seizoen eene vriendenbijeenkomst ten zijnent te noodigen.
Kwartier na negen stond André de Witt op de stoep van Baron Van Berenvelt. Als adjunct-commies had hij misschien zekeren schroom behooren te gevoelen, maar inderdaad was hij zoo opgeruimd en kalm, dat zelfs het grootsche schouwspel der vier galalakeien en de betoovering der smaakvolle bloemen in de gang hem niets van zijne gewone geestestegenwoordigheid roofden. André vergat zijne nederige betrekking, en stapte onverschrokken door, totdat een der dienende grootheden eene deur opende, en luide galmde.
»De heer De Witt!"
André ontwaarde een zeer ruim vertrek, badende in licht, 't welk stroomde van twee kristallen lichtkronen en tallooze waskaarsen aan den wand en bij den marmeren schoorsteenmantel. Hij bemerkte, dat nog twee salons, evenzoo blakend van licht, zich bij deze zaal aansloten, en dat eene tamelijk groote menigte dames en heeren--de laatsten verreweg in de meerderheid--over dit terrein was verspreid. Bij den schoorsteen stond de gastheer, Baron Van Berenvelt, in ernstig gesprek met twee der Belgische gasten, beiden in gala-uniform, beiden overdekt met kruisjes en gulden starren.
André had eigenlijk zeer verlegen moeten zijn, maar met de hem eigen vrijmoedigheid en opgeruimdheid begaf hij zich zonder aarzelen naar den heer des huizes. Ongedwongen buigend sprak hij een paar beleefde woorden, en wilde oogenblikkelijk ter zijde heengaan. Doch de Baron voorkwam hem en reikte hem even ongedwongen de hand. De gastheer wendde zich daarop tot eene jonge dame, die achter de kolossale gestalten der artilleristen als verborgen was, en zei:
»Meneer De Witt! mijne dochter Adèle!"
De Baron vervolgde zijn gesprek met de Belgische gasten, en André richtte zich tot eene rijzige dame, die zijne buiging rustig beantwoordde.
Freule Adèle van Berenvelt, de oudste dochter van den secretaris-generaal, trad als gastvrouw op. De Baron had zijne echtgenoote vroeg verloren, en sinds dit smartelijk verlies steun en troost gevonden bij zijne oudste dochter. Adèle was de twintig jaren voorbij, en niet alleen hoffelijkheid verbood te bepalen, hoe dicht zij de dertig naderde. Een waas van jeugd en frischheid sierde het ernstige gelaat, 't welk eer streng dan bevallig zou kunnen genoemd worden, had niet een paar donkere kijkers, donker en vol schitterend licht tevens, dien indruk getemperd. Hare slanke figuur was in een eenvoudig kleedje van bleekblauw neteldoek gehuld. Zij droeg geene sieraden; een breed zwart fluweelen lint met een diamanten kruis om den blanken hals vormde eene smaakvolle uitzondering.
Freule Adèle had waarschijnlijk den naam van André nog nooit gehoord, maar toonde zich zonder den geringsten tegenzin terstond bereid, om het jonge mensch, door haar vader met een vriendelijken wenk aan haar voorgesteld, zoo beleefd mogelijk te woord te staan. Misschien--de veronderstelling is echter gewaagd--stemde André's blijgeestig en vrijmoedig voorkomen haar tot toegevendheid. André had tijdens zijne studiejaren te Leiden geleerd menschen te zien. Zijne houding was kalm, al verried ze soms onbewust eene bescheiden mate van zelfvertrouwen. Hij sprak niet te luid, maar zorgde toch, dat men hem verstaan kon. Zwarte rok en witte das stonden hem uitmuntend bij het glanzige hair en den donkerbruinen krullenden knevel. De eerste de beste schilder zou hem een »pittoresken" kop hebben toegekend.
Het gesprek was op uiterst heuschen toon begonnen.
De storm van dien middag, het zomerseizoen, de residentie, buitenlandsche uitstapjes, gaven aanvankelijk stof tot enkele vragen en antwoorden.
»Men moest eigenlijk niet op reis gaan!"--vervolgde Adèle.--»Den Haag wordt miskend. Heeft u hier al lang gewoond, meneer De Witt?"
»Een jaar, freule!"
»Tijd genoeg om van Den Haag te houden!"
»Mag ik er nog iets bijvoegen?"
»Zeker, maar geen kwaad van onze lieve stad zeggen!"
»In 't minst niet. Den Haag is een heerlijke stad, maar met een beetje moeite zou men er een lustoord van kunnen maken. Er is nog lang niet genoeg partij getrokken van al het mooie, dat men hier voor het grijpen heeft. De pleinen zijn te kaal...."
»De Zwijger...."
»Pardon.... Mag ik nog even voortgaan? De Zwijger staat op het Plein, maar wat zou men niet met dat Plein kunnen doen! Men moest de steenen opbreken, het terrein verhoogen en er een heerlijken bloementuin aanleggen! Twee springenden fonteinen aan beide zijden van het standbeeld, kleine marmeren of bronzen statuën te midden van net onderhouden bloemperken--iets in den geest van het Palais-Royal te Parijs!"
»'n Charmant idee, maar...."
»Ik zou nog meer willen! Is er poëtischer plekje dan het eilandje in den Vijver? Een groot Nederlandsch dichter heeft voor ongeveer tien jaren al gezegd, dat het wit marmeren standbeeld van Constantin Huygens midden uit het groen van het eilandje moest oprijzen!"
»Allerliefst! Vooral voor menschen, die gezonde en krachtige oogen hebben, zou Huygens wel voldoen op het eilandje .... maar, dan zou ik nog een amendement op uw voorstel hebben. Er is nog zooveel plaats op de Plaats! Zouden wij daar geen ruiterstandbeeld voor den stadhouder Willem III, Koning van Engeland, kunnen oprichten?"
»Juist! En tegelijk het standbeeld van koning Willem II van het Buitenhof wegnemen! De held van Quatre-Bras heeft aanspraak op iets beters!"
»Maar, meneer De Witt! waar zouden we een gemeenteraad vinden, die zooveel geld zou willen geven, om Den Haag mooier te maken? Ik vrees, dat we luchtkasteelen bouwen!"
»Luchtkasteelen! Als u daar maar een geschikt architect voor vinden kan, freule!"
Deze laatste woorden werden uitgesproken door iemand, die een fragment van het gesprek scheen verstaan te hebben, en nu diep buigend voor freule Van Berenvelt standhield.
André zag onthutst op. De nieuwe spreker was Jhr. Mr. Van Reelant, de referendaris aan het departement. In zijn zwarten rok zag deze er zoo volmaakt deftig en achtenswaardig uit, dat André in zijne verbeelding het eigenaardig geluid van een kapperschaar meende te hooren en onwillekeurig de rechterhand aan zijn achterhoofd bracht. Freule Van Berenvelt antwoordde Van Reelant glimlachend op den toon van goede bekenden. De referendaris had inderdaad al menig bezoek op den Vijverberg afgelegd, hij had dien middag bij den Baron »gedineerd", en zelfs aan de rechterhand van freule Adèle gezeten. Dit alles wist André niet, evenmin, dat de heer Van Reelant in blakende gunst stond bij den minister van Buitenlandsche Zaken, en dat Adèle van Berenvelt eenmaal een vorstelijk vermogen van haar vader zou erven.
Toen Van Reelant zich tot Adèle wendde, had hij in een ondeelbaar oogenblik André met een minachtenden blik gemeten, en zich behendig zoo geplaatst, dat hij schijnbaar zonder opzet den jonkman ter zijde drong. André deed of hij niets bemerkte, en ging glimlachend uit den weg. Hij kreeg nu gelegenheid de salons van den secretaris-generaal uiterst bedaard te doorloopen, en een oog te wijden aan de talrijke gasten.
Al de heeren waren in rokken of uniformen: de meesten schenen op zeer bijzondere verdiensten voor Nederland of andere rijken te kunnen bogen, daar zij kleine verzamelingen van ridderkruisjes in het knoopsgat droegen. Een kaal heer met een blozend gezicht droeg een purperrood commandeurslint om den hals. Hij zat bij een drietal bedaagde dames in groot toilet, en luisterde naar een buitengewoon lang heer zonder »decoratiën", maar met een forschen militairen knevel, die vrij luid in het Fransch eene mededeeling deed, waarover het viertal zich vergunde zeer piano te lachen. Twee jongere Belgische officieren, secretarissen der commissie, hadden zich doen voorstellen aan enkele Nederlandsche jongedames, en vormden eene groep bij een klavier, waarop eene der jeugdige schoonen verondersteld werd later iets te zullen spelen.
André wandelde door de drie salons te midden der hoffelijk sprekende gasten, en zag, dat het laatste vertrek uitkwam in eene luchtige ~serre~, die met twee wijdopenstaande deuren naar een »geïllumineerden" tuin leidde. De koele luchtstroomen van buiten door de ~serre~ naar de gezelschapszalen zich een weg banend, hadden veelszins bijgedragen tot tempering der Augustus-warmte. De adem van den nachtwind lokte zoo verkwikkend, dat André zich haastte enkele trappen, uit de serre naar den tuin leidend, af te dalen. Een klein clubje van gasten scheen hetzelfde denkbeeld met hem te deelen. 't Waren eenige jongelui uit »de wereld", die zich even welstaanshalve op de soirée van Baron Van Berenvelt vertoonden, die even in 't voorbijgaan een glas wijn aanvaarden van de buigende lakeien, en naar eene gelegenheid omzagen, om even ongemerkt eene sigarette te rooken.