Part 16
Haastig zoekt hij zijn galakostuum. Zijne vingeren beven. Het is wat duister in de slaapkamer, als de deur van het studeervertrek gesloten is. Een venster van matglas laat een flauw licht doorschemeren, waaraan men zich eerst moet gewennen. Toch aarzelt hij geen oogenblik. Hij moet weg. Het zou te laat worden. Hij kan het bericht van De Huiberts dood niet in twijfel trekken. Ongelegen is het gekomen, maar, nu het kwam, moet hij het hoofd bieden aan het gevaar. Hij mag zich niet laten overrompelen. Hij kan zijne toekomst niet bederven. Misschien is het oogenblik nabij, dat hij nog hooger stijgen zal .... het ministerie begint te wankelen, en verliest zijn steun in de Tweede Kamer. De reactie steekt het hoofd op .... er zal een buitengewoon behoudend, misschien een anti-revolutionnair ministerie aan 't roer komen, en waar kan men iemand vinden met schooner »antecedenten" dan de zijne om eene portefeuille in zulk een kabinet te beheeren.... Aan Suze's doodelijke teleurstelling denkt hij niet--aan al de liefde en aanhankelijkheid hem betoond--aan de schoone illusie, jaren achtereen door haar met blind vertrouwen vastgehouden, nu plotseling den bodem ingeslagen .... denkt hij niet--hij ziet de bittere tranen niet, die thans, wijl de gramschap afneemt, hare doodsbleeke wangen overstroomen.
Toen Van Reelant de deur van zijne alkoof sloot, was zij met een luiden kreet ineengezonken op de vloer bij de tafel. Door het hevige snikken waren de keellinten van haar hoed losgestrikt. Zij merkte niet, dat de hoed de parasol volgde. Zij zat met de handen voor het gelaat. De tranenstroom vloeit door hare vingeren. Hevige sidderingen schokken hare geheele gestalte. Eene aandoening van onmetelijke ellende maakt zich van haar meester. De plotselinge tijding van De Huibert's dood had haar op het alleronverwachtst met de hoogste zaligheid vervuld. Binnen korten tijd zou zij nu Van Reelants gelukkige vrouw zijn, zou zij aan zijn arm, als het ware, haar zegepralenden intocht binnen Den Haag doen. Het doel van haar leven was bereikt. Niet aan een onwaardige had zij zich met lijf en ziel overgegeven. Van Reelant zou haar straks luid juichend in zijne armen sluiten, hun geheim verbond zou met eer openbaar worden....
En nu--hij verneemt de groote tijding met de beleedigendste onverschilligheid.
Hij heeft zaken, gewichtige zaken.
Kunnen er gewichtiger zaken voor hem zijn, gewichtiger belang, dan hun reeds jaren te voren ontworpen huwelijk, onmiddellijk na den dood van De Huibert, wanneer die ook mocht voorvallen?
Zij wordt bedrogen, schandelijk bedrogen!
Hij moet op reis, aanstonds .... naar Rotterdam! Maar van Rotterdam gaat hij dan naar Utrecht....
Een pijnlijk geluid ontsnapt haar!
Woedend springt ze op! Hij heeft haar een strik gespannen, haar om den tuin geleid .... als een schelm!
Een plotselinge lichtstraal dringt in hare ontstelde zinnen....
Die belangrijke zaak is .... Adèle van Berenfelt!
Nu klinkt een luider kreet. Zij vliegt plotseling naar de deur met de groene portière. Hijgend, de oogen vlammend, sluit zij de deur met den sleutel, die aan de binnenzijde in het sleutelgat steekt en verbergt daarop dien sleutel in haar zak.
Zij zal hem des noods met geweld beletten te gaan. Zij zal strijden tot haar laatsten ademtocht. Het zal niet gezegd worden, dat zij het doel van haar leven miste uit gebrek aan moed. Zij wil al hare schoone illusiën niet als eene zeepbel zien uiteenspatten, zonder hare laatste krachten te hebben ingespannen....
Maar hij zal geweld met geweld beantwoorden! Hare lippen trillen! Zij slaat een blik naar den schoorsteenmantel, en ziet de verzameling van dolken en wapenen....
Eene hevige, overweldigende smart maakt zich opnieuw van haar meester. Zij buigt het hoofd! Zoover was het dan gekomen, dat zij naar een wapen omziet tegen den man, dien ze ondanks alles met heel hare ziel liefheeft! Dat is er dus geworden van die heilige beloften, hier in dit eigen vertrek haar in de ooren gefluisterd, als hij haar aan zijn hart sloot en zijn mond overvloeide van lof voor hare betooverende schoonheid!
Neen, dat zal niet waar zijn! Zulk eene laaghartigheid is te snood! Hij heeft niet gelogen--hij zal woord houden. Zij droomt, en zal dadelijk ontwaken. Waarom hare drift niet betoomd? Maar zij kon niet anders. Haar toorn was de noodkreet van hare teleurgestelde liefde .... zij kon niet anders!
De deur der alkoof wordt geopend. Van Reelant treedt binnen. Hij is zeer net in zwarten rok en witte das gekleed. Hij heeft zijn hoed in de hand, en plaatst een licht reiskoffertje op een stoel. Hij ziet Suze kalm, zonder verwondering aan, en zegt met meesterlijk nagebootste bedaardheid:
»Nog hier?"
Suze slaat de vochtige oogen omlaag.
Zij komt een schrede nader. Overvloedig stroomen hare tranen. Zij strekt de beide armen uit, en zinkt met een hartverscheurenden gil op de knieën.
»Arnold!"--snikt ze.--»Luister nog één oogenblik! Ik ben zoo diep ongelukkig! Stoot mij nu niet af! Kom, wees edelmoedig! Denk niet meer aan die vreeselijke woorden van zooeven! Ik wist zelf niet wat ik deed! O, ik was zoo zalig, zoo trotsch, zoo kinderachtig blij, omdat ik je zeggen kon: »Arnold! ik ben vrij! Ik ben weduwe!" Ik hoopte, dat je even gelukkig mij te gemoet zoudt komen! Waarom heb je mij afgestooten .... ik weet het niet, maar ik wil het weten.... Zeg het mij! Want nu zou ik mijn verstand verliezen, als ik je zag heengaan, zonder een woord van troost, van bemoediging.... Arnold! Arnold! wees voorzichtig, speel niet met mijn wanhoop!"
Suze wrong beide handen in de hoogste vertwijfeling. De fraaie donkere lokken vielen over hare in tranen badende oogen, maar ondanks die tranen was ze nog altijd mooi....
Van Reelant ziet snel op zijn horloge.
Eenige minuten na halftwee.
Hij kan nog een enkel woord tot haar zeggen.
Maar hij blijft bedaard en kalm:
»Suze! Sta als je blieft op, en maak zoo'n ~scène~ niet zonder reden. We kunnen later spreken. Ik moet nu weg voor een diner...."
»Voor een diner! Mijn God! Mijn God! Ben ik zoo weinig waard, dat je me op het allergewichtigst oogenblik van mijn leven afscheept voor .... een diner!"
Suze klemde zich knielend aan een der groote fauteuils bij den schoorsteen vast. Zij legde haar hoofd op de gevouwen handen, hare lokken overstroomden het akelig bleeke gelaat. Als het levend beeld der vertwijfeling lag zij aan zijne voeten--hare geheele gestalte scheen eene hartroerende bede om ontferming, eene lange smartkreet om medelijden....
Van Reelant meende, dat het nu lang genoeg was.
»Je begrijpt me verkeerd! Ik moet uit dineeren, stellig! Ik heb als fatsoenlijk man mijn woord gegeven, en ik moet het houden, dat is alles!"
De jonge vrouw heft nu het hoofd op. Zij werpt de door hare ontroering verwarde weelderige haren in den nek, en zegt trillend van verontwaardiging en weedom:
»Als fatsoenlijk man heb je je woord gegeven! En je moet het houden! Maar houd dan eerst je woord, dat je aan mij gegeven hebt, Arnold! Nu is het nog tijd! Kom, zeg het me gauw, dat ik me vergis .... dat je woord houdt .... dat mijn dwaze drift te ver ging! Ik wil niet langer twijfelen aan den eenigen man, dien ik ooit heb liefgehad! Ik wil hem des noods verdedigen tegen zich zelven!"
Suze springt op. De crisis van hare tragische smart was gekomen. Zij waant zich nu zeker van haar triumf. Onverwijld had ze zich, zonder eene seconde te verliezen, aan Van Reelant vastgeklemd.
Vleiend, glimlachend als vroeger, klinkt haar stem nog zoeter dan ooit te voren:
»Arnold! Mijn Arnold! Zeg me nu, wanneer ik je vrouw zal worden! Bedenk eens wat we saam zoo dikwijls hebben afgesproken! Denk eens aan dien winteravond, toen mijne ouders mij dwongen De Huibert te nemen, daar er aan een huwelijk tusschen ons beiden toch nooit kon gedacht worden! Wie heeft je toen moed ingesproken, wie je getroost met de belofte van onveranderlijke trouw? Wie fluisterde je toen iets monsterachtigs in de ooren, dat je dronken maakte van vreugde? Ben ik voor iets teruggedeinsd, om je te bewijzen, dat de meest hartstochtelijke liefde me voor eeuwig aan je vastsnoerde? Wat heb ik al niet geschonden, om jou te believen? Hoe moedwillig besloot ik den armen De Huibert te bedriegen, nog voor mijn huwelijksdag! Maar dat deed ik met vreugd, want het was voor jou, mijn Arnold! Had ik meer kunnen doen, dan ik werkelijk deed, ik zou het gedaan hebben, om je daardoor nog meer offers van mijn liefde te brengen! Zoolang ik leef, zal ik je even vurig aan mijn hart drukken, als in dit oogenblik! Ik zal nooit verkoelen of verminderen in mijn liefde .... je moogt mijn hart in twee stukken snijden, het draagt aan beide kanten alleen jou naam...."
Onmogelijk is het te zeggen met welk eene jubelende teederheid, met welk eene wegsleepende warmte deze woorden werden uitgesproken.
Suze opende daarbij hare groote, fluweelzachte, donkerbruine oogen, en trachtte haar vonnis op zijn gelaat te lezen.
Er was niets op dat gelaat te ontdekken. Het bleef beweegloos, plechtig, als de witte das, die onder de breed neergeslagen boorden uitkwam.
Van Reelant ziet weder op zijn uurwerk.
Tien minuten na halftwee....
Suze's stem had nog een oogenblik geklonken in zijn hart, een flauwe echo, als van vroegere gelukkige dagen, drong tot zijn oor.... Maar--neen, het mocht niet, hij wilde zich niet van zijn stuk doen brengen.
»Dat is alles goed en wel"--zegt hij luchtig--»maar nu moet ik naar den trein! We zullen over de zaak spreken, maar later, later...."
Schielijk grijpt hij Suzes handen, drukt ze snel, en loopt naar zijn reiskoffertje.
Suze's hart bonst onstuimig. Zij kan nauwelijks een geluid geven. Toch vermant ze zich. Hare wangen zijn vaal, perkamentkleurig bleek geworden; hare oogen alleen openen zich wijder, en vlammen.
Zij treedt hem in den weg.
»Ga dan naar den trein, maar eerst zeggen, waar je heen gaat!"
»Naar Rotterdam .... houd me niet langer op!"
»Naar Rotterdam .... en dan?"
»Naar Utrecht, om te dineeren...."
»Bij?"
»Bij Van Berenvelt, dat spreekt van zelf!"
Suze klemt de tanden op elkaar; haar boezem golft onstuimig. Zij zwijgt, alleen hare oogen spreken.
»Uit den weg Suze! Ik heb geen minuut meer te verliezen!"
Van Reelant had zijn hoed snel op het hoofd gezet, hij dringt zonder eenig compliment Suze voorbij, en grijpt den knop van de deur.
Maar de deur is gesloten--de sleutel weggenomen.
Driftig keert hij zich om. Hij zoekt een oogenblik.
Daarna zegt hij met toornige stem:
»Kom aan! Geen gekheid, Suze! Geef me den sleutel!"
De jonge vrouw glimlacht koel. Zij schudt het hoofd.
»Ik verbied je te gaan, Van Reelant! Dat spreekt van zelf! Alles is gedaan tusschen ons! Je hebt duidelijk genoeg gesproken, al heb je niets gezegd. Je werpt het masker af. Je laat mij eenvoudig aan mijn lot over! Een poos ben ik je speelgoed geweest, en vond je het niet kwaad van tijd tot tijd je hart aan dat speelgoed op te halen! Maar nu--nu krijg ik mijn afscheid! Er is nu eene andere dame van naam en vermogen, Adèle van Berenvelt! Groote God! Dat schelmstuk zal niet gelukken! Ik zweer het!"
Als de bleeke Nemesis zelve hief ze hare rechterhand omhoog, en toonde verachtelijk den sleutel.
Van Reelant balde in woedende drift de vuist. Hij wierp zijn reiskoffer met een slag op den vloer, en vliegt naar het schellekoord aan den wand. Maar hij blijft plotseling onbeweeglijk staan. Als hij de menschen, die beneden hem wonen, waarschuwt, zal hij belachelijk worden. Opgesloten door eene bijna onbekende dame, zal er een groot tumult ontstaan. Hij zal den kleermaker van beneden zien verschijnen, men zal de deur met geweld openbreken. Men zal de bittere verwijten van Suze hooren--daaraan kan hij zich onmogelijk blootstellen.
Belachelijk te worden voor den heer Emile van Pommeren, ~fils~, ~fournisseur de la Cour~, en misschien bij overlevering voor al de schitterendste winkeliers der Hoogstraat, dat was te veel. Hij moest oogenblikkelijk weg en zonder gerucht. Daar was maar een enkel middel--Suze noodzaken hem den sleutel terstond terug te geven.
Nog altijd stond ze daar dreigend, met de armen gekruist, den sleutel in de gesloten vuist, de oogen schitterend van verontwaardiging, het hart brekend van ellende en weedom....
Van Reelant stormt op haar af.
»Kom Suze! Laat die dwaasheid uit zijn! Geef mij den sleutel!"
»Nooit!"
»Ik waarschuw je! Neem je in acht!"
Suze lacht even, en meet hem met uitdagenden blik.
Snel als de straal van het weerlicht valt hij, een schorren kreet slakend, op Suze aan. Zijn hoed rolt op den grond.
De linkerhand grijpt onverwacht haar blanken hals, en drukt haar met ruw geweld achterover. De rechter zoekt zich meester te maken van den sleutel. Suze wankelt, maar herstelt zich. De wreede hand, die eenmaal zoo teeder de hare drukte, wringt zich als een strop om den hals, de rechter poogt hare vuist open te breken. De adem begeeft haar. Zij duizelt, en stort plotseling met een luiden slag achterover tegen den haard. Haar rechterslaap wordt gekwetst. Het bloed druppelt over haar wang. Een haardstel met stalen asschop, tang en pook valt luid ratelend naast haar omver.
Zij klemt de vuist met den sleutel steeds vaster, maar gevoelt, dat Van Reelant wanhopige pogingen doet hare vingers van een te rukken. Op het oogenblik, dat de wond van haar rechterslaap haar een lichten zucht van pijn uitlokt, heeft hij haar den sleutel bijna ontweldigd. Zij kan hem niet langer vastklemmen. Van Reelant overwint. Als een furie rijst zij van den grond. Zij grijpt den zwaren stalen pook. Van Reelant stort vooruit naar de deur.
Eer hij den sleutel kan omdraaien, is Suze hem op de hielen. Een hevige slag met den pook daalt op zijn achterhoofd....
Er klonk een rauw geluid door het vertrek--iets dat naar eene vloek zweemde.
Daarna schaterde er een wilde lach--en toen was alles stil.
* * * * *
Vrijdag, den 3den Juni 1855, was het vol in de Hoogstraat. Het mooie zomerweer lokte een menigte van wandelaars. Deftige mama's met aardige dochters in fraai zomerkostuum drentelden langs de winkels, en beoordeelden de zijden en kanten stoffen--achter de winkelruiten lokkende tot koopen. Rijtuigen met lakeien voor en achter stonden in alle deftigheid te wachten op de mevrouwen, die »commissiën" deden. De Mercuriussen met goud galon om den hoed zouden op den bok zijn ingedommeld onder den invloed der zomerwarmte, had niet een passend bewustzijn van eigenwaarde hen uit den dut gehouden, vooral tegenover de Haagsche straatbengels, die zich aan de grootheden dezer wereld zoo weinig, o zoo weinig! kreunen.
Onder de wachtende rijtuigen bevond zich juist kwart voor tweeën een gewone vigilante. De voerman van dat vehikel hield stil voor het fraaie winkelhuis van den heer Emile van Pommeren, ~fils~, ~marchand-tailleur et fournisseur de la Cour~. Met een loggen sprong plofte hij van den bok, en schelde hij aan bij den afzonderlijken opgang van Van Reelant's bovenkwartier. Oogenblikkelijk daarop heesch hij zich weer naar boven, en legde zich met de hand onder het hoofd te slapen. Weldra ontfermde zich de goddelijke Morpheus over dezen negentiende-eeuwschen Automedon.
Voor Van Pommerens winkelglazen was een splinternieuwe ministersrok uitgestald, en lagen de zomerstoffen, waarvan de residentiepronkers hunne vesten lieten maken. De bezitter van al deze schatten hield zich in een zijvertrek bezig met de studie van zijn Grootboek en berekende het totaalbedrag der sommen, welke zijne hooggeschatte »clientèle" hem schuldig was, en te avond of te morgen hem zou kunnen betalen. Hij verkneukelde zich over het hoog »montant" der gelden in quaestie, en zou zich nog levendiger verblijd hebben, als hij op eens over al deze posten tegelijk had kunnen beschikken. Hij had veel geld noodig in zijne zaken, maar achtte zich een veel te fatsoenlijk man, om aan andere fatsoenlijke lieden, die hem geld schuldig waren, een vermaning te zenden.
Intusschen moest hij bij zich zelven eens overleggen, hoe hij een zekere som kasgeld zou bijeenbrengen. Hij ving daartoe eene wandeling aan naar en in zijn winkel. Bewonderend stond hij tweemaal stil voor den ministersrok en glimlachte vriendelijk tegen het blinkend borduursel. Broek, vest, steek, degen, alles lag gereed voor den eersten, den besten gelukkige, die bij eene toekomende »crisis", zijn toevlucht tot Van Pommeren, fils, zou believen te nemen. De smaakvolle ~marchand-tailleur~ dacht een oogenblik aan zijn gedistingeerden »locataire", den heer Van Reelant, en hoe goed die rok voor meneers »taille" zou passen. Daarna zette hij zijne »financieele speculatie" eene pooze voort, en vermaakte hij zich met de voorbijgangers in de Hoogstraat.
Zoo geviel het, dat zijn oog zich richtte naar den slapenden Automedon op den bok der vigilante. Dat voertuig wachtte op meneer boven, en misschien had die »stommeling" van een koetsier vergeten aan te schellen. IJlings snelt hij naar buiten, en port den sluimerenden wagenmenner:
»Zeg er eens, hoe laat moest jij voorkomen?"
De man zette eerst een gezicht, of hij geen tien kon tellen, en antwoordde eindelijk:
»Kwart voor tweeën!"
»Dat ziet er mooi uit, en 't is al halfdrie!"
»'k Ben er op mijn tijd geweest!"
Van Pommeren, ~fils~, schudde driftig het hoofd, en verdween oogenblikkelijk in zijn huis. Met sierlijke haast snelde hij naar zijne keuken, en riep Anna toe:
»De vigilante voor meneer Van Reelant staat nog te wachten!"
»Lieve hemel, meneer! Wat zegt u? Ik schrik mijn hart uit mijn lijf! Meneer moest kwart voor tweeën weg!"
»Heb je de vigilante dan niet hooren bellen?"
»Neen, meneer! Ik moest even op de Plaats wezen bij Verstraten om een velletje postpapier. Maar dat doet er niemendal toe! Als meneer Van Reelant uit de stad gaat, let hij altijd zelf op de vigilante!"
Van Pommeren, ~fils~, bleef het hoofd schudden. Bevelend klinkt het:
»Gauw naar boven! Meneer waarschuwen!"
Een oogenblik later komt ze doodsbleek terug. De deur is boven gesloten. Zij kan geen gehoor krijgen. Van Pommeren, ~fils~, schudt opnieuw het hoofd. Wat beteekende dat? Anna verzekert plechtig, dat meneer nog nooit, zoolang hij boven woonde, over dag de deur van zijn studeervertrek gesloten had. Dit alles is zeer zonderling. De smaakvolle Van Pommeren, ~fils~, had altijd uitgeblonken door zekeren dichterlijken aanleg, zoodat ook nu zijne verbeelding vleugelen aanschoot, en hem den heer Van Reelant voorstelde onder het gewicht der staatszorgen in diepen slaap gevallen.
Gelukkig, dat een man als Van Pommeren, ~fils~, zijn huis op de volmaakste wijze had ingericht; dat hij dus van al de deuren der vertrekken boven en beneden een duplicaat-sleutel bezat. Onmiddellijk zocht hij den sleutel van de boven-achterkamer, en snelde hij heen, om te zien welk toeval zijn aanzienlijken »locataire" verhinderd had op reis te gaan. De huishoudster sukkelde achter haar meester aan, schoon ze er niet toe was uitgenoodigd.
Toen ze boven waren bij de bewuste deur, klopte de beleefde hofleverancier krachtig, en zoo luid mogelijk, gissende dat meneer sliep. Geen antwoord. Na herhaaldelijk geklopt te hebben, hief Van Pommeren, ~fils~, zijne welluidende baritonstem op--die welluidende stem, waardoor hij bij zijne vrienden van de liedertafel zooveel lof inoogstte--en riep hij door het sleutelgat om meneer te wekken. Geen antwoord. Alles vergeefs. Het kan nu niet »indiscreet" geacht worden, zoo hij de deur van de buitenzijde opent.
Alzoo geschiedt het. De deur wordt voorzichtig geopend. Maar terstond schijnt iets in den weg te komen. De deur weigert toegang te geven--zij schijnt versperd. Nu dringt de huisheer in zijne ontsteltenis tegen de deur aan, en opent haar met geweld.
Wat zij zagen, wat zij in doodsangst uitriepen, ze hebben het in latere dagen nooit geregeld kunnen mededeelen.
De hofleverancier, die door de ontzettende gebeurtenis een paar maanden de befaamdste man der residentie werd, deed wel een fraai en zenuwschokkend verhaal aan ieder, die het hooren wilde, maar zijne waarheidsliefde ging hierbij schuil in zijne rijke fantasie.
De oude huishoudster Anna werd ongesteld van den schrik, maar gaf zeer eenvoudig en zeer kort hare indrukken terug.
Toen de deur openging, had zij terstond gezien, dat Van Reelant met akelig verwrongen trekken, badende in bloed, op den vloer bij de deur lag. Tegelijk ontdekte ze mevrouw De Huibert, meneers schoonzuster, die achterovergevallen met het hoofd tegen een stoel leunde. Over haar rechteroog en hare rechterwang had eene dunne bloedstraal zich een weg gebaand tot in haar hals. Anna had zich dadelijk met haar bezig gehouden, en bemerkt, dat ze in eene diepe bezwijming lag. Terwijl ze in hare eerste ontsteltenis haar zakdoek aan het gewonde voorhoofd bracht, sloeg mevrouw De Huibert de oogen op.
Nog nooit had de oude vrouw zulk een wilden oogopslag gezien, zulk een woesten schreeuw gehoord. Mevrouw de Huibert was opgesprongen, en zonder verder een woord te spreken naar de deur gevlogen. In enkele seconden was zij de trappen afgestormd. Anna volgde haar, en zag duidelijk, dat zij iets zeide tot den koetsier der vigilante, die nog altijd stond te wachten, zij sprong in het rijtuig, dat de Hoogstraat afreed, en toen uit het gezicht verdween.
Nog eene getuigenis was in deze tragische zaak van het hoogste belang. Zij werd afgelegd door den Hoofdcommissaris van Politie in de residentie. Deze verklaarde, dat Vrijdag den 3den Juni 1855, des middags tusschen halfdrie en drie uren eene dame aan het Bureel van Politie gekomen was; dat deze dame hem onmiddellijk wenschte te spreken, en dat hij niet weinig verbaasd was voor zich te zien een jonge vrouw, zonder hoed, met gehavend toilet en loshangende lange krullen, het gelaat met bloed bevlekt en eene wond aan den rechterslaap; dat deze dame op een stoel was neergevallen, en zeer onsamenhangend gesproken had; dat zij aanvankelijk niets anders zeide, dan dat zij, »zoo akelig" was, dat zij een glas water moest drinken; dat zij eindelijk met groote kalmte getuigde, dat zij iemand vermoord had; dat zij een adres in de Hoogstraat had opgegeven; dat de Hoofdcommissaris daarop gezonden had naar een bekenden arts voor zielsziekten, en tevens naar het adres in de Hoogstraat; dat de dame eene onbegrijpelijke geschiedenis verteld had, waarin de naam van den heer Van Reelant bij herhaling voorkwam; en hoe eindelijk tot zijne groote ontsteltenis gebleken was, dat de zonderlinge dame volkomen de waarheid gesproken had, dat de heer secretaris-generaal Van Reelant in zijne »appartementen" op geheimzinnige wijze was omgebracht, en dat de dame, zich noemende mevrouw De Huibert, volgens de verklaringen van den geneesheer, door een plotseling toeval totaal krankzinnig was geworden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Point-d'orgue.
Jongejuffrouw Christien de Witt was uit haar humeur, iets dat haar zeldzaam gebeurde, en nu nog te vreemder scheen, daar het heele huis van den Leidschen predikant jubelde. Vroolijker dag had men er in jaren niet beleefd. Zondag, den twaalfden Juni 1855, was de datum, waarop dominé's oudste zoon, de bruigom van mejuffrouw Betsy Muller Belmonte, de gelukwenschingen van vrienden en kennissen, zou afwachten. Eigenlijk was dit plan niet in volkomen overeenstemming met den Nederlandschen ~adat~, die eischt, dat eene »receptie" ten huize der bruid plaats grijpt. Doch dit was de oorzaak niet van Christien's misnoegdheid. Om deze te ontdekken zou men de gebeurtenissen, die sedert de laatste veertien dagen in de familie De Witt waren voorgevallen, wat meer van nabij hebben moeten kennen.
Er was nogal het een en ander geschied in dat anders zoo stille huis te Leiden.