Eene schitterende "carrière"

Part 15

Chapter 153,794 wordsPublic domain

»Het verheugt mij u zoo verstandig te hooren spreken, meneer! Maar ik zal mij nog de moeite geven u op een tweeden volzin te wijzen, die alle verdere tegenstribbeling onmogelijk maakt. Zie hier: »De dynastie der Napoleons is reeds op zich zelve voor Frankrijk eene nationale ramp, maar een vorst als Napoleon III is meer. De eerste keizer met den pulverdamp van Austerlitz, Wagram, Jena--met zijne eenvoudige grijze overjas, met zijn kleinen, wereldberoemden steek, met zijn schitterenden stoet van generaals--de eerste keizer, op het bergvlak van Sint-Helena den kijker richtend naar den kant van Frankrijk--de eerste keizer, spelend met de kinderen van den Engelschen pachter op Old-Longwood-House, de kinderen van Sir Hudson Lowe's ondercipier--de eerste keizer blijft met al zijn goed en al zijn kwaad een heros, eene epische figuur in de wereldhistorie.

»De tweede keizer met een stuk vleesch op den hoed te Straatsburg--wegzinkend in het slijk van Boulogne met zijn vriend Fialin--wegsluipend uit het fort Ham in het metselaarspak van Badinguet--op den tweeden December 1851 de vrijheid onder de voeten tredend, de Bank van Frankrijk met linietroepen omsingelend, de uitmuntendste burgers in ballingschap zendend, zijn eed brekend--de tweede keizer met zijn vijf en een half millioen stemmen, met zijne gedeputeerden en zijne senatoren, met zijn corpulenten vriend Plon-Plon, die in de Krim ziek wordt en zich schielijk uit de voeten maakt--de tweede keizer, met zijn geheimzinnigen broeder de Morny en zijn lomp werktuig de Persigny, levert, al mocht ook Pélissier den Malakoff veroveren, niet meer dan eene droevige caricatuur van zijn grooten voorganger, ten hoogste de stof schenkend tot eene woedende satire!""

»Volkomen juist!"--barst André uit.

Van Reelant zwijgt geruime pooze, alsof verontwaardiging hem het spreken moeilijk maakte. Eindelijk zegt hij, zonder op André's uitroep te letten:

»Zoo iets te schrijven en met zijn naam te bezegelen zou voor ieder Nederlander, wie ook, hoogst onhebbelijk zijn. Maar voor een ambtenaar aan dit ministerie is het brutaal en ploertig--houd mij het woord ten goede! Ik voeg er dus een ernstigen raad bij. Meneer De Witt! wees zoo goed binnen tweemaal vier en twintig uren uw verzoek om eervol ontslag aan den minister toe te zenden!"

»Het spijt me zeer, meneer Van Reelant!"--antwoordde André uiterst bedaard.--»Ik kan uw raad niet volgen! Zoo er termen voor zijn, mag de minister mij ontslaan, eervol of niet!"

Van Reelant stond op. Een lichte blos van toorn kleurde zijne wangen.

»Meneer De Witt! Er zijn nu woorden genoeg verspild! Van het begin af heb ik u gehouden voor een zeer onbeduidend ambtenaar. Misschien heeft u aanspraak op wetenschappelijke verdiensten! Dat schijnt zoo. Ik wil het niet betwisten. Maar als ambtenaar, meneer! is u totaal ongeschikt. Komt uw verzoek om ontslag niet binnen den door mij gestelden termijn in, dan zal ik maatregelen nemen. De onaangename gevolgen zijn voor uwe rekening!"

André stond onverschrokken voor den secretaris-generaal. Hij antwoordde kalm en beleefd:

»Ik wacht uwe maatregelen met volkomen gerustheid af. Van plichtverzuim kan men mij niet beschuldigen! Behaagt het den minister mij uit mijne betrekking ontslag te geven, dan zal hij mij zeker de motieven meedeelen, en de publieke opinie zal beslissen!"

Van Reelant glimlachte schamper.

»De publieke opinie, meneer! zal zich aan het ontslag van een ondergeschikt ambtenaar, als u is, bitter weinig laten gelegen liggen. Het spijt mij, dat u zich aan dezen stroohalm vastklemt! In uw belang raad ik u nogmaals aan, om ontslag te vragen. Het is mij onmogelijk u eenige hoop te geven! Geloof niet, meneer De Witt! dat het mij te doen is u iets onaangenaams te zeggen, mijne betrekking brengt mee, dat...."

Maar André liet zich niet door valsche uitvluchten van den weg brengen.

»Ik dank u voor uwe belangstelling, maar blijf bij mijn besluit. Ik vertrouw op de wijsheid van den minister en op mijn goede zaak!"

»In dat geval, meneer! heb ik u niets meer te zeggen! Ons onderhoud is afgeloopen!"

André boog met een kloppend hart, maar verborg zijn ontsteltenis.

Van Reelant zag op de pendule. Al kwart over elven. En er was nog zooveel af te doen dien dag. Hij zou te twaalf uren het ministerie verlaten, omdat hij op reis moest. Met groote haast gaat hij aan 't werk. Allereerst plaatst hij op zijn memorandum den naam van den adjunct-commies De Witt. Zoodra hij den minister spreekt, zal hij een voorstel tot ontslag van dezen onbruikbaren ambtenaar indienen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Nemesis.

Toen de secretaris-generaal na voorspoedig volbrachte morgentaak klokke twaalf uit het ministerie te voorschijn kwam, had hij de zaak van André reeds volkomen vergeten. Hij had den minister tevergeefs gewacht. Doch dit was maar uitstel van »executie". Zoo spoedig Van Reelant den Baron Van Berenvelt in werkelijkheid was opgevolgd, besloot hij een ambtenaar als De Witt van het ministerie te verwijderen. Een jongmensch met zulk een uiterlijk en zulke denkbeelden was volkomen overbodig aan Buitenlandsche Zaken--hij behoorde thuis bij de redactie van een zoogenaamd »liberaal" dagblad, of kon misschien dienst doen als secretaris van een reizend paardenspel. Bij de eerste gelegenheid zou hij hem van de lijst der ambtenaren doen schrappen. Daar kwam bij, dat André in vereeniging met dat fijne pianojuffertje aan Suze zijne huwelijksplannen had ontdekt, 't geen hem onaangename oogenblikken genoeg bezorgd had. Hij trachtte evenwel zich zelve diets te maken, dat hij op dergelijk »motief" niet lette, en dat alleen het staatsbelang tot richtsnoer zijner handelingen strekte.

Vrijdag, den 3den Juni 1855, zou een merkwaardige dag in het leven van den nieuwen secretaris-generaal worden. Hij werd dien namiddag op Claarberg, de villa van Baron Van Berenvelt, gelegen aan den schoonen weg van Utrecht naar den Bilt, verwacht. Zijne verloving met freule Adèle zou eindelijk plechtig worden bekend gemaakt aan de vrienden. Tot nog toe hadden ernstige bezwaren dit verhinderd. Tijdens den herfst en den winter van het vorige jaar had Adèle niets willen weten van eene »officieele" verloving, mocht ze ook »officieus" Van Reelant de heerlijkste vooruitzichten hebben geopend. Zoolang de heer Van Berenvelt worstelde tegen de koortsachtige onrust, die hem na zijn ernstige ziekte kwelde, mocht men alleen aan hem denken. Adèle verlangde uitdrukkelijk, dat deze geheele zaak voor ieder, zelfs voor haar vader, een diep geheim zou blijven. Eerst, wanneer alle gevaar geweken was, wanneer haar vader volkomen gezond naar het ministerie zou teruggekeerd zijn, eerst dan mocht Van Reelant zijn aanzoek herhalen.

Deze had zich stipt naar het verlangen van Adèle gedragen. Tot nog toe waren de geruchten van zijne verloving in de Haagsche kringen door de feiten gelogenstraft. Men hield het er algemeen voor, dat de zaak mislukt was, en toen met den eersten April 1855 de benoeming van Van Reelant in de Staats-Courant verscheen, mompelde men van »une fiche de consolation". De heer Van Berenvelt, die den jonkman geenszins tot zijn schoonzoon wilde verheffen, had ten minste gezorgd hem tot zijn opvolger te doen benoemen--en menigeen sprak met een diepzinnig gezicht over Van Reelants schitterende »carrière".

Op deze wijze had de laatste zich buiten alle lastige bezwaren gehouden. Suze, die met korte tusschenpoozen, geregeld verscheen, en nooit naliet de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, had hem nog van tijd tot tijd met vlagen van jaloezie gekweld. Daar hij genoodzaakt was haar zoo lang mogelijk om den tuin te leiden, nu hij door samenloop van omstandigheden dit overblijfsel van zijn verleden uit Osterwolde niet kwijt kon raken, had hij haar meer en meer opgedrongen, dat er van een huwelijk met Adèle geen sprake kon zijn. Zijn plan bleef Suze plotseling voor een voldongen feit te plaatsen, en, mocht zij dan tegenstribbelen, mocht zij de familie Van Berenvelt met hare aanspraken lastig vallen .... hij zou zorgen, dat men daar voldoende ingelicht werd. Hij kon om harentwil zijne toekomst niet bederven. Soms dacht hij met zorg aan het oogenblik, dat zij hem rekenschap van zijne beloften zou vragen, maar hij besloot kalm en waardig den storm het hoofd te bieden.

In zijn voordeel bleef het, dat geen enkele Hagenaar het drama van Lindenstein kende--zelfs in Osterwolde was men nog niet volkomen op de hoogte. Voorts had men in Haagsche kringen weinig wetenschap van zijne betrekking tot mevrouw De Huibert. Suze had zich altijd zeer bescheiden naar den achtergrond teruggetrokken, en den meesten tijd met lezen en handwerken op hare kamers in het Westeinde doorgebracht. Mocht iemand door een toeval weten, dat Van Reelant soms des avonds bezoek had ontvangen van eene welgekleede dame, dan hechtte men daar zoo bijster veel gewicht niet aan. Men zou geene nadere inlichtingen hebben kunnen verkrijgen, bij Emile van Pommeren, ~fils~. Deze was veel te goed opgevoed, om op zulk eene vraag te willen antwoorden en de oude huishoudster Anna hechtte meer aan Nederlandsche standaardpenningen dan aan praatjes met nieuwsgierige kwaadsprekers.

Intusschen gingen herfst en winter voorbij, maar verbeterde de toestand van den heer Van Berenvelt niet. Van Reelant bleef hem geregeld bezoeken, en van raad dienen. Allerlei medische adviezen werden gehoord. Ten slotte behield het gevoelen de overhand, dat de Baron de volstrekste rust moest in acht nemen. Gehechtheid aan zijn ambt had den hoogst achtenswaardigen man voortdurend doen vragen naar tal van zaken, die hem het hoofd vervulden en bezorgd maakten. Zeer moeilijk ging het, hem te overreden, dat hij op zijne hooge jaren en met zijne zwakke gezondheid niet meer in staat zou zijn het ambt van secretaris-generaal te vervullen. In de gure Februari-maand van 1855 kwam een lichte herhaling der oude kwaal den Baron nadrukkelijk waarschuwen. Toen nam hij een besluit. Hij vroeg zijn ontslag, en beval met volle overtuiging Van Reelant tot zijn opvolger aan. Van het voornemen der jongelieden had hij alleen een duister vermoeden ten gevolge eener zeer bescheiden toespeling door Van Reelant eens in het voorbijgaan gemaakt, maar later had hij er niet meer aan gedacht.

Alles werd naar zijn wensch geschikt. In de laatste week van Maart vertrok hij voor goed naar Claarberg, zijn heerlijk buitenverblijf aan den Bildtschen weg bij Utrecht, en onmiddellijk daarop volgde zijn eervol ontslag in de vleiendste en waardigste termen. De Koning schonk hem daarbij het commandeurskruis van den Nederlandschen leeuw, en ieder, die hem aan het ministerie of in de Haagsche kringen gekend had, betreurde het vertrek van een der braafste en invloedrijkste mannen uit de residentie.

Tusschen Van Reelant en Adèle was bepaald, dat er van hunne plannen niets bekend mocht worden, voordat de heer Van Berenvelt in duurzame beterschap toenam. En dit was nu ook door een wonderwerk, naar het scheen, zoo geworden. Vrij van alle beslommeringen, herademend door de volledige vrijheid en rust, was de Baron al in Mei zóó welvarend, dat hij bij wijlen zich voorstelde zijn ontslag te vroeg genomen te hebben. Daar de oude kracht en vlugheid van geest evenwel niet terugkwamen, verblijdde hij zich ten minste in zijne goede gezondheid. En nu begon Van Reelant zeer langzaam Adèle bij zijne beleefde visites op Claarberg aan haar woord te herinneren. Doch alles liep boven verwachting af. De heer Van Berenvelt had wel voor goed het plan opgegeven, om ooit weer practisch werkzaam te zijn, maar gaarne zou hij nog van tijd tot tijd zijn oud terrein eens terugzien. Dat zijne Adèle de echtgenoote zou worden van den hoogstbekwamen vriend, die hem opvolgde, was hem een aangename gedachte. Zoo zou hij voortdurend nog midden in den strijd leven, nog deelnemen aan alles, wat hem eenmaal het hoogste belang inboezemde. Hij zou bij aanhoudende beterschap den winter in Den Haag kunnen doorbrengen. En daarbij kwam, dat Adèle geen oogenblik aarzelde, toen hij haar vroeg, of zij van ganscher harte den man harer keuze liefhad.

Onder zoodanige omstandigheden was tot vreugde van alle in deze zaak betrokken partijen vastgesteld, dat de verloving tusschen den nieuwen secretaris-generaal en jonkvrouw Adèle van Berenvelt gedurende een feestelijken maaltijd aan een uitgelezen kring van familieleden en vrienden zou worden bekend gemaakt.

Van Reelant had lust luid te zingen, toen hij den weg naar huis insloeg. Maar dit zou kwalijk passen voor zulk een achtbaar man, als de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken. Niet minder hoog sloeg zijn hart daarom van jubel. Weldra zou hij een der vermogendste ingezetenen uit de residentie worden; hij zag zich elken weg geopend, hij droomde zich elke hoogte bereikbaar, elken lauwer verkrijgbaar, elke overwinning behaalbaar, elke kroon beschikbaar. Eer- en zelfzucht zongen een triumflied in zijn liefdeloos, dor gemoed--hij had gewild en had gewonnen. Wat hij aan uiterlijke omstandigheden verplicht was, liet hij buiten rekening, ter zijde schuivend, dat de toevallige vriendschap tusschen zijn vader en den minister van Buitenlandsche Zaken den grond gelegd had voor zijn onverwacht en schielijk fortuin.

Hij gaf zich zelven liever de eer. Hij had met inspanning gearbeid, alleen zijn doel in 't oog gehouden, hij was geen voetbreed ter linker- of rechterzijde geweken; dus had hij de zege aan eigen kracht te danken. Zoo was de voorstelling van zaken naar Van Reelants opvatting. Van tijd tot tijd sloeg hij een trotschen blik om zich heen. Het trof hem, dat de Juni-zon zoo feestelijk op de boomen aan den Vijverberg fonkelde, en dat er een mantel van goud over den gevel van het huis der familie Van Berenvelt scheen uitgespreid. Boven zijn hoofd was de lucht zoo blauw, dat het een lust was om te zien. En bijna alle voorbijgangers, die hij ontmoette op zijn korten tocht naar de Hoogstraat, namen hunne hoeden af--de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken was algemeen gezien en geëerbiedigd.

Met zich zelven en de wereld op den besten voet klom Van Reelant eenige minuten over twaalf de trap op van zijne bovenwoning. Even dejeuneeren, snel wat toilet maken, en dan tegen twee uren met de vigilante naar het station van den Hollandschen spoor, dat zou uitmuntend gaan. Over Rotterdam naar Utrecht, zou hij omstreeks halfvijf aankomen; het rijtuig van den Baron zou aan het station staan. Hij had nog tijd genoeg. Hij behoefde zich niet te haasten.

Er liggen geene brieven of papieren op hem te wachten in de voorkamer. Hij gaat naar zijne studeer- en kleedkamer, hij belt. Langs de binnentrap nadert langzaam de oude huishoudster, altijd geheel in 't zwart.

De groene portière beweegt zich. Anna treedt buigend binnen.

»Heb je mijn ~déjeuner~ klaar, Anna?"

»Ja meneer, onmiddellijk!"

»Goed!.... wacht even, Anna!"

»Ja, meneer!"

»Ik ben voor niemand thuis, als er gebeld wordt. En laat kwart voor twee een vigilant komen!"

»Ja, meneer!"

Een oogenblik later staat een klein tafeltje aan 't raam voor het ontbijt gereed. Anna zorgt er voor, dat aan haar heer niets ontbreekt--fijn tafellaken en servet, een malsche karbonade--voortreffelijk gebraden--versch brood en eene karaf met Saint-Emilion heeft ze bijeengebracht. Van Reelant neuriet nu een wijsje, dat hij op straat niet buiten de omheining zijner tanden durfde te doen gaan. Hij ziet met onuitsprekelijk plezier naar den tuin van zijn huisheer, den welopgevoeden Emile van Pommeren, ~fils~, ~fournisseur de la Cour~. De zon werpt stroomen van goud over de dichte kruinen van een paar stokoude pereboomen en een aantal perken met rozen, geraniums en goudsbloemen. De tuin is niet groot, maar zonnelicht heerscht er in de blakende almacht, en zwermen van witte vlinders drijven er op de gulden stralen langs de geurige kelken der bloemen.

Het gezicht in den tuin stemde zoo allervroolijkst, dat Van Reelant met buitengewoon plezier zijne karbonade aansneed, en zijn eerste glas wijn dronk. Met het vooruitzicht dien namiddag nog een zijner liefste wenschen vervuld te zien, wreef hij zich plotseling van louter blijdschap de handen. Hij zou een luiden kreet van jubel hebben willen uitschreeuwen, maar het gevoel zijner waardigheid, dat hem nooit in den steek liet, en daarenboven de deftige huishoudster, die beschuitjes, kaas en gember bracht, weerhielden hem.

»Anna! De vigilant kwart voor twee, niet waar?"

»Ja, meneer!"

»Laat niemand me storen! Ik heb nog wat te doen!"

»Ja, meneer! Heeft meneer nog iets noodig?"

»Dank je!"

»Nu, dan zal ik meneer maar goeie reis en veel plezier wenschen!"

»Dank je, Anna!"

Deftig als altijd ging de zwarte gedaante heen.

Van Reelant toeft nog een oogenblik aan het déjeuner. Haastig drinkt hij zijn laatste glas. Hij wil de noodige zorg wijden aan zijne kleeding, want het is heden een zeer gewichtige dag. Hij verdwijnt in zijn slaapvertrek.

Deze kamer was minder royaal en ruim, dan de overige vertrekken, eigenlijk niet veel meer dan eene vrij donkere alkoof, met eene enkele deur uitkomende in de studeerkamer. Van Reelant hing er jas en vest aan een kapstok en opende zijne linnenkast, om een fraai gestreken overhemd en eene witte das te kiezen. Weldra klaar, keert hij naar zijne studeerkamer terug.

Met een rauwen schreeuw, plotseling hem ontsnapt, blijft hij staan....

Vlak tegenover hem .... verschijnt Suze.

Hare oogen schitterden van eene buitengewone aandoening. Haar gelaat straalt als van hemelsche vreugde. Zijn kreet vernemend, valt er een lichte schaduw over haar gelaat, en terwijl ze nader treedt, zegt ze met eene zachte, bedeesde stem:

»Heb ik je doen schrikken, Arnold?"

Van Reelant kampt tegen eene dier opwellingen van razende drift, die ook den verstandigsten man zouden kunnen bewegen, om een met eindeloos geduld opgetrokken gebouw van »speculatiën" door een enkelen slag te vernietigen. Maar hij herstelt zich in eene seconde. Hij glimlacht flauw, en, daar hij oogenblikkelijk geen enkel woord kan uiten, wijst hij op het overhemd en de das, die hij in handen heeft, alsof hij zeggen wilde: laat mij dit eerst wegleggen.... Suze schijnt te herleven. De eerste uitdrukking van naamloos geluk keert terug. Zij vestigt een blik vol innige liefde op Van Reelant, terwijl deze met half gefronste wenkbrauwen naar de tafel loopt, en langzaam het overhemd ter zijde legt.

Suze kan haar verlangen, om te spreken, niet bedwingen. Zij nadert, en zegt zoo zacht en teeder mogelijk:

»Ik stoor je, Arnold! O, wees niet boos! Iets geheel buitengewoons, iets geheel onverwachts noodzaakte mij op dit uur te komen. Arnold!.... De Huibert is dood! Ik ben weduwe!"

Van Reelant bleef sprakeloos stilstaan. Oogenblikkelijk maakte zich een gevoel van hem meester, of hij eene Jobstijding vernomen had. Hij bewoog zich niet. Hij wilde kalm blijven. Er was geen tijd te verliezen.

Suze nadert hem vastbesloten. Zij legt haar linkerarm op zijn schouder en vervolgt:

»Zooeven kwam een brief uit Osterwolde. Onze oude meid, Kaatje Verschuur, die met onzen koetsier is getrouwd, heeft mij uit vriendschap en dankbaarheid altijd op de hoogte gehouden van wat er in Osterwolde voorvalt. De Huibert, die dagelijks door velden en bosschen trekt op zijne landgoederen in Hannover, heeft een val gedaan. Hij is van zijn paard gestort, is doodelijk gewond naar zijn huis vervoerd, heeft geen woord meer gesproken en is eergistermorgen overleden en .... nu ben ik weduwe .... weduwe, Arnold!"

Geen aasje smart over den dood van den edelen man, wiens leven zij zoo wreed had verstoord, teekende zich op hare trekken. Zij juichte in den overmoed van haren hartstocht. Zij was volkomen gelukkig.

Van Reelant heeft snel den toestand overzien. Hij moet haar terstond zien te verwijderen, de tijd dringt. Gedwongen antwoordt hij:

»Dat is een gewichtig nieuws!"

»Niet waar! Ik wilde er niet mee wachten, en daarom kom ik voor het eerst op dit uur. Maar nu hoef ik mij ook niet meer te verbergen voor het oog der menschen, niet waar? Nu wordt ik over een paar weken je vrouw, mijn beste Arnold!"

Van Reelant onttrekt zich zacht aan hare omhelzing.

Strak glimlachend zegt hij:

»Om je de waarheid te zeggen, ik heb niet heel veel tijd tot praten. Ik moet om twee uren naar Rotterdam!"

»Ga dan een trein later! Eerst moeten we overleggen, wat ons na dit groote feit te doen staat!"

»Onmogelijk! Dringende zaken...."

»Er kunnen geen dringender zaken zijn, dan die wij nu te behandelen hebben!"

Suze spreekt op vasten, beslissenden toon. Er valt weer eene schaduw over haar gelaat.

Van Reelant wordt onrustig.

»En waar wil je dan eigenlijk over spreken?"

»Ik wil spreken over het onverwacht geluk, dat met één slag plotseling voor ons aanbreekt, Arnold! Nu behoeven we niet meer te veinzen, te huichelen, te intrigeeren. Nu kan ik openlijk zeggen: dat is ~mijn~ man! O, ik wist wel, dat mijn trouwe, innig trouwe liefde eindelijk zou beloond worden!"

En zich plotseling aan zijn borst werpend, lispt zij vleiend met bijna onhoorbare stem:

»Lieve man! Wanneer wordt ik nu voor de wereld je vrouw?"

»Daar spreken we later over! Ik moet me nu gaan kleeden, om tegen twee uren klaar te zijn .... later .... later...."

Van Reelant maakt zich met een haastig gebaar los, en loopt naar zijne tafel, waar hij een volkomen overbodig onderzoek naar zijn overhemd in het werk stelt.

Suze ziet hem zwijgend aan, terwijl al hare trekken hoogen ernst uitdrukken. Langzaam begint haar oog te fonkelen.

»Moet ik tot later wachten, Arnold?"

»Ja, dat kan nu niet anders!"

»Zijn je zaken zóó gewichtig, dat je niet meer naar me hooren kunt?"

»Zoo gewichtig .... ja zeker!"

»Dus zou het je plezier doen, als ik maar zoo gauw mogelijk heenging?"

»Ik moet vóór twee uren naar den trein!"

»En dit is alles, wat je me te zeggen hebt?"

Van Reelant maakte eene ongeduldige beweging met de rechterhand, maar zweeg.

Suzes oogen stralen met dreigenden gloed. Haar boezem zwoegt. Haar gelaat spiegelt den hevigen strijd af, die in haar binnenste woedt.

Plotseling strekt ze hare hand uit. De mooie zijden parasol valt voor hare voeten.

»Neen, Arnold! dan weet ik het beter!"

Haar vinger wijst driftig naar Van Reelant.

»Ik breng je de blijde tijding"--gaat ze voort--»dat we van De Huibert verlost zijn! Je blijft er volmaakt onverschillig onder! Je spreekt geen woord van ons huwelijk, mij duizendmaal voorgespiegeld en met dure eeden beloofd! Je wilt me graag kwijt zijn! Je moet naar den trein...."

Hare stem stijgt altijd hooger, hare oogen blaken van klimmenden toorn. Zij nadert Van Reelant met uitgestrekten arm.

»En weet je, wat dat alles beduidt?"--vervolgt ze, hevig adem halend.--»Dat beteekent .... dat meneer Van Reelant een ellendeling is, een leugenaar, ja, een lafaard!"

De stem begeeft haar. Zij klemt zich aan de tafel vast. De woedende gramschap doet haar duizelen.

Van Reelants gezicht was doodsbleek geworden.

Hij zag naar den tuin, want de ramen waren opgeschoven. Als men beneden de stem dier razende vrouw eens vernam? De zonneschijn voor eenige oogenblikken zoo luisterrijk, zoo triomfeerend hem toelonkend, was hem nu eene ergernis....

Hij heeft geene minuut te verliezen. Hij ziet niet naar Suze om, hij antwoordt niet, hij snelt plotseling naar zijne slaapkamer, en sluit de deur achter zich.

In de eerste plaats moet hij zich kleeden. Langer uitstel is onmogelijk. Suze zal tot nadenken komen en heengaan. Gelukkig heeft ze zich driftig gemaakt. Gelukkig heeft ze nu door een paar woorden zich op onmetelijken afstand van hem geplaatst. Hij kan haar nu kalm en bedaard ter zijde schuiven. Zij heeft het zelve gewild. De strijd moest toch eenmaal komen, het is beter, dat dit alles nu maar onverwijld worde afgedaan.