Eene schitterende "carrière"

Part 11

Chapter 113,693 wordsPublic domain

Kluchtig bijna van bewegelijkheid wipte hij weg, en kwam terstond terug met mama De Milde, die op hare beurt gevolgd werd door eene knappe kamermaagd--deze laatste belast met eene eerbiedwekkende hoeveelheid flesschen, karaffen en glazen. De vrouw des huizes was even deftig gekleed als haar man in eene zwierige, maar door vetvlakken ontwijde, grijze japon, en had hare prachtigste muts met splinternieuwe azuurkleurige linten opgezet. Druk sprekend boog zij voor het gezelschap op ouderwetsche, stuipachtige wijze, en ving zij onmiddellijk aan iedereen te bedienen.

De gezelligheid nam nu hand over hand toe. Vroolijkheid blonk uit ieders oog. De jongejuffrouwtjes Roza en Louise, die weer volop mochten spreken, daar papa en mama waren binnengesmokkeld, draafden in 't rond met flesschen wijn en weerden zich dapper door inschenken. De heeren Tulk en Van Houweningen maakten fatsoenshalven een klein ziertje het hof aan Kee en Jans, die de echo's der tuinkamer wakker riepen met haar giggelend gebabbel. De heer De Milde, volkomen tevreden over »quantiteit" en »qualiteit" der ververschingen, zette zich aan de tafel naast mevrouw De Huibert, om recht op zijn gemak over allerlei Haagsche familiën en historiën van vroegeren datum te keuvelen. Zoodra Suze toevallig genoopt werd een oogenblik in den kring der De Mildes door te brengen, was het bijna zeker, dat zij met den ouden heer een levendig gesprek aanknoopte. Deze laatste was op de hoogte van heel het Haagsche leven uit vroeger of later tijd. Suze stelde het meest belang in familiën met aristocratische namen, en de heer De Milde gaf zoo uitvoerig verslag over allerlei levensbijzonderheden van Haagsche grooten, alsof hij dagelijks hun drempel betrad.

Bij de ouderwetsche piano was een gezellig hoekje der tuinkamer, daar men er zich in de onmiddellijke nabijheid der gepoeierde heeren en dames van het behangsel op een deftigen leunstoel neerzetten en het geheele vertrek overzien kon. Toevallig misschien had Betsy, na de levendige »ovatiën" haar met geestdrift gebracht, zich op dien fauteuil neergezet, om aan al te luide lofredenen te ontkomen. Minder toevallig mocht het genoemd worden, dat André zich op het pianostoeltje plaatste, om met haar een afzonderlijk gesprek bijna onder vier oogen aan te knoopen. Bijna onder vier oogen, want mevrouw De Milde bemoeide zich uitsluitend met de versnaperingen, die nu niet alleen in vloeibaren staat, maar ook in den vasteren vorm van boterhammen met zalm of gehakt werden aangeboden. Suze verdiepte zich met den »ouden heer" steeds verder in de genealogiën van Voorhout en Vijverberg. Roza en Louise wijdden al hare studie aan de »sandwiches", en de beide oudsten, Kee en Jans, hadden alleen oogen voor hare broeders-acteurs, die zoo talentvol de rollen van Zeus en Mars vervulden.

Zoo stond het André vrij met Betsy eene lange pooze te spreken .... bijna onder vier oogen!

Bijna .... want wat verder ter zijde bij de deur der ~suite~ staat Willemien, geheel alleen, door niemand bespied, aan zich zelve overgelaten. Zij heeft zich meester gemaakt van de »Oprechte Haarlemmer", die Zondags op de piano blijft zwerven. Zij leunt tegen den wand en houdt de krant uitgespreid, zoodat niemand een blik op haar gelaat kan werpen.

Arme Willemien! Zij zou in André's tooverkluchtspel de rol van de godin der wijsheid vervullen, en nu moest ze zich met alle macht bedwingen geene dwaasheid te doen. Zij zag door haar »Haarlemmer" heen de schitterende oogen van den jonkman, terwijl hij Betsy fluisterend toesprak over den betooverenden invloed der muziek--terwijl hij duidelijk hoorbaar zeide:--»Nu ik u heb hooren spelen, juffrouw Muller! is het mij of ik een nieuw gezang ken, dat ik in mijn hart moet bewaren!"--terwijl eenige oogenblikken later Betsy hem toch doodeenvoudig verzocht haar telkens niet zoo deftig »juffrouw" Muller te noemen....

Arme Willemien! Zij volgde dit gesprek, 't welk duidelijk verried, hoe de harten der beide jongelieden met half onbewuste sympathie, half bewuste genegenheid elkander begonnen tegen te kloppen .... en niemand lette op haar bitter verdriet, op hare wanhoop.... Zij had het luid willen uitschreeuwen:--»André is een bedrieger!"--maar zij durfde niet, want het was eigenlijk niet eens waar.... André had nooit tot haar met zooveel uitdrukking, zoo eerbiedig, zoo nederig gesproken....

Het was niet, om uit te houden....

Snel en onhoorbaar opent zij de deur der ~suite~, en trekt zich in de duisternis terug, om luid weenend op eene sofa neer te vallen.

Arme Willemien! Niemand merkte het op, niemand miste haar. Het geheele gezelschap koutte, lachte en schertste, terwijl bittere tranen van spijt haar langs de magere wangen biggelden....

NEGENDE HOOFDSTUK.

De Secretaris-generaal ad-interim.

Sinds het voorjaar van 1854 was er zeer veel veranderd bij het besturend personeel aan 't ministerie van Buitenlandsche Zaken.

Baron Van Berenvelt, de door ieder hooggeschatte secretaris-generaal, was door een lichten aanval van beroerte getroffen. In Den Haag leefde zeker niemand, die bij de meest uiteenloopende kringen der maatschappij zoo algemeen gezien was. Met groot genoegen hoorde men, dat de toestand van den achtenswaardigen man niet hopeloos scheen. Langzaam herstellende keerde hij in het begin van September van zijne villa bij Utrecht terug. Freule Adèle had haar vader gaarne langer buiten willen houden, zijn eigenaardige toestand maakte dit evenwel niet raadzaam.

De secretaris-generaal hing met hart en ziel aan zijne betrekking. Zoodra hij zich wat beter gevoelde, wilde hij weten, hoe de zaken aan het ministerie stonden. Zijn hoofd was gelukkig helder, maar zijne groote bezorgdheid voor zijne ambtelijke bezigheden maakte hem onrustig. De minister had de tijdelijke waarneming zijner »functiën" aan den referendaris Van Reelant opgedragen. Deze laatste was daardoor bijna onmisbaar voor den heer Van Berenvelt geworden. Voortdurend had de uiterst beleefde referendaris zich kleine uitstapjes naar Utrecht getroost. Toen de familie zag, dat de heer Van Berenvelt na de bezoeken van den referendaris voortdurend kalmer en rustiger werd, kon men bij aanhoudende beterschap den ijverigen secretaris-generaal niet langer tegenwerken. Hij wilde volstrekt naar Den Haag terug, dan kon hij Van Reelant dagelijks raadplegen. Hij beloofde aan zijne dochter Adèle, dat hij verstandig genoeg zou wezen, om niet onmiddellijk naar het ministerie terug te gaan; hij verlangde alleen in de nabijheid te zijn; hij klemde zich met beide handen aan den zetel van secretaris-generaal. Bijna een heel leven lang had Baron Van Berenvelt, schijnbaar onopgemerkt, maar des te vruchtbaarder en invloedrijker gearbeid. Hij werd bij de verschillende staatkundige partijen als een hoogst bekwaam en schrander man geacht. Dat zijne noodlottige ziekte hem ongeschikt zou kunnen maken voor bezigheden, die hem allengs dierbaar en noodzakelijk waren geworden, liet hij zich door niemand opdringen.

Zoo was het geschied, dat Van Reelant nu al vijf maanden de betrekking van secretaris-generaal ~ad-interim~ vervulde. Aan het ministerie heerschte daarover in het geheim de grootste ontevredenheid. Ieder wist, dat Van Reelant een witten voet had bij den minister. Men durfde zich daarom niet openlijk verzetten tegen zijn bestuur. Met de uiterste nauwkeurigheid en de overdrevenste zorg waakte de nieuwe man, een groot jaar nog maar werkzaam aan het ministerie, over de plichtsbetrachting van ambtenaren, die er sedert jaren den eentonigen gang der dagelijksche werkzaamheden volgden. Het geheele ministerie was in rep en roer, sedert Van Reelant voorloopig de plaats van den heer Van Berenvelt bekleedde. Hoogere en lagere ambtenaren gehoorzaamden morrend aan allerlei nieuwe voorschriften, inbreukmakend op hunne vrije beweging.

De secretaris-generaal ~ad-interim~ verscheen met klokslag van tien uur op het ministerie. Daar de minister des zomers altijd eenige weken in Gelderland toefde, was het practisch beleid van zaken sinds primo September in Van Reelant's handen. Zoodra hij zijne kleine, nette kamer heeft bereikt, stelt hij een onderzoek in naar de ambtenaren, en vraagt hij wie afwezig is. De heeren fluisteren elkander toe, dat hij eene lijst nahoudt van absenten en telaatgekomenen; menigeen heeft zich overtuigd, dat die lijst bestaat, als de secretaris-generaal ~ad-interim~ hem doet roepen, en op koud-beleefden toon verzoekt, aan het ministerie de eer zijner tegenwoordigheid in 't vervolg wat vroeger te willen gunnen.

Geen aangenamer oogenblik van den dag voor al de levende zielen op het ministerie dan des middags te kwart na twaalf. Dan gaat Van Reelant voor een kwartier, een half uur of langer, »confereeren" met den uiterst langzaam herstellenden Baron Van Berenvelt. Nadat deze laatste in Den Haag en zijn huis op den Vijverberg was teruggekomen, bleek het duidelijk, dat hij te veel van zijne krachten gehoopt had. Een gevoel van uitputting en lichte duizelingen kwelde hem, zoodat volstrekte rust noodzakelijk was. Alleen een kort gesprek met zijn voorloopigen plaatsvervanger was alles, wat men hem konde toestaan. En toch verlangde de heer Van Berenvelt niet sterker naar den dag, waarop hij, geheel hersteld, zijn zetel in het ministerie weer zou mogen bezetten, dan al de ambtenaren hoog en laag, van den »~chef de cabinet~" tot aan den nederigsten »~boute-feu~".

Terwijl Buitenlandsche Zaken aldus zuchtten onder de afwezigheid van den algemeen beminden secretaris-generaal, gebeurde het op den middag van 13 October 1854, dat wederom stipt kwart na twaalf de bel klonk in de kamer van zijn plaatsvervanger.

Bij het binnentreden van den bode vroeg van Reelant:

»Is meneer De Witt gekomen?"

»Nog niet, meneer!"

»'t Is wel! Ik zal binnen een kwartier terug zijn! Laat de tafel in orde brengen!"

De bode knikte.

Een paar borden, een witte porseleinen kop verrieden, dat Van Reelant uit vurigen dienstijver nog altijd zeer eenvoudig »dejeuneerde" in zijne kamer.

De bode wilde juist aan meneer Van Reelant mededeelen, dat het hard regende, doch toen hij zag, dat de nette meneer met de nette zwarte jas en blinkenden, zwarten hoed een zoo mogelijk nog netter zwartzijden regenscherm ter hand nam, zweeg hij. Buitengewone beleefdheid was overbodig met dezen norschen heer, die altijd op denzelfden hoogen toon sprak, en nooit glimlachte.

Van Buitenlandsche Zaken naar den Vijverberg is maar eene kleine wandeling, en toch woelde er eene lange reeks van allerlei gedachten door Van Reelant's hoofd. Naar de lucht opziende boven de vervallen gebouwen van het oude stadhouderlijke kwartier trof hem de grauwe kleur der schielijk door het zwerk voortjagende wolkstapels. De westenwind woei soms boven de Gevangenpoort een klein plekje open, waardoor vriendelijk blauw schitterde, maar de zon bleef achter een dicht floers verborgen, en de hardnekkige najaarsregen viel ongestoord. De pannen en de muren glommen van het neerstroomend vocht; de keien op het Buitenhof en de Plaats spiegelden elk voorwerp met bijzondere nauwkeurigheid af; de plassen tusschen de steenen ontvingen de scherpe regenstralen onder opborrelend spatten. De felle wind rimpelde de oppervlakte van den Vijver, en joeg de eenden, die met luid gekwaak wegzwommen, onder de beschermende schaduwen van het eilandje. Alleen de zwanen dreven trouw en statig naast elkander over den bewogen waterspiegel, en gaven om wind noch regen.

Van Reelant poogde zich onder zijne parapluie voor nat worden te bewaren, maar achtte evenmin op de guurheid van den regenachtigen Octoberdag. Hij dacht aan vrij wat belangrijker onderwerpen. Het toeval had gewild, dat hij plotseling geroepen werd tot waarneming der »functiën" van secretaris-generaal. Men moest erkennen, dat hij er niet mee schertste. De minister had hem zijn volle vertrouwen geschonken, en de Baron Van Berenvelt zou geen vier en twintig uren hebben kunnen doorbrengen zonder hem te raadplegen. Met tooverachtige snelheid was hij zoo hoog gestegen, waren zijne vurigste wenschen verhoord. Hij had geene moeite, geene inspanning gespaard--dat was waar. Niemand twijfelde meer aan zijne hooge achtenswaardigheid, aan zijne diplomatische bekwaamheid; het naijverige Haagsche publiek, zoo wantrouwend jegens vreemdelingen, roemde hem reeds als een zijner edelste sieraden. De voorzichtige praktijk van zwijgen had hem bemind gemaakt bij al de deftige en invloedrijke heeren; zijn trouw kerkbezoek en zijne nette handschoenen hadden het hart der oude, aanzienlijke dames gewonnen. Om de jongeren van beide sexen bekreunde hij zich minder, en toch was het opmerkelijk, dat ook dezen nog nimmer lust gevoeld hadden met Van Reelant te schertsen. Ieder hield het er nog steeds voor, dat hij zeer »serieus" was, en zeer »serieus" bleef.

Hij had met buitengewonen ijver alles bestudeerd wat tot zijn ambt in verband stond. Hij gaf alleen »advies", wanneer het door een zijner chefs gevraagd werd, maar dan zorgde hij er voor iets buitengewoons te kunnen zeggen. Gedurende den vorigen winter was hij aan het Hof voorgesteld, en sedert dat tijdstip bestond er geene familie uit de oude Haagsche aristocratie, of uit het ~corps diplomatique~, welke hem niet onder hare meest gezochte gasten telde. Van Reelant was, om zijne eigen uitdrukking te gebruiken, volkomen »gelanceerd" in de beste Haagsche kringen; zijne betrekking was eervol; hem ontbrak niets dan .... fortuin. En daar het zijne door den eigenaardigen gang van zaken verbrokkeld was, betaamde het hem ieder verstandig middel aan te grijpen, om het weder op te bouwen.

Zou Adèle van Berenvelt hem daartoe hare hand willen bieden? Hij twijfelde er niet aan, wanneer de omstandigheden bleven medewerken. Tijdens de laatste vijf maanden had hij groote vorderingen gemaakt. De familie Van Berenvelt had zijn trouwen ijver nimmer tevergeefs op de proef gesteld. Adèle toonde zich dankbaar, en behandelde hem als een goed, oud vriend. Zij raadpleegde met hem in alles, waar het op het belang en de gezondheid van haar vader aankwam. Dikwijls hadden zij zonder eenige getuigen noch eenigen schroom familiaar als broeder en zuster gesproken. De afstand tusschen beiden was aanmerkelijk ingekrompen. Zij hadden te zaam den hulpbehoevenden lijder verpleegd in het begin zijner plotselinge ongesteldheid. Adèle had nimmer op Van Reelant's tegenwoordigheid of goeden raad behoeven te wachten--hij had zich zoo onontbeerlijk gemaakt als een ijzeren wil en een bedachtzame tact vermochten. Reeds was het hem gelukt den Baron op kiesche wijze zijn oogmerk te doen vermoeden, en terstond bleek het hem, dat zijne kansen uitmuntend mochten genoemd worden.

Adèle sprak met gulle hartelijkheid en zonder eenige gedwongenheid, als zij saam onder vier oogen waren. Zijne eerbiedige hoffelijkheid stiet haar nooit tegen de borst; zij had er niet aan gedacht hem het stilzwijgen op te leggen. Evenwel scheen het hem nog zeer moeilijk te bepalen, of hare vriendelijke genegenheid ooit tot een dieper, een inniger leven zou ontwaken, of hij het hart zou winnen van een zoo fier, zoo onafhankelijk, denkend meisje, als Adèle.... Hem ergerde het daarbij 't meest, dat hij zelf zoo weinig durfde wagen uit vrees alles met één slag te bederven.

Toen hij bij Baron Van Berenvelt aanschelde, trad er eene dame de stoep op, voor wier parapluie hij beleefd ter zijde ging, terwijl hij deftig groette. Zij droeg een uiterst eenvoudig kostuum, maar zag er bekoorlijk uit met hare lange, donkerblonde krullen en schrandere oogen. Het was de pianojuffrouw van freule Albertine; hij had haar meermalen in het voorbijgaan ontmoet, maar vereerde zijne oude kennis Betsy Muller Belmonte alleen met een stijf knikje. Bij het binnentreden liet hij haar voorgaan, en verloor haar oogenblikkelijk uit het oog. De lakei bracht hem met alle mogelijke bewijzen van eerbied naar de studeerkamer van den Baron.

Gedurende zes weken verscheen Van Reelant telken morgen op hetzelfde uur bij den heer Van Berenvelt. Zijn bezoek werd met hetzelfde ongeduld verwacht als de visite van een aanzienlijk arts. De Baron worstelde tevergeefs tegen zwakheid en lusteloosheid. De uiterste kalmte en de volmaaktste rust alleen konden hem genezen. De zorg over den gang van zaken aan het ministerie scheen grootelijks verminderd, sedert hij weer in Den Haag gevestigd was. Zeer langzaam kwam er eene kleine verbetering in zijn toestand. Zijne dochter waakte angstig over hem, en was gewoon Van Reelant voor zijn vertrek ieder morgen eenige minuten op te houden, als huisgenooten doen, die hun dokter in 't geheim naar den toestand van een geliefden zieke vragen. Freule Adèle haalde dien morgen Van Reelant persoonlijk af uit de studeerkamer van haar vader. Zij bracht hem naar het kleine salon bij de ~serre~. Zoodra zij binnentraden, vroeg ze bezorgd:

»En hoe vind je papa van morgen, Van Reelant?"

Al lang had freule Adèle het deftige »meneer" weggelaten, terwijl hij zelf nog aarzelde tusschen het even deftige »freule", zooals hij gewoonlijk placht te zeggen, of het meer intieme »Adèle", dat hij zich maar bij uitzondering veroorloofde. Hij haastte zich zeer ernstig te antwoorden:

»Van morgen wat gedrukt .... maar in het algemeen gaan we toch langzaam vooruit!"

Adèle vestigde hare fonkelende, zwarte oogen met eene uitdrukking van angst op Van Reelant's gelaat, en zei haperend:

»Is dat wezenlijk je eigen overtuiging, Van Reelant?"

»Ja, freule Adèle! Uw papa gaat vooruit, al is het zeer langzaam, zeer langzaam! Zijn eenige kwaal is nu eene moreele--hij is niet verstandig genoeg, om zijn volkomen beterschap kalm af te wachten!"

»Die lieve papa! O, ik kan het soms niet uithouden van angst .... als de beterschap eens niet doorging, als...."

»Maar de beterschap gaat door! 't Is nu alleen nog een quaestie van tijd. Meneer Van Berenvelt is volkomen gerust over den gang van zaken aan het ministerie, en dit is een groote stap tot den vrede .... wij zullen hem redden...."

»We zullen hem redden, als ieder mij maar trouw helpt. Ik mag immers op je rekenen, Van Reelant?"

Adèle strekte hare sneeuwwitte handen uit, en legde die op Van Reelants rechterarm.

Zij waren zonder eenige plichtplegingen naast elkander op eene sofa gaan zitten.

Van Reelant werd bleek, en haalde diep adem.

Zijne scherpe stem dwingende tot den zachtsten, hartelijksten klank antwoordde hij:

»Je kunt stellig op me rekenen, Adèle! Nu en altoos .... altoos...."

Freule Van Berenvelt ergerde zich niet over den gemeenzamen toon. Zij hadden te zaam al zooveel zorgen gedeeld. De hulpvaardige vriendschap van den even voorkomenden als edelmoedigen jonkman stemde haar zeer gunstig ten zijnen opzichte. Zoodra zij met hem sprak, week het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid, dat haar telkens overstelpte, als zij aan den toestand van haar armen vader dacht. Een hartelijk woord van Van Reelant was haar altijd welkom. Zachtkens nam zij hare handen van zijn arm, en fluisterde:

»O, ik wist het wel! Je blijft onze trouwe vriend, Van Reelant!"

De deur van het salon werd geopend. Een lakei riep:

»De heer Gronovius!"

Tot groote ergernis van den secretaris-generaal ~ad-interim~ trad nu de beroemde heer Gronovius met zijn kaal hoofd, blozende wangen en talrijke »decoratiën" binnen. De jongelui waren opgestaan, en bogen voor den achtenswaardigen vertegenwoordiger des Nederlandschen volks. Hij zag er zeer indrukwekkend uit met zijne plechtige, zwarte jas, in wier knoopsgat alleen een zeer klein deel zijner welverdiende lauweren prijkte. Hij begon aanstonds te spreken, en drukte in zijne stem de meewarige belangstelling uit van een groot man, die zich bewust is eene buitengewone oplettendheid aan zijne vrienden te bewijzen:

»Hoe vaart u freule? Bonjour, Van Reelant! Juist voorbijkomende, wil ik niet mankeeren even in persoon naar mijn besten vriend Van Berenvelt te informeeren! We hebben het ontzettend druk in de Kamer vandaag, maar .... enfin, hoe gaat het hier?"

Het gezelschap was blijven staan. Adèle antwoordde beleefd, en verzocht den »grooten" man te gaan zitten.

»Pardon, freule! Ik moet onmiddellijk weer naar de Kamer! Als ik maar hoor, dat het vooruit gaat met Van Berenvelt, ben ik tevreden! Geen nieuws, Van Reelant?"

»Niet van belang, meneer Gronovius? Weet u iets?"

»Bagatellen, anders niets! Het Belgisch gouvernement heeft mij commandeur van de Leopoldsorde gemaakt...."

»Mag ik u feliciteeren...."

»Dank je! Niets bijzonders! En als alles goed gaat, kan Van Berenvelt dus over veertien dagen weer op het ministerie zijn, niet waar?"

»Wij hopen het allen!"

De heer Gronovius behield gaarne »voeling" met Buitenlandsche Zaken. Hij wist nu alles, wat hij weten wilde, en mocht zijn plicht als volksvertegenwoordiger geene seconde meer verzuimen.

Toen hij afscheid nam, klonk de stem van den lakei opnieuw:

»Graaf Tchitchikoff!"

Gronovius vloog haastig heen, en de Russische ~attaché~ vertoonde zijne rozige, gerimpelde trekken en zijne dunne, zwarte hairen, langs voorhoofd en wangen naar de fraaiste »symmetrie" gladgestreken. Hij boog met groote plechtigheid, en sprak ratelender dan eene Friesche klok, waarvan men de gewichten ophaalt, in voortreffelijk Fransch:

»Ik kom eens hooren naar meneer den Baron? Beter, niet waar? Charmant! En nu, zullen we het genoegen hebben freule Van Berenvelt van avond bij de groote repetitie te zien?"

»Onmogelijk, mijn waarde Tchitchikoff! Ik ga niet uit, voordat papa hersteld is! Het spijt me...."

»~Au désespoir~, freule! We zullen mevrouw Van Olmen als uwe ~doublure~ moeten doen optreden! Dat kan nu niet anders! De zaken marcheeren uitstekend! De representatie zal succes hebben! En we hopen vurig, dat u van de partij zal zijn bij de tweede representatie!"

»U is wel beleefd...."

»Ik heb het akelig druk! Nu aanstonds naar mevrouw Van Olmen, om over haar kostuum te spreken! ~Costume régence~, zooals u weet! Nog vijf dagen den tijd! Enfin, dat zal in orde komen! Maar ik reken op u, mijn waarde Van Reelant! Den heelen avond ben ik bezet met mijn rol van Sganarelle! U komt zeker, niet waar?"

De secretaris-generaal ~ad-interim~ verwenschte de heele ~comédie de société~, maar poogde zich met eene beleefde verontschuldiging van de zaak af te maken.

Intusschen hielp Adèle den Russischen ~attaché~, en weldra had men afgesproken, dat Van Reelant zich dien avond eene pooze aan zijne bezigheden van tweeden régisseur zou wijden, ondanks de vele drukten door zijn staatsambt veroorzaakt. Vlug wipte graaf Tchitchikoff weg--hij had geene minuut meer te verliezen.

Van Reelant haalde de schouders op, toen hij verdween. Adèle scheen hem te begrijpen. Zij glimlachte even in 't voorbijgaan, zonder naar hem op te zien.

Beiden stonden een oogenblik zwijgend stil.

Van Reelant had zijn hoed gegrepen, en dacht er over nog iets te zeggen, vóór hij heen ging.

Adèle voorkwam hem. Zij vroeg haastig:

»Morgen zie ik je weer op dit uur, niet waar?"

»Zeker, zeker! Mijn liefste oogenblik van den geheelen dag!"

Het jonge meisje sloeg de heldere kijkers neer, en antwoordde zacht:

»Waarom zeg je dat zoo?"

Van Reelant vatte snel hare hand, en vroeg in denzelfden toon:

»Heb je me dan nog niet begrepen, Adèle? moet ik duidelijker spreken?"

De hand van het jonge meisje trilde in de zijne.

Geen van beide sprak een woord.

Plotseling hief Adèle het hoofd op, een vuurroode blos overstroomde hare wangen. Zij trok hare hand terug, en zei met trillende stem:

»Nu niet, Van Reelant! Morgen .... morgen!"

Als eene schaduw verdween ze.

De secretaris-generaal ~ad-interim~ staat roerloos in het verlaten salon. Eene diepe ademhaling, een vonkelend oog getuigen, dat hij zich zeker acht van zijne victorie. Nog een oogenblik toeft hij, terwijl zijne rechterhand rusteloos aan den blonden knevel plukt.... Morgen zal zij beslissen!