Eene Gekkenwereld!

Chapter 8

Chapter 83,907 wordsPublic domain

"Maar, goede juffer, gij hebt ongelijk, zoo allen moed te verliezen. Den eenen dag of den anderen, zal uw vader onverwachts komen en u verlossen uit de macht uwer vijanden."

In stede van op zijne troostende woorden acht te slaan, riep het krankzinnige meisje, met eenen lach van geluk op het gelaat en den glanzenden blik naar het diepe der kamer gericht:

"Gezegend zij God, mijne zalige oogen zien hem.... hem, Arthur, mijn verloofde! Zie, hoe dit zwaard in zijne ridderlijke hand bliksemt.... Let op, let op, daar is de reus Carabos!... Ha, ha, zijn leeuwenhoofd rolt in het zand!... Moed, Arthur, moed: ik hoor den zevenhoofdigen draak uit den afgrond opstijgen en om wraak huilen. Ach, het is eene moeilijke taak!... Arthur, mijn lieve Arthur, zie wel toe, dat gij zijne zeven koppen in eens afslaat; want anders groeien ze oogenblikkelijk weder bij; er kwam geen einde aan en gij zoudt in den onmogelijken kamp bezwijken. Daar is hij, daar is het gruwelijk monster! Zie toe, zie toe, Arthur, en neem uwen slag wel waar: uw leven en mijne verlossing hangen er van af.... Daar, hij slaat, hij slaat.... de zeven koppen al in eens!... Wee, wee, neen, slechts vijf! Het is gedaan! Arme Arthur, verscheurd, verslonden, dood.... en dood alle hoop!... en ik, eilaas, ik mag niet sterven!"

Haar gelaat ontspande en zij hernam hare eerste stille houding, als verging onmiddellijk in haar het geheugen van den schrikkelijken kamp, die voor hare oogen had gespookt.

"Dit ijselijk schouwspel langer aan te zien, is mij onmogelijk," zuchtte de fourier opstaande, "mij dunkt, ik zou er ziek van worden."

"Ik heb er insgelijks genoeg van," zeide de sergeant-majoor. "Wat zij daar uitgalmt, heeft zij ongetwijfeld uit een of ander blauwboek van buiten geleerd. Mij dunkt, ik heb zoo iets van mijne grootmoeder hooren vertellen, toen ik nog een kind was.... Komt gij mede naar den Toren? Daar zal het wat vermakelijker zijn, dan in deze vervelende zottenwereld."

"Neen, majoor, nu kan ik u niet vergezellen. Ik heb nog, voor het _appèl_ van vier uren, den toestand der wapens onzer compagnie af te schrijven; de adjudant heeft het mij bevolen."

"Groote zaak: vijf minuten werk!"

"En daarenboven, majoor, nu gevoel ik mij in het geheel niet gestemd om naar de herberg te gaan."

"Het zij zoo. Ik wed dat gij alleen in de velden wilt wandelen, om aan het lot dier arme prinses te denken; dit zal haar ongelukkiglijk weinig baten. Het is met haar gedaan; en, zooals zij zelve zegt, alle hoop is dood voor haar.... Tot vier uren dus."

Met deze woorden stapte hij naar de huisdeur. De fourier stuurde nog eens eenen blik vol medelijden tot de krankzinnige juffer, en klom dan langzaam de trappen op.

In zijne kamer gekomen, zette hij zich bij de tafel, schikte een ontplooid papier voor zich, en meende te schrijven; maar zijne geschokte verbeelding voerde hem weder beneden, in tegenwoordigheid der prinses Ermelinde. De pen viel hem uit de hand; hij staarde vast in de ruimte en bleef, in smartelijke gepeinzen verzonken, roerloos zitten.

III.

Van dien dag af, stond de fourier onder eenen zonderlingen invloed, dien hij vruchteloos voor zich zelven poogde te verklaren. Waar hij zich ook bevonde, de prinses Ermelinde vervolgde hem onverpoosd, en zelfs wanneer hij achter de gelederen zijner compagnie onder de wapens stond of deel nam aan de krijgsoefeningen, zweefde haar beeld immer voor zijne oogen. Des nachts in zijne droomen vocht hij zegevierend tegen reuzen en zevenhoofdige draken, verloste de prinses, leidde ze tot haren vader, kreeg hare hand tot belooning van zijnen heldenmoed, en beklom met haar den koninklijken troon van Ascalonië.

In den eerste bekende hij den sergeant-majoor zijne wonderlijke geestontsteltenissen en lachte er mede; maar allengs werd hij meer en meer ernstig en poogde, zooveel mogelijk, den spot van zijnen kameraad en zelfs alle samenspraak met hem daarover te ontwijken. Wat in zijnen geest omging, beschaamde hem als iets ten uiterste belachelijk, en het verschrikte hem tevens, omdat hij vruchteloos voor zich zelven de uitlegging ervan zocht. Medelijden? Kan dit zacht en stil gevoel den vorm aannemen eener drift, die geheel het denkvermogen van den mensch opslorpt? Wat dan?... O, hemel, de sergeant-majoor had ook gezegd; "Pas maar op, dat gij zelf niet zot wordt, arme Arthur!" Hij zou krankzinnig kunnen worden? Neen, neen, zulk iets vreesde hij niet; maar hoe kwam het dan toch, dat hij, noch dag noch nacht, die tergende beeltenis van voor zijne oogen kon jagen?.... Het was, meende hij te mogen denken, een gevolg der overgevoeligheid van zijn gemoed; die indruk zou, evenals vele anderen, mettertijd verzwakken en geheel vergaan. O, dede nu een bevel van den generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken! Dit ware een groot geluk; want het verblijf te Gheel was voor hem niet goed, dit gevoelde hij wel.

Intusschen ontveinsde hij, zooveel hij kon, de klimmende storing zijner zinnen voor den sergeant-majoor, deed zijnen dienst met nauwgezetheid en ging zelfs meer dan gewoonlijk naar den Toren, alhoewel de kameraden daar niet zelden zich vroolijk maakten over zijne zonderlinge droomachtigheid. Van de prinses Ermelinde en van de andere zinneloozen was hij nog dieper vervaard geworden en deed alles wat hij kon, om hunne ontmoeting te vermijden. De lieden van zijn logement hadden al vroeg bemerkt, dat de tegenwoordigheid hunner krankzinnige kostgangers hem onaangenaam was, en zij hadden de noodige voorzorgen genomen om te beletten, dat een hunner zich nog in de keuken vertoonde, ten minste zoolang de onder-officiers er zich bevonden om hunne maaltijden te nemen.

Op al andere oogenblikken, wanneer zijn dienst hem vrij liet, was de fourier in zijne kamer of hij wandelde eenzaam door de velden, even onophoudend als den eersten dag door het beeld der prinses vervolgd en gekweld.

Misschien zou hij eindelijk toch over zijne kinderachtige ontroeringen gezegevierd hebben, want hij deed er ernstige en oprechte moeite genoeg toe; maar nu en dan, wanneer hij te huis kwam en noodzakelijk door de keuken moest gaan, om zijne kamer te bereiken, zag hij de treurende Ermelinde in haren leunstoel zitten. Bij den kwijnenden, den spookachtigen blik, welken zij alsdan in zijne oogen stuurde, sidderde hij van hoofd tot voeten, en het deed hem in eens alles verliezen wat hij tot de genezing van zijnen ontstelden geest kon gewonnen hebben. Dien nacht vocht hij dan weder tegen den zevenhoofdigen draak en verloste de prinses.

Op zekeren dag, dat Carabos bijzonder rustig was, had Beth, de moeder der krankzinnigen, hem voorgesteld den reus in de zottenkamer te komen bezoeken. Zoo kon hij dan tevens met de andere kostgangers, welke hij nog niet had gezien, kennis maken, onder anderen met de oude vrouw, die altijd op zoek was naar haren verloren neus; maar de fourier noch de sergeant-majoor wilde van zulk bezoek hooren, en zij drukten hunnen afkeer van de zinneloozen zoo onbewimpeld uit, dat Beth er door gekwetst of vernederd werd, en van toen af zich weinig genegen toonde om nog veel in samenspraak met de gevoellooze soldaten te komen.

Eindelijk, nadat de fourier bijna eene gansche week de ontmoeting moeting der prinses had kunnen ontwijken, werd zijn gemoed veel rustiger en hij juichte in zich zelven, bij de zekerheid dat hij welhaast geheel van zijne belachelijke geesteskwaal zou genezen zijn.

Maar dan gebeurde er bij ongeluk iets, van aard om hem nog dieper te ontstellen.

Dien namiddag dreef er een hevig onweder over de gemeente. De lucht werd zeer duister, het bliksemde fel en het donderde zoo hard, dat de huizen op hunne grondvesten daverden.

Gedurende dit soort van orkaan waren de zinneloozen zeer onrustig; de onder-officiers hoorden, van op hunne kamer, hoe ze rondliepen, tierden en schreeuwden, bovenal Carabos, die zijn hol gebrul met het geratel des donders mengde.

Na het onweder werd echter de lucht weder blauw, en ook de rust keerde in de zieke zielen der krankzinnigen terug; alleenlijk hoorde men nog van tijd tot tijd het gerucht der ketens van den reus....

Het kon nu elf uren des avonds zijn. Al de lieden des huizes waren sedert lang gaan slapen, behalve de oude bazin, half sluimerend in den leunstoel der prinses Ermelinde zittende, om te wachten op de terugkomst van den sergeant-majoor, die ongetwijfeld later dan naar gewoonte zich in den Toren met zijne kameraden vermaakte. Zij deed het slechts uit beleefdheid, want de sergeant-majoor had eenen sleutel der huisdeur.

Boven de hooge schoorsteenplaat stond eene lamp, welker zwakke stralen slechts een twijfelachtig, licht verspreidden.

Ook de fourier was nog niet te bed; hij zat op zijne kamer en poogde bij den schijn eener kaars in een boek te lezen. Zijn aandachtsvermogen moest echter gering zijn; want elk oogenblik zag hij op van het boek en staarde droomend en nadenkend voor zich heen....

Eensklaps hoort hij beneden een verward gerucht van ketens, die men schudt, van voorwerpen die vallen, van lieden die om hulp roepen, van deuren die men openwerpt.... en terwijl hij nog twijfelt, of hij niet droomt, komt de schrikkelijke noodkreet: "Moord, moord!" door eene bekende stem geslaakt, hem het bloed in de aderen bevriezen.... Even ras begrijpt hij wat er geschiedt; hij springt naar den wand, trekt zijne sabel uit de scheede en loopt de trappen af. Wie het wanhopig hulpgeroep hem toestuurt, is de prinses Ermelinde.... Carabos, Carabos wil haar dooden!

Inderdaad, de reus heeft zijne keten gebroken; de verschrikte prinses, door haren vijand bedreigd, is voor hem gevlucht.

Daar zit zij nu, in haar lang nachtkleed van hemelsblauw katoen gewikkeld, tegen den wand der keuken ineengekropen, en akelig kermend om bijstand en om redding. Te midden van het vertrek, en in schijn haar niet ziende, loopt, woedt en brult een zonderling wangedrocht, dat, alhoewel gedeeltelijk in wollen stoffen gekleed, er uitziet als een reusachtige aap, van het soort dat men Gorilla heeft genoemd. Dit schrikwekkend wezen draait een oogenblik in het ronde, stoot zich zelven tegen muur en tafel en blikt met zijne roode, vlammende oogen naar deur en venster, als zochte hij eene baan om uit zijne gevangenis te ontsnappen.... Maar eensklaps doet hij eene beweging, als bemerkte hij nu eerst de prinses; een vervaarlijk geloei stijgt op uit zijne holle borst; hij nadert de arme juffer en steekt zijne klauwen tot haar uit....

Op dit oogenblik verschijnt de fourier in de keuken; een angstkreet ontsnapt hem. Wat hij zoo dikwijls gedroomd heeft, gaat waarheid worden: nu moet hij de prinses Ermelinde verdedigen tegen haren wreeden dwingeland! Hij heft de sabel in de hoogte en zal het monster den ruigen kop kloven.... maar achter zijnen rug klinkt nu eene stem, die hem toeroept:

"Houd op, houd op! Zijt gij zot geworden? Gij weet niet wat ge doet. Carabos zal de prinses niet hinderen: hij ziet ze zelfs niet; de arme man is geheel nachtblind!"

Zij, die deze woorden spreekt, is Beth, der zotten moeder. Uit haren slaap door al dit gerucht opgewekt, heeft zij metterhaast een kleed aangetrokken, en staat daar nu, met eenen spotlach van medelijden op de lippen den verbluften fourier aankijkende, als waande zij hem inderdaad krankzinnig.

Maar ze grijpt onmiddellijk den reus hij den schouder, terwijl zij op beheerschenden toon hem zegt:

"Carabos, mijn jongen, het tempeest, de donder heeft weder den boozen geest u in het lijf gejaagd. Op de knieën nu, op de knieën! Hoort gij mij niet?"

Het wangedrocht beeft in al zijne leden en zinkt grommend voor haar neder.

De bazin, die in het schommelkot was gevlucht, opent aarzelende de deur, bij het vernemen der stem harer dochter.

"Moeder," zegt deze, "hij heeft eene vijs zijner keten gebroken. Haast u, breng mij eene nieuwe vijs, dan is alles weder te recht."

Terwijl het moedige meisje den reus dwingt, haar naar de zottenkamer te volgen, staat de fourier nog altijd met de sabel in de hand, verstomd en roerloos te midden van het vertrek. Hij gevoelt het belachelijke van zijnen toestand en is neerslachtig en beschaamd.

Onder eene nieuwe vlaag van geestverbijstering, komt nu de prinses Ermelinde op hare knieën tot voor zijne voeten gekropen, heft de smeekende handen tot hem en roept op scheurenden toon:

"O, Albafras, machtige toovenaar, genade, genade, spaar mijn leven! o, neen, neen, dood mij niet!"

Daar wordt de buitendeur met eenen sleutel geopend, en de sergeant-majoor treedt binnen. Hem ontsnapt een angstschreeuw bij het gezicht van zijnen jongen kameraad, die met de sabel in de vuist de krankzinnige juffer schijnt te willen vermoorden, terwijl zij voor zijne voeten kruipt en om genade kermt.

Hij springt op hem toe, ontrukt hem zijn wapen, sluit hem in de armen en zegt met diep medelijden:

"Ongelukkige vriend, wat gebeurt u? Kom, houd u stil, bedaar; het zal overgaan."

De fourier blijft een oogenblik zwijgend; maar dan barst hij eensklaps los in eenen schaterlach, die zijnen gezel nog meer doet verschrikken. Zou de arme fourier waarlijk zinneloos geworden zijn?

Nu komen opvolgend de andere huislieden beneden. Wanneer zij vernemen wat er is voorgevallen, schijnen zij er weinig belang aan te hechten. De prinses wordt naar hare kamer terugbracht; de keten van Carabos is bij middel eener nieuwe schroef hersteld. Allen wenschen elkander goeden nacht. De sergeant-majoor, weinig gerust over den geestestoestand van zijnen gezel, leidt hem naar boven.... en de diepste stilte daalt neder over het huis, waar een oogenblik te voren woest gehuil en bange noodkreten hergalmden.

IV.

Tegen alle verwachting van zijnen gezel, scheen de fourier, den morgen na zijn wedervaren met Carabos, zeer rustig en zelfs van betere luim dan te voren.

Hij had, gedurende eenen slapeloozen nacht, den tijd gehad om over zijne belachelijke verbeeldingen en den goeden raad van den sergeant-majoor na te denken, en daarbij met schaamte erkend, dat hij, sedert zijne aankomst te Gheel, juist had gehandeld als ware het hem te doen om tegen den ridder Don Quijote van Cervantes in gekheid te wedijveren. Zoo dwaas scheen hem zijn gedrag, dat hij met zich zelven den spot dreef en hartelijk deel nam aan de vroolijke scherts van zijnen kameraad, die gelukkig was, zijne blijdschap over de genezing van zijnen jongen vriend te mogen uitstorten.

Wel werd de fourier allengs weder eenigszins ernstig, doch het bleef echter klaarblijkend, dat de betoovering, vroeger door de prinses Ermelinde op hem uitgeoefend, beslissend was verbroken.

Na de morgenvergadering der compagnie, zeide hem de sergeant-majoor.

"Fourier, ik ga straks naar Moll, om daar den baas der Zwaan een bezoek te brengen. Alles begint mij hier schrikkelijk te vervelen; en dewijl de baas mij door eenen bode heeft uitgenoodigd, wil ik de gelegenheid waarnemen, om mij ginder een weinig te verzetten en te vermaken. De kapitein heeft mij verlof gegeven tot dezen namiddag, te zeven uren. Het spijt mij, dat wij niet te zamen naar Moll kunnen gaan. Wij mogen niet te gelijker tijd van de compagnie afwezig zijn, aangezien gij intusschen ook mijnen dienst op u moet nemen. Maar hebt gij lust om in den namiddag naar Kevermont op te wandelen en mij te gemoet te komen, ik zal Moll te vijf uren verlaten; zoo kan ik ongeveer te half zeven Kevermont bereiken."

De fourier aanvaardde zijn voorstel met genoegen, en vergezelde hem een eind verre in de baan naar Moll.

Dien dag was de jonge onder-officier bijzonder wel te moede. De overdrevenheid zijner ontroeringen had hem gansch genezen. Nu deed het gezicht der zinneloozen bijna geenen indruk meer op hem; en, versomberde nog somwijlen zijn gelaat onder den invloed eener onaangename overweging, het was slechts wanneer hij bedacht, tot welke gekke zinsverdwaling hij zich door zijne kinderachtige gevoeligheid had laten verleiden.

Toen het bepaalde uur naderde, ging hij den weg naar Moll op, en ontmoette inderdaad den sergeant-majoor, vooraleer deze het gehucht Kevermont had bereikt.

"Welnu," vroeg hij zijnen kameraad, "heeft men zich te Moll goed vermaakt?"

"Uitmuntend," kreeg hij ten antwoord. "Er zit wel eene zwarte vlieg op; maar het is beter, aan zulke dingen niet te denken... Ha, fourier, wij hebben ginder eenige flesschen van het patersvaatje geledigd! Die baas Krols is toch een brave vent, en mij zoo genegen dat hij, wilde ik het aanvaarden, mij zijn laatste hemd zou schenken.... Maar waarom ziet gij er zoo nadenkend uit? Speelt de prinses van Ascalonië nog altijd u in het hoofd of hebt gij weder tegen Carabos gevochten?.... Weg met al die vervelende zagemannen! De eenige wijze en vermakelijke zotten zijn degenen, die de wijn maakt, zooals ik, bijvoorbeeld; maar wel verre van de lieden te willen bijten of verscheuren, zou ik al de menschen als broeders in mijne armen willen drukken. Dit is de goede, de edele krankzinnigheid.... Sa, gij zegt niets? Zijt gij weder betooverd?"

"Maar gij laat mij den tijd niet tot spreken," wedervoer de fourier lachende. "En toch, wat zou ik u kunnen zeggen?"

"Geef mij nieuws van Gheel: mij dunkt, het is al eene eeuw geleden, dat ik uit die zottenwereld ben weggevlucht."

"Er is geen nieuws, majoor, ten minste dat ik weet; ik heb bijna den ganschen dag op onze kamer zitten schrijven.... De sergeant Pacquet is onbeleefd tegen zijnen kapitein geweest en men heeft hem voor acht dagen in den bak gezet."

"Dit is inderdaad geen nieuws. Pacquet zal zijne strepen niet lang behouden; het is een dwaze kerel.... Weet gij anders niets?"

"Ha, ja, ik ging het nog vergeten, omdat ik er nu maar weinig belang meer aan hecht: er is een negende zot in ons logement gekomen.... het is te zeggen, eene zottin."

"Hebt gij ze gezien?"

"Ja, een oogenblik."

"Jong?"

"Dertig jaar misschien; het is moeilijk te raden."

"Schoone vrouw, fourier?"

"O, neen, majoor, zij heeft verwilderde oogen, hangende lippen en holle wangen. Zij komt van Antwerpen. Volgens hetgeen Trees mij van haar zeide, moet zij op trouwen gestaan hebben, maar haar verloofde heeft, op het beslissend oogenblik, haar laten blinken en is sedert met een ander meisje getrouwd. Dit heeft haar zoodanig het hart ingedrukt, dat zij van verdriet is zinneloos geworden. Trees heeft dit ongetwijfeld van de geleiders der zottin vernomen; want de weinige woorden, welke de arme vrouw stamelt, hebben geenen zin en zij schijnt niemand meer te kennen."

"Ja, liefdesmart, zielsverdriet," mompelde de sergeant-majoor, het hoofd schuddende, "ik weet wat het is.... en zelfs moet ik bekennen, dat ik onder dit oogpunt eene zeer ongelukkige hand heb. Misschien ga ik alweder te Moll een treurend hart achterlaten; maar ditmaal toch zal ik er geheel onschuldig aan zijn. Hebt gij niet opgemerkt, dat Judoca, de oudste dochter van baas Krols, gedurende de laatste dagen van ons verblijf te Moll, mij veel vriendschap betoonde?"

"Inderdaad, en gij zelf, majoor, waart bijzonder minzaam voor haar," antwoordde de fourier met eenen glimlach.

"Ik? Nooit, ik dacht er niet aan; en, geloof mij of niet, voor niets ter wereld keer ik nog terug naar Moll."

"Waarom?"

"Verbeeld u, fourier, dat tusschen het eten eener lekkere taart en het drinken van een glas wijn, de baas mij heeft doen gevoelen, dat, indien ik den krijgsdienst wilde verlaten, het mij niet onmogelijk zou zijn, eene plaats van het staatsbestuur te bekomen. Dan zou hij zijne dochter eenen goeden bruidschat medegeven en kon ik zijn schoonzoon worden. Hij had wel opgemerkt, zeide hij, dat ik eene innige genegenheid voor Judoca koesterde, en zij, van haren kant, was sedert mijn vertrek zoo droevig geweest, dat het leed deed om aan te zien.... Gij begrijpt wel, dat ik dit zonderling voorstel heb van de hand gewezen. De baas nam mijne weigering niet euvel op; maar toen ik de Zwaan verliet, zag ik tranen in Judoca's oogen glinsteren. Ik had waarlijk medelijden met haar, want zij is een braaf en zedig meisje."

"En gij gevoelt niets voor haar?"

"Niets. Ik heb het u reeds gezegd, fourier: eens in mijn leven heb ik bemind. Sedert dan kan geene vrouw,--zelfs niet de schoonste,--op mij nog eenigen indruk doen. Die taal verwondert u, en gij meent dat ik alweder spot?"

"Ik geloof u, majoor; gij hebt mij reeds meermaals laten verstaan, dat gij eene verborgene wonde in het hart draagt."

"En gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig om die wonde te kennen?"

"Neen, bewaar uw geheim; ik zal nooit iets doen om het te ontdekken."

"Maar toch eens, fourier, zal ik moeten zeggen, wie ik ben en wat mij op het geweten drukt. Welaan, gij zijt een goede kameraad en een bescheiden vriend; ik gevoel den lust om u mijne geschiedenis te vertellen. Het zal den weg verkorten, luister."

En zijnen gezel den arm nemende, stapte hij voort, terwijl hij dus aanving:

"Mijne geboortestad is Brugge; ik was eene wees en stond onder toezicht van eenen voogd, die zeer streng mij behandelde en mij weinig geld gaf, ofschoon mijn vader, bij zijn overlijden, mij ongeveer vijf en twintig duizend gulden tot erfenis had nagelaten.--In onze buurt woonde een zekere Mr. Roovelt, een gepensioneerd groot-majoor, die in den slag van Waterloo zijne rechterhand had verloren. Hij had eene dochter, Lucia genaamd, een zeer bevallig, doch misschien al te gevoelig meisje. In onze kindsheid hadden wij te zamen gespeeld. Toen ik van het collegie terugkeerde en achttien jaar had bereikt, veranderde deze vriendschap welhaast in een diep liefdegevoel, waartegen de majoor en mijn voogd niets anders inbrachten, dan dat wij nog te jong waren en ten minste, om te trouwen, moesten wachten totdat ik mijne meerderjarigheid zou hebben bereikt.... Ik beminde Lucia oprecht en innig; maar zij werd door haren vader zeer streng gehouden, en slechts elke week werd het mij gegund, eenige oogenblikken met hem en met haar door te breugen. Ik was jong en gevoelde den nood tot uitspanning en vermaak, en niet zelden sleet ik den avond en een gedeelte van den nacht in gezelschap van vroolijke vrienden. Lucia was ongerust, mistrouwend, ja, zeer jaloersch van inborst. Nergens kon ik gaan en met vrienden mij vermaken, of zij wist er bericht van te krijgen. Dan deed zij mij hevige verwijten, kreeg zenuwaanvallen of weende uren lang, als had ik mij inderdaad op eene onwaardige wijs jegens haar gedragen. Ik was overtuigd, dat die geweldige ontsteltenissen aan hare overdrevene liefde voor mij waren toe te schrijven; maar hare voortdurende bespieding, de dwang, dien zij op mij poogde uit te oefenen, het denkbeeld, dat ik aan haar en aan haren vader rekening te geven had over mijne minste daden, dit alles te zamen bracht mij in opstand tegen haar, en het scheen mij zelven toe, dat mijne genegenheid voor haar eindelijk zeer was verminderd.... Omtrent dien tijd bereikte ik mijne meerderjarigheid, en mijn voogd stelde mij ter hand wat er alsdan nog van mijne vaderlijke erfenis overbleef, namelijk ongeveer twintigduizend gulden...."

"Gij hebt twintigduizend gulden bezeten?" mompelde de fourier. "In geld?"

"In klinkend geld en in bankpapier."

"En hebt gij die nog?"

"Geen cent meer.... Maar onderbreek mij niet, het zou te lang duren. Ik ga voort. Dit geld werd mijn ongeluk. Ik viel in slecht gezelschap; de meening dat er aan zulken schat geen einde kon komen, de hoogmoed, de zucht naar uitspattende vermaken sloegen mij met blindheid. Paard en rijtuig moest ik hebben, met edelgeborene verkwisters in verkwisting wedijveren, halve nachten tusschen flesschen champagne en liederlijke gezellen van alle slag tuischen, zingen en juichen.... Het spreekt van zelven, dat majoor Roovelt en mijn voogd mij zeer streng over mijn zinneloos gedrag berispten, en de arme Lucia, meer nog dan te voren, mij wanhopige verwijten deed; maar hunne vermaningen, daar ik ze als berekende dwangmiddelen aanschouwde, deden mij des majoors woning schuwen, en dreven mij tot nog grootere buitensporigheid aan...."