Chapter 6
Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid.... toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de herberg van zijnen vriend.
Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger, tot zich te roepen.
Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:
"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."
Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:
"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een verstandig man, niet waar?"
"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."
"Onnoozele, het is een zot!"
"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."
"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."
"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.
"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor, dit is voldoende."
Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan, terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als onverschillig hem zeide:
"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon met zijn groot leger in Rusland...."
Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met oogen die van trotschheid fonkelden:
"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen, op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis, daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"
En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas open, dat twee of drie knoopen lossprongen.
Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles, ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener pint.
Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde, met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der Goede Hoop!
Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien, kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.
De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het gezicht neergeslagen zitten.
Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.
Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd en zonder spreken de herberg verlaten.
Natuurlijk was,--toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden plaats genomen,--het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke zinnelooze, die daar juist was weggegaan.
De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.
Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge tooneelen zij dagelijks bijwoonden.
De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al, de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna gedurig voor haar op de knieƫn zaten te bidden.... Er was ook een man,--een heer van Brussel,--die den ganschen dag niets deed dan in het veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen. Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis gemakkelijk te maken.
In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden.... Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets deed dan zegeningen uitdeelen.
De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel in persoon.
Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier, wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van meer andere gevallen.
Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:
"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt; daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd, en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben God-de-zoon!'--Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"
Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten wenschen.
Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.
Onderweg zeide de sergeant glimlachende:
"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"
"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn gemak."
"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en kunnen ze niet veranderen."
"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."
"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."
"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin, liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."
"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden? Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."
Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander afscheid namen.
De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en mismoedig, ging de baan naar Moll op.
* * * * *
Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "_Gheel, de Kolonie der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen_." Deze schrijver zegt onder ander:
"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd, niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste plaatsen van gansch het land nemen.
"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.
"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar gij u bevondt.
"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds verscheidene jaren uitgeroeid is."
Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.
In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.
Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje _Das paradies der Wahnsinnigen_ noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal _Het Paradijs der krankzinnigen_ hebben betiteld.
II.
Te Moll teruggekeerd, vertelde de fourier aan zijnen sergeant-majoor, wat wonderlijke, treurige dingen hij te Gheel had gezien en vernomen; hij verborg hem daarbij niet, hoe onuitlegbaar diep hij door het schouwspel van der zinneloozen ellendig lot was ontroerd geworden.
Zijn kameraad schertste gedurende eenige dagen met zijne overdrevene gevoeligheid, waarna deze indrukken allengs in des fouriers gemoed zelf verzwakten; en hij had de krankzinnigen van Gheel waarschijnlijk al spoedig vergeten, indien niet eene onverwachte omstandigheid ze weder had te berde gebracht.
Eenen middag, toen de onder-officiers op de wacht-parade tegenwoordig waren om het dagorde te ontvangen, werd daar een bevel van den generaal afgelezen, welks voorname inhoud was, dat de twee Compagnies morgen naar Gheel zouden vertrekken, om er de compagnies van het 3de bataljon te vervangen, die zich naar Turnhout begaven.
Dit nieuws verraste den fourier niet weinig; hij twijfelde een oogenblik, of hij het wel juist had verstaan. Wat? zij moesten te Gheel gaan logeeren? Te midden der zinneloozen leven, en ongetwijfeld onder hetzelfde dak slapen met eenigen der schrikbarende wezens, wier aandenken hem nu nog somwijlen deed huiveren!
Dan, er was aan de noodzakelijkheid niet te ontsnappen: een soldaat gehoorzaamt.
In het gevoel, dat hij ditmaal niet naar Gheel zou gaan als liefhebber en uit vrijen wil, maar tot het vervullen van eenen opgelegden plicht, vond hij gemoedssterkte genoeg om zijne bekommerdheid te overwinnen.... en het was tamelijk licht van hart, dat hij, des anderen daags 's morgens, de lieden der Zwaan vaarwel wenschte, en met den sergeant-majoor zich schikte bij den troep, die reeds met pak en zak reisvaardig stond.
De trommels gaven het sein, en de compagnies, tot bij de laatste huizen der gemeente door een gedeelte der inwoners begeleid, sloegen de aardebaan naar Gheel in.
Ongeveer twee uren later, bereikten zij de kerk van St. Dymphna en de eerste huizen der gemeente Gheel.
Van dit oogenblik af, werden zij al meer en meer vergezeld of voorafgeloopen door zinneloozen,--meest kinderen,--die met papieren hoeden op het hoofd en houten sabels of stokken in de hand sprongen en dansten op de maat der trommels.
In den eerste poogden de bijldragers of _sapeurs_ hen te verjagen; maar het was als een vliegenzwerm; zij vloden wel weg voor de bedreiging der sapeurs, doch keerden telkens weder; en dewijl er van alle kanten nog anderen kwamen toegeloopen, was het wel zichtbaar dat men ze moeilijk zou kunnen verdrijven. De gansche troep, officiers en soldaten, eindigde dan ook met om het zonderlinge schouwspel te lachen, en vervorderde zijnen weg zonder zich aan de luidruchtige vroolijkheid der arme wezens gelegen te laten.
Bij de Markt kwamen nog een honderdtal straatbengels, even uitgelaten, zich met de zinneloozen vermengen; en toen eindelijk de compagnies voor het gemeentehuis stilhielden, waren zij omringd van eene wolk dansende of juichende lieden, waartusschen men onmogelijk de redehebbenden van de krankzinnigen kon onderscheiden.
Hier werden onmiddellijk de logement-biljetten uitgedeeld, en welhaast zag men de soldaten, in groepjes van zes, vier of twee, naar alle richtingen zich over de Markt verspreiden om hunne herberg op te zoeken. Niet zelden kregen zij, zonder het te vermoeden, eenen zinnelooze tot leidsman, en daaruit ontstonden koddige misgrepen en verrassende tooneelen, die den ganschen dag het voorwerp bleven van de vroolijke scherts der soldaten.
Op de Groote Markt zelve, te midden der Westelijke zijde, werd den sergeant-majoor en den fourier van verre hun logement aangewezen.
Het scheen een tamelijk groot burgerhuis; maar, buiten de gewone inkomdeur, had het nog eene wagenpoort, die toeliet op eenen voorhof te zien, waar de mesthoop, karren, egge en ploeg aantoonden, dat hier, evenals bij vele inwoners van Gheel, nevens de verpleging van krankzinnigen, insgelijks den landbouwerssstiel werd uitgeoefend.
Onze onder-officiers werden zonder veel beslag, doch met minzaamheid onthaald door eene dochter en eene oude vrouw, welke laatste hun zeide:
"Ja, mijnheeren, het is wel ten onzent, dat gij moet zijn. Komt binnen, en weest zoo goed ons te volgen; wij gaan u maar seffens uwe kamer toonen; zoo kunt gij u van ransel en geweer ontdoen."
Men bracht hen eerst door een ruim vertrek, waar vier of vijf personen,--eene juffer in uitgezochte kleeding, een oude man, een jongen van dertien of veertien jaar en een klein meisje,--rondom den wijden schoorsteen zaten: zinneloozen ongetwijfeld, want in hunne blikken of in hunnen lach was iets verwilderds of iets dwaas. Boos of dreigend schenen zij echter niet te zijn; bovenal niet de juffer die, roerloos als een wassen beeld, hare groote blauwe oogen, zoet en klagend, op hen hield gericht.
"Zoo jong, zoo lief.... en krankzinnig!" zuchtte de fourier met medelijden.
"Het is Ermelinde, de verwenschte prinses," zeide de dochter met eenen glimlach.
"Houdt gij nog andere zotten?" vroeg de sergeant-majoor.
"Wij houden er gewoonlijk tien," was het antwoord. "Voor het oogenblik hebben wij er maar acht. Het zijn gelukkiglijk stille, rustige zotten.... behalve een enkele, maar die is meest altoos opgesloten."
Nu bereikten zij de kamer, die den onder-officiers tot tijdelijk verblijf was bestemd, en er ruim en goed ingericht uitzag.
"Vrienden," sprak de oude bazin, "stelt u nu maar op uw gemak en doet alsof gij te huis waart. Wij hebben allen ons werk: ik moet koken, bijna den geheelen dag; onze Trees, daar, moet mij helpen en de koeien in den stal verzorgen; onze Beth, welke gij straks zult zien, moet op de zotten letten; mijn man en mijne twee zonen zijn aan den veldarbeid. Misschien zoudt gij kunnen denken, dat wij niet veel naar u omkijken; maar, wenscht gij iets, zegt het. Kan het zijn, wij zullen het u oogenblikkelijk geven, met veel plezier. En wat de uitdeelingen van vleesch en brood of handgeld betreft, mijnheeren, die kunt gij doen op den voorhof. Daar is eene schuur met tafel, banken en weegschaal, doelmatig daartoe geschikt. Wij hebben tot nu toe sergeant-majoors en fouriers gelogeerd en waren altijd de beste vrienden."
De onder-officiers bedankten haar voor hare goedwilligheid.
"Ik zou het nog vergeten," voegde zij in het heengaan er bij. "Het is nog verre van middag en de reis heeft misschien uwen eetlust opgewekt. Komt beneden, mijnheeren, zoohaast gij hier gedaan hebt: de hesp, de kramik en een goed glas bier zullen gereed staan."
Met deze woorden lieten de vrouwen hen alleen.
De sergeant-majoor wreef zich de handen en juichte over het voortreffelijk logement, dat hun ten deel was gevallen. Min vroolijk scheen de fourier. Toen zijn gezel hem de reden dezer koelheid vroeg, bleek het, dat de prinses Ermelinde hem in het hoofd speelde en hem eensklaps zwaarmoedig had gemaakt. Dit gaf den sergeant-majoor weder stof tot spotten.
"Uwe gekke scherts laat mij ongevoelig," zeide de fourier zeer ernstig. "Zeg al wat gij wilt; maar ik kan, zonder van medelijden te sidderen, mij niet voorstellen, dat zulk jong meisje, die waarschijnlijk tot eene goede familie behoort, voor gansch haar leven tot krankzinnigheid is veroordeeld. Misschien was zij bestemd om in de wereld te schitteren; zij is schoon...."
"Schoon?" riep de sergeant-majoor, "dit levenloos gelaat, zonder de minste uitdrukking, effen en blinkend als een porseleinen poppenkop? Ik geloof, dat gij scheel ziet. Is het mogelijk, zulk spookachtig aangezicht schoon te vinden! Let maar op, dat uw ziekelijk medelijden u zelf niet zot maakt."
"Daarvoor is geen gevaar," wedersprak de fourier lachend. "Ik ben inderdaad kinderachtig. Wat kan ik er evenwel aandoen? Maar het is alweder een eerste indruk, die spoedig zal voorbij zijn.... Laat ons nu beneden gaan en de hesp eens aanspreken; want, ondanks mijne deernis met het lot der arme juffer, gevoel ik, dat het mij wel zal smaken."
Zij daalden een tiental trappen af en kwamen in de huiskamer, tevens tot keuken dienende, en waar zij ditmaal geene zinneloozen meer aantroffen.
"Zit neder, mijnheeren," zeide de oude bazin, die alleen was om hen te onthalen. "Gij zult mij nieuws zeggen van onze hesp en onzen kramik."
Toen ze beiden reeds aan tafel hadden plaats genomen, keek de fourier, waarschijnlijk zonder het te weten, nog om naar den leunstoel bij den schoorsteen, waar eenige minuten te voren de krankzinnige juffer had gezeten.
"Ja, ik zie het wel, mijnheeren," zeide de bazin, "het verwondert u, dat onze kostgangers eensklaps zijn verdwenen. Mijne dochter Beth heeft ze in de zottenkamer geroepen, opdat zij u, ten minste dezen morgen, niet zouden storen. Anders gaan en komen zij vrij door ons huis, in den hof en zelfs op straat. Het zou wreed zijn, niet waar, de ongelukkige schapen, die niemand kwaaddoen, altijd in dezelfde kamer opgesloten te houden? En gij zult het ongetwijfeld niet kwalijk nemen, indien gij nu en dan eenen onzer zotten ontmoet."
"Zeker niet, bazin; integendeel, het zou ons spijten, moesten zij voor ons een oogenblik hunne vrijheid missen," antwoordden de onder-officiers.
"Zij verlieten niet gaarne de keuken," ging de vrouw voort, "want die onnoozele sukkelaars zijn nog nieuwsgieriger dan redelijke menschen. Ik had ze niet weggekregen: zij moesten onze nieuwe soldaten zien, maar onze Beth is de moeder der zotten; op den klank harer stem of op eenen wenk van haren vinger, gehoorzamen zij goedwillig, ja, zelfs de reus Carabos,--zooals de prinses Ermelinde hem noemt,--die anders, nacht en dag, zou moeten geboeid liggen.... maar, dank zij onze Beth, nu kan de arme man van tijd tot tijd in de zottenkamers wat rondwandelen en zijne leden uitrekken."
"Is er een reus in uw huis? Een zinnelooze reus?" mompelde de fourier half lachend en half angstig.
"Het is veeleer een leeuw in menschengedaante. Was onze Beth niet daar om hem te temmen, voor geen geld der wereld nam ik hem in den kost. Gij zult hem zien, mijnheeren, morgen of overmorgen wanneer hij kalm is. Ik weet het niet, onze Beth alleen weet het."
Terwijl de bazin deze uitleggingen gaf, hield zij zich onledig met hare keuken. Zij stelde eenen ziedenden pot op de heete assche, trok eenen emmer bij en begon aardappelen te schillen.
De sergeant-majoor, die opmerkte dat de oude vrouw gaarne sprak, vroeg haar eenige inlichtingen aangaande de krankzinnige juffer, welke bij hunne komst in den leunstoel had gezeten, en drukte daarbij de meening uit, dat ongetwijfeld liefdesverdriet de oorzaak harer ziekte was.