Eene Gekkenwereld!

Chapter 5

Chapter 53,921 wordsPublic domain

En toen de trom had aangevangen te slaan en de troep reeds een eind verre was, konden nog de sergeant-majoor en de fourier, door het hoofd om te keeren, tranen zien glinsteren in de oogen der goede vrienden, die zij wellicht nooit meer zouden wederzien.

HET PARADIJS DER KRANKZINNIGEN.

DERDE SCHETS

I.

Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het 2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een paar uren afstand van Gheel.

Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe hadden bijgedragen.

Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.

Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te wachten hadden.

Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.

Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen slijten.

De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de velden of op de heide.

Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien en gesproken.

Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan terug zijn voor het einde van den dag.

Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich naar Gheel te begeven.

Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie groene kwispel.

Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, dat iedereen hen bewondert.

Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men maar over zich zelven tevreden is?

Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was gevallen.

Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.

Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand die het te heet heeft en uitrust.

Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.

"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt zeker met uw half bataljon te Gheel?"

"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog verre?"

"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn gezelschap u niet hindert...."

"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."

Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden burgerstand behoorde.

"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige honderden zotten [1]."

"Wel duizend, fourier, wel duizend!"

"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de straten wandelen?"

"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."

De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met verrassing:

"Ja, die is ongetwijfeld zot."

"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in zijn leven niet."

Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren naakt tot aan de knieën.

Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen eenen boom en _presenteerde_ het geweer, met evenveel ernst als een ware soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.

"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is misschien soldaat geweest?"

"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij vroeger heeft verzuimd."

"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en winter, in nat en droog?"

"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze streek."

"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.

"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, den gulden weerhaan niet glinsteren?"

"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de aangewezene richting blikkende.

"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."

"Uw kasteel?"

"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."

De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, smeekte zij:

"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."

De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den fourier:

"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."

De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen schaterlach:

"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... Zot, leelijke zot!"

Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige stappen te hebben gedaan:

"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt gij daarover, fourier?"

De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste scheldwoorden uitvarende.

Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "_gare, gare au cheval_!" hem ter zijde deed springen.

Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.

"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt gij het durven, fourier?"

"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"

De baron wees vooruit en zeide:

"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."

En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat snuif te koopen!"

"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, van verbaasdheid bijna stom.

"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"

De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in de baan wegvlood.

Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar Moll terug te keeren.

Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.

Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van St.-Dymphna en trad het stadje in.

Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat hij eenige aandacht op hen sloeg.

Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een kangaroe te springen.

De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te worden verpletterd.

Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.

Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.

Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.

"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo goed aan gewend dat ik,--gij zult het niet gelooven,--dat ik dagelijks op het dambord speel met een hunner."

"Met eenen zot?"

"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."

"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, van ons verstand maakt!"

"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"

"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."

"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot straks."

De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten; burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.

Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.

Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.

Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en welbehouden levenskracht.

Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon zien komen.

Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,--om toch iets te zeggen,--aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte gemeente was.

"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp, afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."

"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?" bemerkte de fourier.

"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."

"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze menschen?"

"Uit onze provinciën, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten te Gheel besteden."

"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"

"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."

Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.