Chapter 4
Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.
"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u zoo moedeloos maakt?"
Hij bekwam geen antwoord.
"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden in; ik zou u willen troosten."
"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"
De fourier zette zich nevens hem op den boom.
"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het hart zijn. Bedrieg ik mij?"
"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.
"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan wordt de hemel weer helder voor u."
"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.
"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"
"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."
"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de ouders weigeren?"
"Neen, de ouders niet."
"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."
"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos.... Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt, wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"
"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur gesproken."
"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk, goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden. Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps een jongen uit de stad,--Theodoor, de zoon van onzen gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen, dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten uitstellen."
"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier. "Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."
"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even ongelukkig als ik."
"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris doen trouwen?"
"Eilaas, neen, de moeder niet."
"Maar wie dan?"
"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."
"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de kleeren laten steken, jongen."
"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld.... en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het hoofd bukken onder den wil van God."
"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe? Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"
"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."
En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op stonden te lezen.
Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.
"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u heeft gefopt? Een kluchtspeler,--Theodoor waarschijnlijk,--heeft die vreeselijke woorden op het ei geschreven."
"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet geschreven."
"Geschilderd misschien?"
"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."
"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"
"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."
Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:
"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een kerel? Nu spreek, ik bid u."
"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik van hem niet veel te zeggen."
"Is hij geleerd?"
"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den Apothekers-stiel te...."
"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa. Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen, dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne dochter te laten trouwen?"
Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog voor de minste hoop gesloten.
"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij zekeren onderwijzer,--hij heette Mr. Shaw.--Deze vermaakte ons na de schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,--dit wil zeggen de natuurkunde,--en een dezer kunstjes bestond in het maken van zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu, Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."
"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.
"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het dorp?"
"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk, verkoopt ook medicamenten."
"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan drinken, en pogen het ei te zien."
"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin zou het u nooit vergeven."
"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze, zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand: ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God.... Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot wederziens, bedorvendans van het lot!"
Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den aardenweg in naar het dorp.
III.
Den derden dag na het onderhoud van den fourier met Frans Houtman, traden de beide onder-officiers in het Bonte Kalf en vroegen elk een glas bier. Het was nog vroeg, want, volgens zij zeiden, kwamen zij van het _morgen-appèl_.
Baas Noppe was alleen in zijne herberg, en hij meldde hun, vooraleer het hem werd gevraagd, dat zijne dochter naar het dorp was gegaan met versche boter voor den notaris.
De vrouw was echter te huis, want zij hoorden haar tegen de koeien in den stal spreken.
Na eenige woorden met baas Kobus over het weder en over het uitzicht van den toekomenden oogst te hebben gewisseld, vroegen de krijgslieden een spel kaarten. Zij wilden, zeiden ze, het partijtje voortzetten dat zij gisteren, omdat het te laat geworden was, hadden onderbroken.
Het pak kaarten werd hun toegereikt en zij begonnen, in schijn met aandacht en inspanning, te spelen, maar zij waren integendeel zeer verstrooid, en zagen naar de achterdeur zoohaast zij het minste gerucht op den voorhof hoorden. Ongetwijfeld wist de sergeant-majoor alles; want hij glimlachte en pinkoogde nu en dan zoo onvoorzichtig, dat zijn jonge kameraad hem berispend in het oor fluisterde:
"Schei uit, houd u ernstig, of gij gaat ons verraden!"
De baas, die tot dan zich achter den toog had beziggehouden met glazen te spoelen en flesschen te vullen, kwam achter den rug van den fourier staan en zag het spel gedurende eenigen tijd stilzwijgend na. Eindelijk kon hij zulke misgrepen, als hij hier zag begaan, niet langer verdragen en zeide met ernst en nadruk, hoe een echt liefhebber in het voorhandig geval zou gespeeld hebben. Was de fourier zoo deerlijk geklopt geworden; dit mocht hij slechts aan zich zelven wijten; want had hij, Kobus Noppe, de kaart in de hand gehad, zeker de sergeant-majoor zou geene drie slagen opgehaald hebben. Hij was gereed, het hun te bewijzen, indien de fourier toestemde, hem met dezelfde kaarten tegen den sergeant-majoor te laten kampen.
Men voldeed aan zijn verlangen; hij nam de kaarten op en begon te spelen, met evenveel drift alsof zijne goede faam en zijn geluk van den uitslag dezer partij hadden afgehangen.
Maar nauwelijks had bij, met een hart dat van fierheid klopte, de twee eerste slagen opgehaald, of een zonderlinge schreeuw deed hem verschieten; hij liet de kaarten ter tafel vallen, sprong op en riep met vervaardheid:
"Hemel, wat is er nu gebeurd? Die vrouw zal mij nog den dood op het lijf jagen!"
Inderdaad, moeder Noppe had, onder het slaken van eenen angstkreet, de achterdeur opengeworpen, en stond daar nu, ontsteld en bleek, te midden der kamer met een ei in de hand.
"Ik heb het wel gevreesd!" klaagde zij. "Kobus, Kobus, dit is uwe schuld. Het huwelijk onzer dochter mocht zoo haastig niet gaan. Nu is God op ons vergramd. Zie, een nieuw bevel!"
De onder-officiers bezagen elkander met eenen listigen glimlach, doch de fourier legde zich den vinger op de lippen, om zijnen kameraad het stilzwijgen aan te raden.
"Hoe staat gij daar nu als van den hamer geslagen?" viel moeder Noppe tegen haren man uit. "Dat zal u leeren, goddelooze twijfelaar. Daar, neem het ei en lees. Wie weet wat schrikkelijke dingen er ditmaal opstaan!"
Kobus aanvaardde het ei met bevende hand en bekeek het eene wijl; maar dan hief hij het hoofd op en staarde zijne vrouw met strakken blik en wijdgeopenden mond aan, als iemand, die zijne eigene oogen niet kan gelooven.
"Welnu, zijt gij stom geworden? Zeg, wat staat er dan op het ei?" riep de bazin met toornig ongeduld.
"Er staat.... er staat op, dat Lisa met Frans Houtman moet trouwen."
"Met Frans Houtman, o hemel! Dit is niet mogelijk: gij hebt slecht gelezen."
"Neen, Christien, het is wel zoo. Zie, het staat er duidelijk op: _Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil...._ En daar, vrienden, leest gij zelf en getuigt, of ik mij bedrieg." De sergeant-majoor nam het ei.
"Uw man heeft gelijk," bevestigde hij; "het staat er op; _Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil_."
Ware de donder boven het hoofd van vrouw Noppe losgeborsten, zij had niet dieper verschrikt en verbluft kunnen zijn. Zij sloeg zich de hand aan het voorhoofd en martelde zich de hersens, om het raadselwoord van zulk onbegrijpelijk voorval te vinden. Dat God van besluit was veranderd, dit durfde zij niet gelooven.... en het ei was toch geheel gelijk aan het vorige! Hemel, wat, wat ging er om? Waren zij de speelbal der listen van den boozen geest?
In haren twijfel hield zij de oogen ten gronde en scheen de vloersteenen te ondervragen. Even stom en ontsteld staarde baas Noppe rondom de kamer, als vreesde hij den duivel zelf te zien verschijnen.
De fourier kreeg medelijden met hunnen pijnlijken toestand; hij trad vooruit, naderde moeder Noppe en zeide:
"Bazin, kom tot u zelve en wees gerust. In geheel deze zaak der eieren heeft een valsche kerel zonder hart u bedrogen, en zich niet ontzien uwe gekende godvruchtigheid te misbruiken, om u en uw kind de slachtoffers zijner snoode begeerlijkheid te maken."
Zij keek den jongen krijgsman, die zoo ernstig en met zooveel zekerheid sprak, verwonderd aan, doch schudde in twijfel het hoofd.
"Gij meent dat ik het ben, die u wil bedriegen, vrouw? Gij gelooft eerder wat de eieren u zeggen? Welaan! zie, ik insgelijks heb een ei, dat kan spreken; het is juist gelijk aan de anderen. Beschouw het maar goed. Dat uw man leze wat er op staat: hij zal er de verklaring van het schrikkelijk raadsel op vinden."
Baas Kobus nam het ei, dat de fourier uit den zak had gehaald, en las met de grootste verbaasdheid:
"_Theodoor heeft den spot met u gedreven_."
"O, mijn God, wat wil dit zeggen?" riep moeder Noppe, die eenen lichtstraal in haren geest voelde dringen.
"Wat dit beteekent? Het wil zeggen, dat Theodoor,--om onmiddellijk de hand uwer dochter te bekomen, en tevens om de liefde voor Frans Houtman in haar hart uit te dooven,--eene verfoeielijke goddeloosheid heeft begaan. Hij is het, die de letteren op het ei heeft geschreven en het daarna in het nest gelegd."
"En dit tweede ei dan? Hij zal toch niet tegen zich zelven... Welke gedachte! De berouwende zondaar heeft zijne slechte daad willen herstellen."
"Neen, bazin, dit tweede ei heb ik gemaakt en gisteravond in het nest gelegd, met het enkel inzicht u van Theodoors valschheid te overtuigen en den strik te breken, dien hij u heeft gespannen."
"Gij, gij hebt dit ei gemaakt?" stamelde de vrouw.
"Ja, ik; en zulke eieren kunnen honderden lieden in de stad even goed maken als Theodoor. Het is een kinderspel voor hen die de kunstgreep kennen. Zoohaast ik had vernomen, dat de zoon van den secretaris bij eenen apotheker heeft gewoond, bleef mij geen twijfel over. Hij alleen had belang in het bedrog, en waarschijnlijk wist hij alleen in het gansche dorp, hoe men zulke eieren maakt."
"Ha, ha, daarom trok de bedrieger, van toen af, zulk schijnheilig aangezicht!" riep baas Noppe met gramschap uit.
Hij verklaarde zich ten volle overtuigd, dat de fourier niets zeide dan de zuivere waarheid; maar de vrouw liet zich zoo gemakkelijk niet overwinnen, alhoewel haar geloof aan het wonder reeds diep was geschokt.
De beide krijgslieden deden zooveel doorslaande redenen gelden; de fourier legde haar zoo duidelijk uit, hoe men zulke eieren maakt, dat zij eindelijk zich overgaf en hare langbeklemde woede uitstortte in allerlei scheldwoorden tegen den zoon van den secretaris, iets waarin zij terdege geholpen werd door haren man, die van niets anders sprak dan van Theodoor hals en beenen te breken.
Terwijl zij nog immer bezig waren met dus aan hunne verontwaardiging lucht te geven, hoorden zij eensklaps achter hunnen rug eene zachte minzame stem, die hun zeide:
"Dag, baas Kobus, dag, bazin Noppe. Heeft men goed geslapen dezen nacht?"
Theodoor Peeters had zijn hoofd in de deur gestoken.
"Wacht wat, ik zal u eenen goeden dag gaan geven, gij vuile schurk, gij laffe schobbejak!" schreeuwde de baas, zijne vest afwerpende en zijne hemdsmouwen opstroopende.
Maar de sergeant-majoor en de fourier sprongen toe en weerhielden hem met geweld.
"Waarom zijt gij boos op mij? Wat is er gebeurd?" stamelde de verbaasde jongeling.
"Wat er gebeurd is, valsche fleemer?" snauwde de vrouw, met de vuisten vooruit, hem toe. "Ha, men zal u leeren, eieren in ons hennennest te komen leggen! Hoe, leelijke ketter, gij durft den heiligen naam des Heeren misbruiken om ons te bedriegen en te bespotten? Ga weg, vlucht, goddelooze booswicht, of de baas doet u een ongeluk."
"Uit mijn huis, uit mijn huis, ik breek u den hals!" bulderde Kobus Noppe, terwijl hij, om los te raken, tegen de krijgslieden worstelde. "Ha, valschaard, gij moest met Lisa trouwen! Uit mijne oogen; en komt gij nog over onzen dorpel...."
Maar Theodoor, die zich schuldig gevoelde en geenen lust had om zich door den uitzinnigen baas den kop te laten inslaan, deinsde terug de deur uit en liep met spoed naar het dorp.
De herbergier was niet te stillen. Om zijne gramschap toch op iets uit te werken, had hij met zijne zware handen reeds eenen stoel aan stukken getrokken en twee pinten verbrijzeld. Slechts de bedreigingen zijner vrouw brachten hem eindelijk tot bedaren. Evenwel mompelde hij nog van den burgemeester, van den tribunaal, van de gevangenis; en hem scheen het niet onmogelijk Theodoor op het schavot voor zijne verfoeilijke valschheid te doen boeten.
Zijne vrouw was echter zoo wraakzuchtig niet. Volgens haar gevoelen was het beter, den zoon van den secretaris maar aan de knaging van zijn eigen geweten over te laten, dan door zulke vervolging nieuw schandaal te verwekken.
"Zoo kan het toch niet blijven," wedersprak hij. "Wij moeten evenwel iets doen om zijnen hatelijken aanslag te straffen."
"Het is uiterst eenvoudig," bemerkte de sergeant-majoor. "Gij heb in gevaar verkeerd, uwe dochter en dien goeden Frans Houtman ongelukkig te maken voor hun leven. Hersteld maar seffens uwe dwaling en maakt de kinderen gelukkig. Zoo zal Theodoor genoeg gestraft zijn, en de kwade tongen, indien er zijn, zullen geenen tijd hebben om veel te praten."
"De majoor heeft gelijk," murmelde de oude vrouw.
"Zeker heeft hij gelijk: hij spreekt als een boek!" riep de baas.
"Dus gij stemt toe in hun huwelijk?"
"Wij moeten wel."
"Laat gij toe, bazin, dat wij de goede tijding aan Frans Houtman en zijne moeder gaan melden?" vroeg de fourier.
"Met veel genoegen.... Maar zie ik ginder onze Lisa niet komen? Ja, zij is het."
"Vrouw, laat mij haar tegemoet loopen en het haar zeggen!" smeekte de baas.
"Neen, ik ben het, die haar huwelijk met Frans heb gedwarsboomd: uit mijnen mond moet zij het vernemen."
"Het is waar, Christien, gij hebt gelijk."
Nauwelijks was het meisje in de kamer getreden, of bazin Noppe greep hare beide handen aan en zeide haar:
"Kind, kind lief, ziet gij niet in mijne oogen dat ik u gelukkig wil maken? Gij twijfelt? Welnu, gij moogt trouwen met Frans Houtman."
"Hemeltje lief, is het waar?" stamelde Lisa.
"Ja, ja, wij geven onze toestemming!" juichte de herbergier. "Hoe gauwer, hoe liever de bruiloft. Wij zullen dansen dat het huis invalt. Het is bliksems lang geleden, dat ik mijnen laatsten flikker heb geslagen; maar voor den gelukkigen dag zal ik mijne oude beenen nog eens insmeren!"
Het meisje lag van zalige ontroering in de armen harer moeder te weenen, en zij zoende haar en zij zegende haar zoo teeder en zoo dikwijls, dat de oude vrouw insgelijks tranen over hare wangen voelde lekken.
Ook haren vader omhelsde zij.
Dan vroeg zij eensklaps:
"Weet Frans het?.... Niet? O, hemel, hij lijdt nog onder die schrikkelijke wanhoop? Vader, laat mij naar de hofstede loopen, om hem, om zijne moeder, om zijne zuster de blijde tijding te brengen! Indien ze maar niet kwalijk vallen van geluk ..."
"Kom, kind, ik ga mede," zeide de vrouw.
"Ik insgelijks!" riep de baas.
"Wat? gij zoudt de herberg durven alleen laten? Blijf te huis gij!"
Moeder en dochter sprongen de deur uit en liepen, door de twee krijgslieden van verre gevolgd, zoo hard zij maar konden den veldweg in.
Bij het naderen der hofstede hoorden de sergeant-majoor en de fourier daarbinnen blijde kreten en een verward geschater van vroolijke stemmen.... En--alsof de natuur en de dieren zelven over het geluk van twee eenvoudige, zuivere zielen wilden medejuichen, de lentezon verguldde met haren milden gloed het dak der eens zoo treurige woning, de koeien bulkten in den stal, de hennen kakelden op den mesthoop, de haan kraaide boven het hondenhok, de vogelen zongen in de boomen....
Toen de onder-officiers binnentraden, klonken luide dankzeggingen hun tegemoet, en drukten allen hun de handen, ja, de gelukkige Frans sloot den fourier met tranen volle oogen op zijn hart.
Van dien dag af zagen zij, in allerhaast en stuk voor stuk, die dingen bijeendragen, welke tot het inrichten van een jong huishouden worden vereischt; maar de bruiloft konden zij, eilaas, niet bijwonen; want er kwam een ontijdig bevel, dat zij met hunne compagnie naar Turnhout moesten vertrekken, om daar hunne volledige soldaten-kleeding te ontvangen. Deze kleeding zou zijn van groen laken met roode biesjes, en de troep van generaal Niellon zou voortaan het 2de Regiment Jagers te voet uitmaken.
Op den treurigen dag gingen Frans Houtman en zijne zuster, Lisa Noppe en hare moeder met de onder-officiers naar Lichtaert, om hunne redders, hunne weldoeners, zoo zij zeiden, uitgeleide te doen.