Chapter 3
"Hemel, heeft moeder zich in het hoofd gestoken, mij met...."
Maar daar hoorden zij op den voorhof een vreemd geschreeuw, als van iemand die om hulp roept. Zij hadden reeds een paar stappen gedaan, om te gaan zien wat er gebeurde, toen de achterdeur werd geopend en bazin Noppe binnentrad, zoo bleek en met zulke verwilderde oogen, dat hare verschijning den baas en zijne dochter met eenen angstkreet dood terugdeinzen.
"Wat is er voorgevallen, vrouw? Eene koe dood?" vroeg Kobus Noppe.
"Mirakel, een mirakel!" stamelde de vrouw, zonder iets meer te kunnen zeggen.
"Een mirakel? Wat beteekent dit? Spreek, ik smeek u!" riep haar man.
"Ach, ik ben meer dood dan levend!" zuchtte de bazin, terwijl zij een ei toonde, dat zij in de hand hield. "Menschen lief, wat zal ons nog overkomen! Ik ga in het wagenkot, om het hennennest te ledigen; ik haal er vijf eieren uit en leg ze in mijnen korf; ik grijp er een zesde, en voel daar iets vreemds aan, dat mij verwondert; ik loop onder de lucht om te zien wat het is. Wie zou niet beven? Het was een ei met letteren er op!"
"O, Christien, onvoorzichtige vrouw, waarom ons zoo ijselijk doen verschieten?" gromde de baas. "Begrijpt gij het niet? Een onzer klanten, die zich ten onzen koste wil vermaken, heeft de letteren op het ei geschreven."
"Kom, moeder, is het anders niet dat u zoo verschrikt?" lachte het meisje.
"Maar zwijgt toch en laat mij spreken. De letters op het ei zijn niet door eene menschenhand geschreven. Zij zijn in de schaal gegroeid en van dezelfde stof. Wel zeker heeft een hen het ei gelegd zooals het is."
"En wat staat er op, Christien? Eene klucht zeker?"
"Ja, kon ik maar lezen. Daar, Kobus, zie gij zelf."
Zij reikte haren man het ei, en deze, na het met eene klimmende verwondering te hebben rondgedraaid en bekeken, hield het stil onder zijne oogen, als poogde hij den zin der letteren te ontcijferen.
Eensklaps werd hij bleeker dan een lijk, slaakte eenen wanhoopskreet en viel sidderend op eenen stoel, terwijl zijn strakke blik op het wonderei bleef gevestigd.
"Eilaas, eilaas, die arme Frans!" zuchtte hij. "Hoe ongelukkig voor hem! Maar wat kan de mensch tegen den wil van God?"
Bazin Noppe stond bevend voor haren man en staarde hem met wijd geopende oogen aan; zij scheen den moed niet meer te hebben om hem eene uitlegging te vragen, welke zij zich voorstelde als moetende verschrikkelijk zijn.
"Maar, vader," stamelde Lisa, even ontsteld, "wat staat er op dit ei? Frans ongelukkig? Laat mij het zien, dat ik het leze."
Zonder spreken legde baas Noppe het ei haar in de hand. Even had zij het oog er op gericht, of een gil van smart en schrik ontsnapte haar, en zij week waggelende terug naar haren stoel, als ging zij bezwijmen. Zij bezigde de laatste kracht, die haar overbleef, om haastig het ei op de tafel te leggen; anders ware het zeker op den grond aan stukken gevallen.
De bazin sprong toe met groot misbaar en nam hare dochter in de armen. Eene korte wijl vergoot het meisje overvloedige tranen tegen hare borst en snikte hevig. Dan werden hare klachten duidelijk.
"O, die arme Frans!" zuchtte zij, "hij zal er van sterven! En ik, die hem zoo beminde, ik moet hem nu aan zijn bitter lot overlaten, zonder troost en zonder hoop, eilaas, eilaas!"
"Kind, kind, er is niets aan te doen," zeide baas Noppe, nu een weinig tot zich zelven gekomen. "Wat helpt ons weenen of klagen? Wij moeten deemoedig bukken onder Gods bevel."
"Maar zeg mij toch, wat staat er dan zoo schrikwekkend op het ei?" vroeg de bazin.
"Geef het mij, ik zal het u zeggen, Christien."
En toen zij hem het ei ter hand had gesteld, las hij met diepe stem en woord na woord:
"Lisa.... moet trouwen.... met Theodoor: het is Gods wil."
Nieuw misbaar en nieuwe klachten ontsnapten het meisje, terwijl integendeel op het gelaat der vrouw een glimlach van blijde verwondering straalde.
Het ei werd nog eens door allen met angstige aandacht, en daarenboven door Lisa met eenig mistrouwen, bekeken en onderzocht. De letteren waren er inderdaad niet opgeschreven. Zij bestonden uit dezelfde kalkstof en waren even wit als de geheele schaal; men zou ze nauwelijks bemerkt hebben, indien ze niet een weinig boven den grond der schaal waren verheven geweest.
Allen bekwamen de volledige overtuiging, dat het ei wel werkelijk, zooals het was, door eene hen in het nest was gelegd geworden, en niemand twijfelde, of God zelf--om redenen, welke zij niet durfden doorgronden--openbaarde hun op zulke geheimzinnige wijze zijnen wil ten gunste van Theodoor Peeters.
Bazin Noppe was daarover niet bedroefd; integendeel, zij juichte innerlijk en zegevierde over haren man, die nu zelf getuigde dat het zondig, ja, misdadig zou zijn, zich niet met deemoed en zonder morren aan Gods beslissing te onderwerpen.
Dit was eveneens de overtuiging van Lisa; alhoewel zij diep bedrukt was, kon onmogelijk in haren geest de gedachte opkomen, aan het uitdrukkelijk bevel des hemels weerstand te bieden; en zoo was dan de arme Frans Houtman wel beslissend veroordeeld zonder dat de baas noch zijne dochter zich vermetel genoeg gevoelden, om hem nog langer te beklagen.
Er hield op dit oogenblik een voerman voor de deur stil, en hem werd natuurlijk het wonderei getoond. Deze, even verschrikt, maakte een kruis en opperde insgelijks de meening, dat zij niets anders konden doen dan zonder uitstel den wil des Heeren, hun door dit ei zoo duidelijk veropenbaard, te vervullen.
Even was de voerman echter van zijne verbaasdheid wat bekomen, of hij dronk zijn glas bier uit, verliet de herberg en dreef zijne paarden met haast naar Lichtaert, wel besloten dit ontzettend nieuws in het geheele dorp te gaan rondbrieven.
Het spreekt van zelven, dat talrijke lieden naar het Bonte Kalf kwamen geloopen, om het wonderei te zien.
Des namiddags en tot laat in den avond, krielde de herberg van dorpelingen en boeren, die, met verschriktheid op het gelaat en met zichtbaren eerbied, het ei in de hand namen, en over het onbegrijpelijk voorval redekavelden.
Intusschen wekten de angstige overwegingen hunnen dorst op, en kon de baas geen oogenblik uit den kelder komen, aangezien hij werk genoeg had om zonder ophouden bier te tappen.
Vrouw Noppe stond alleen de gasten ter spraak, en zij had reeds meer dan honderdmaal verteld, hoe zij naar het wagenkot was gegaan om het hennennest te ledigen, hoe zij het ei had gevonden en wat onbeschrijfelijke schrik hen allen had aangegrepen, toen haar man de openbaring van Gods wil er op had gelezen.
Lisa zeide niet veel. Hoe gaarne hadde zij geweend! maar, hoe diep treurig ook, gevoelde zij wel, dat het haar een onverbiddelijke plicht was, zich zonder morren aan de uitspraak des hemels te onderwerpen.
Niemand der talrijke bezoekers kwam op de gedachte, de echtheid der openbaring in twijfel te trekken. Wel hadden eenige stoutmoedige jongelieden reeds van op de straat met de zaak gespot en waren lachend in de herberg getreden, maar toen zij het ei onder de oogen hadden en moesten bekennen, dat geene menschenhand die letters kon gevormd hebben, bleven zij allen stom van verrassing en eerbied.
Frans Houtman kwam in den vooravond: hij had het nieuws niet eerder vernomen. De arme jongen was zeer eenvoudig en godvreezend; ook toen hij het ei had gezien en zelf zijn vonnis er op had gelezen, waren de tranen hem uit de oogen gesprongen en hij was met gebroken hart heengegaan, evenals Lisa ten volle overtuigd, dat hun niets overbleef dan zich aan hun bitter noodlot te onderwerpen.
Slechts de nacht bracht een einde aan den toeloop der lieden.
De bazin telde met dubbele vreugd de geldstukken, welke in de tooglade opgestapeld lagen.... Zij hadden dien dag meer dan anders op zes weken ontvangen, en zij mochten denken dat het morgen en overmorgen op dezelfde wijs zou toegaan.
"O, dit gezegend ei!" riep moeder Noppe. "Laat ons het met dankbaarheid en zorg bewaren; want, viel het op den grond en brak het aan stukken, alle hoop op verdere winst ware verloren."
Zij nam het ei uit het koffiekopje waarin het lag, en bracht het met eerbied aan hare lippen. Hierbij bemerkte zij, dat de boeren, met het honderden malen in de hand te nemen, het vuil hadden gemaakt; ten minste de letters schenen als zoovele zwarte strepen op de grijsachtige schaal uit te lossen. Zij waschte het met zeep en jenever, droogde het af met een zuiveren doek en legde het terug in het kopje, op wat katoen, om het zachtjes te laten rusten.
De persoon, die het meeste belang in deze zaak had, was dien dag in het Bonte Kalf niet verschenen; maar het verwonderde niemand, daar men wist dat Theodoor Peeters, op last zijns vaders, naar Antwerpen bij zijnen oom was gegaan.
Des anderen daags, terwijl het Bonte Kalf alweder vol bezoekers was, kwam Theodoor in de herberg, vragende spottend en met ongeloovig gelaat, of het geene lachmerkt was, wat men hem had verteld.
Maar nadat hij insgelijks het wonderei had beschouwd en met aandacht onderzocht, werd hij niet min dan al de anderen met verbaasdheid getroffen, en bleef eene lange wijl in stomme overweging verslonden.
Alhoewel dit onuitlegbaar voorval de zoetste wenschen zijns harten vervulde, scheen hij verschrikt en mompelde woorden, die getuigden dat het hem moeilijk was, zijne eigene oogen te gelooven. Te betwisten dat het ei wel wezenlijk eene openbaring van Gods wil was, dit durfde hij zoo min als de anderen.
Jegens Lisa gedroeg hij zich ditmaal op de meest bescheidene wijze. Hij zag hoe de tranen haar in de oogen glinsterden, en begreep waarschijnlijk al de diepte van haar zielsverdriet. Hoe het zij, als hield een gevoel van edelmoedigheid hem terug, hij toonde geene groote blijdschap, eerbiedigde de treurigheid van het meisje en verliet de herberg na een half uur, voorgevende dat zijn vader hem op het gemeentehuis verwachtte, om daar een haastig schrijfwerk af te doen.
De toeloop der lieden duurde eenige dagen voort, maar dan begon het getal der nieuwsgierigen te verminderen, op zulke wijze dat men, na een paar weken, het ei schier had vergeten, en het Bonte Kalf slechts nog door zijne gewone klanten werd bezocht.
Onderwijl hield moeder Noppe zich vlijtig bezig met het huwelijk harer dochter te bespoedigen, en reeds had men de bruidskleederen van Lisa besteld.
Het meisje was altijd even treurig; ook baas Kobus verkeerde voortdurend in slechte luim; maar geen van beiden durfde echter denken, dat er nog de minste hoop bestond om de voltrekking van het gevreesde huwelijk te ontsnappen.
II.
Men had dien morgen te Lichtaert de trommels hooren slaan, en de boeren van het gehucht de Molenstraat verwachtten met zekere blijdschap de mannen, welke zij ongetwijfeld zouden te logeeren krijgen.
De vrijwilligers van generaal Niellon, die alsdan de Kempische dorpen doorkruisten, waren geene eigenlijke soldaten, zooals men dit in gewone tijden verstaat. Allen hadden, bij het losbreken der omwenteling, hunnen stand of hunne bezigheid verlaten, om de wapens op te vatten tot vrijmaking van het vaderland. Onder hen telde men zonen van goeden huize, studenten, werklieden, boeren, en ook wel ongetwijfeld eenige slechte kerels, uitschot der steden; maar het grootste getal behoorde evenwel tot de middelbare burgerij, en hunne handelwijze, taal en zeden verschilden niet merkelijk van die der vreedzame bewoners van het Kempenland.
Deze goede lieden aanschouwden diensvolgens de vrijwilligers als zijnde, in de meeste gevallen, van hoogeren maatschappelijken stand dan zij zelven. Overweegt men nu daarbij, dat de geestelijkheid op de dorpen algemeen de omwenteling aankleefde en de Vrijwilligers loofde, als de verdedigers van Vaderland en Geloof, dan zal men licht begrijpen, waarom de bewoners der Kempen zich bereid toonden, de patriotten of liever de Belgen, zoo zij hen noemden, niet alleen met vriendschap maar tevens met zekeren eerbied te onthalen.
Weinig tijds nadat de trom in Lichtaert had opgehouden te slaan, verlieten twee dezer Vrijwilligers het dorp en gingen den aardeweg naar Thielen op. Zeer zonderling waren zij toegetakeld, want alhoewel met geweer op den schouder, sabel aan de zijde en ransel op den rug, hadden zij geene eigenlijke soldaten-kleeding aan. Op hun hoofd droegen zij eene haren muts van bruin geverfd konijnenvel en gesierd met eene groote driekleurige kokarde; om het lijf eenen blauwen kiel en eenen zwart lederen gordel. De oudste had hooge laarzen en eene broek van geribd fluweel; de jongere droeg fijne schoenen en eene broek van lichte zomerstof.
Dat deze mannen iets meer waren dan enkele soldaten, kon men wel merken aan de gouden strepen, die op hunnen blauwen kiel glinsterden: de eene had er twee aan de benedeneinden zijner mouwen; de andere slechts eene boven elken elleboog. Wie met de zaak bekend was, kon bij den eersten blik onderscheiden, dat de voorbijgangers onder-officiers waren, namelijk een sergeant-majoor en een fourier.
De bovenlip van den fourier was nauwelijks met een zacht dons beschaduwd; levensvreugde straalde hem uit de oogen en dikwijls poogde hij de aandacht van zijnen kameraad,--die zwarte knevels droeg en vijf of zes jaar ouder was dan hij,--op de schoonheid van het landschap te vestigen. Hij roemde daarbij het zoete lenteweder, de frissche lucht der Kempen en de balsemgeuren, die van uit de verre mastbosschen hen tegenwalmden.
Maar de sergeant-majoor had voor zulke dingen geene ooren. Van tijd tot tijd morde hij met eenen spotlach:
"Altemaal kinderpraat! Vul daar eens uwen buik mede. Ik heb verduiveld grooten honger. De secretaris heeft gezegd, dat wij bij brave lieden gelogeerd zijn, en die de middelen hebben om goed op te scheppen. Wij zullen het zien. Is de kost zooals het behoort, dan zijn wij vrienden: anders sla ik ginder den geheelen boel het onderste boven!"
"Gij zegt het om te lachen, majoor," wedersprak zijn jonge gezel. "Wie zou hier de lieden kunnen mishandelen? Zij zijn zacht en goed als hun kramikkenbrood."
"Een dikke eierkoek met spek is toch beter.... en dit zullen ze ons geven, onmiddellijk na onze aankomst, zoo waar ik leef, of hun rug zal kennis maken met mijnen sabel!"
"Bah, gij zijt niet bekwaam om eenen hond kwaad te doen."
"Maar hoe kunt gij het weten? Slechts sedert drie weken kwam ik over in uwe compagnie?"
"Gij wilt schijnen wat gij niet zijt, majoor. Gij stelt u soms aan als gansch gevoelloos; gij spot gedurig en poogt mij te doen gelooven, dat gij onverschillig blijft voor alles wat niet stoffelijk is. Welnu, mij kunt gij niet bedriegen; uw hart is edelmoedig en grondig goed, en tenzij een verborgen verdriet...."
"Een verborgen verdriet!" herhaalde de sergeant-majoor, zijnen gezel strak in de oogen ziende; maar evenras begon hij te lachen.
"Kom, kom, fourier," gromde hij, "geene dwaasheden: ik ben razend van honger en heb lust om te bijten."
"Nog eenige minuten; het is wel de moeite waard.... Zie, daar is eene herberg; de baas staat voor zijne deur; wij zullen hem vragen waar wij moeten zijn."
Zij hielden stil voor het Bonte Kalf en toonden baas Noppe hun logementbiljet.
"De weduwe Houtman, vrienden?" zeide hij. "Gaat maar recht door, tot bij het huisje dat gij ginder ziet; slaat dan den aardeweg ter linkerzijde in, omtrent drie boogschoten verre. Daar is het, daar woont de weduwe Houtman.... Ik zou u wel verzoeken, haar van mijnentwege eenen goeden dag te wenschen, maar ik heb ongelukkiglijk redenen om het niet te doen."
"Men heeft ons nogtans gezegd, dat het brave lieden zijn," bemerkte de fourier.
"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."
De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen glimlach hunne komst scheen af te wachten.
"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.
"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"
"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier zijn onze Belgen!"
Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te ontlasten.
De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!
"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten.... seffens en iets anders dan brood!"
"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten. Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"
"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."
"Doe maar," lachte de oude vrouw.
En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,--niet om te lachen: ernstig en met ware ontroering.
Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan, en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.
Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.
Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te zijn geherbergd.
Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en een bruingebakken kramik,--dit is te zeggen wit brood van fijne roggebloem,--hen aanlachten.
Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.
Dan vroeg de sergeant-majoor:
"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"
"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals, met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug zijn."
Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden tijds genoeg.
De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou verkorten.
"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"
"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de onder-officiers....
Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans, den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.
Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het paard.
Zoo gingen er eenige dagen voorbij.
De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden, terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden, op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde, denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug sprak, niet altijd wel verstaan.
Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad, gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.
Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.
De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd, dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de oorzaak waren.
Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.
Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid; doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig, en zeide met zekeren ernst in de stem:
"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en, was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet: mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk, wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."
De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer, dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.
Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman, den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op eenen gevelden boom zitten.