Chapter 2
Ik lag reeds in de alkoof, en had metterhaast de gordijnen zoo dicht mogelijk toegetrokken. Ondanks mijne koortsige inspanning, bleef er echter eene smalle spleet, juist voor mijne oogen, zoo dat ik,--of ik er lust toe had of niet,--gedwongen was te zien wat er in de krocht zou gebeuren. Binnen de alkoof was het donker als in een graf.
Daar opende men, recht over mij, eene deur welke ik niet had opgemerkt: het was als scheidde de muur door tooverij van een. Een tiental kinderen van allen ouderdom, een afzichtelijk oud wijf en eene jonge vrouw stormden de krocht binnen, en begonnen vóór den lachenden Jacobus te dansen, terwijl ze, knarsetandende en zich de lippen lekkende, hun gruwelijk lied herhaalden:
Eten, eten, eten; Nog eten, altoos eten!
Zonderling ras van menschen! Dikke hoofden, dikke lijven, korte dikke beenen, handen als arendsklauwen, monden tot onder de ooren gespleten, tanden als domino-steenen, een verwarde rosse haarbos, in kleverige lokken hun om de kaken waggelende, oogen gloeiend als vurige kolen en fonkelend van begeerlijkheid.
En hunne kleeding? Vuile, gescheurde lappen van onbekende stof, vroeger hoog van kleur: rood, geel, blauw; en boven die smerige lompen een manteltje van grijs leder, dat op hunnen rechterschouder met een pikkelbeentje was vastgehecht. IJselijkheid der ijselijkheden! elk dezer mantels was eene menschenhuid; op hunnen schouder kon ik, aan vier gaten:--neus, mond en oogen,--het masker der slachtoffers hunner snoode wraakzucht herkennen!
Door de openstaande deur traden nu twee bejaarde mannen binnen. De eerste, die eene zware knots in de hand hield, moest de Saloc of vader zijn, want hij riep gebiedend uit:
"Stil in het nest, onverzadelijk gebroed! Houdt uwe tanden gesloten, of ik streel uwen rug met mijne knots!"
Allen zwegen.
De andere was een grijsaard, geheel gekleed in grauw lijnwaad; op het hoofd droeg hij een witte kap met afhangende vleugels, evenals de beelden der oude Egyptische priesters. Ongetwijfeld was hij de offeraar dezer onmenschelijke schurken.
Beiden naderden tot mijnen vriend Jacobus. De Saloc, terwijl hij met welgevallen in de gezwollene wangen van het slachtoffer putjes duwde, zeide tot den grijsaard:
"Malsch en vast als caoutchouc. Wat dunkt u van onzen Ortolaan?"
"Waarlijk een echt koningsbeestje," mompelde de offeraar met bewondering. "Indien er wat van overblijft, zou ik u aanraden mij een ribbenstuk geschenk te doen."
"Ik bespreek het hart en de lever!" riep Norica.
"Voor mij de wangen! Ik wil de handen! Ik de voeten! Ik den borstlap!" klonk het van alle kanten.
Maar de Saloc hief zijne knots boven den hoop schreeuwers, en deze bedreiging deed hen zwijgend terugdeinzen.
Ondertusschen betastte de offeraar den armen Jacobus, evenals de beenhouwers doen bij het koopen van een beest, en hij bleef eene lange wijl zonder spreken.
"Nu, waaraan denkt gij zoo diep?" vroeg hem de Saloc.
"Ik denk, ik denk," was het antwoord, "dat wij zulk uitstekend offer ter eere van den grooten Mikias zouden moeten bewaren. Uw huisgeest kan dit niet kwalijk nemen, integendeel. Binnen een paar weken treedt de zon in het teeken van den Leeuw; dan vieren wij het huldefeest van den grooten Mikias...."
"Wat bewaren? Niemendal bewaren!" riep de dochter Norica woedend uit. "Gij zoudt onzen Ortolaan alleen willen opeten? Niet te doen: wij zullen er vandaag aan smullen tot middernacht!"
"Zwijg, onbeschofte vreetster," wedervoer haar vader. "Gij hebt niets te zeggen: ik alleen mag hier beslissen,--en, denk ik het raadzaam, aan den wensch van den offeraar toe te geven...."
Ik zag met verwondering, dat Jacobus begon te weenen.
"Hou u stil, onnoozele schreeuwbek!" snauwde de Saloc hem toe. "Wat geeft het u, of gij heden of binnen twee weken door onze keel naar de andere wereld gaat?"
"O, laat mij een enkel woordje spreken!" smeekte Jacobus.
"Wat zoudt gij weten in te brengen? Het zijn uwe zaken niet. Spreek evenwel."
"Maar, lieve menschen," zeide mijn vriend snikkende, "gij wilt mij nog eene halve maand in het leven houden? Ik kan bijna geenen adem meer scheppen. Haast gij u niet mij op te eten, dan zeker, eer de week ten einde is, ben ik gestikt in mijn vet. Wat zal de groote Mikias, wat zult gij zelven hebben aan eenen mensch, van ziekte gestorven?"
"Hij heeft gelijk!" riep Norica.
"Ik geloof het insgelijks," mompelde de Saloc.
"Welaan, ik trek mijn voorstel in," zeide de offeraar. "Laat ons eten."
"Eten, eten, eten; nog eten, altoos eten!" klonk het tegen de gewelven, terwijl de kinderen en vrouwen, door huppelen en zegevierend handgeklap, hunne blijdschap betuigden.
Jacobus werd op de groote tafel geheven; men kroonde zijn hoofd met verdorde festoenen, hing hem eenige gekleurde lapjes op borst en schouders, en zette eenen stoel tegen zijnen rug, opdat hij niet achterover viele.
De offeraar haalde eene rol perkament uit de tasch van zijn kleed, en begon prevelende te lezen wat daar op geschreven stond.
Al de anderen hielden het hoofd gebogen, en antwoordden nu en dan daar een enkel woord, dat klonk als _Selim Selim_.
Ik zag dit alles in doodelijken angst aan. De lange stilte en de roerloosheid dezer beulen, brachten mij terug in mij zelven. Ik dacht aan mijne goede vrouw, aan mijne arme kinderen. Tranen rolden uit mijne oogen; en, ofschoon dit ziltig water mij aan neus en wangen pijnlijk jeukte, weerstond ik door geweldige wilsinspanning den nood tot niezen.... Mij daalde nog eene zwakke hoop in het hart, bij de overweging dat de deur open was gebleven. Kon ik mij nu verborgen houden, totdat de menscheneters de krocht hadden verlaten, dan zou ik misschien nog langs die deur kunnen ontsnappen.
Maar, groote God, wat voel ik daar aan mijne beenen?.... Iets dat kruipt en krabbelt! Een gedierte, een monster.... Het klimt op langs mijn lichaam, het drukt op mijne borst, het nadert mijn aangezicht! Wat zijn de twee blauwe vonken, die lichten in de duisternis der alkoof? De oogen van het ondier?.... Het angstzweet breekt mij uit, en ik mag niet om hulp schreeuwen, mij niet roeren!.... Ai, ai, het zet zijne tanden in mijn oor en begint mij levend te verslinden! Mijn wil bezwijkt; ik sla mijne beide handen aan den hals van het wangedrocht en poog het te verwurgen.... maar, o ramp, daar galmt een akelig "mauw, mauw!" uit de alkoof, en de kat springt huilend tusschen de gordijnen door. Ik ben verraden!
Inderdaad, mijne beenen worden door een tiental klauwen aangegrepen; men rukt mij uit de alkoof, men sleurt mij langs den grond naar het midden der krocht. Ik spring recht en wil tegenstand bieden; maar de wreede Saloc heeft mij bij den schouder, en ik voel wel hoe de minste neep zijner vingeren mij vleesch en beenderen plettert.... Eilaas, alles is nutteloos: ik moet het aanvaarden, mijn gruwelijk lot!
"Ha, ha, de groote Mikias zelf zendt ons dit geschenk toe! De kerel is niet mager," juichte de Saloc. "Nu kunnen wij onzen Ortolaan voor het plechtig huldefeest bewaren. Komt, kinderen, wet uwe tanden: er is genoeg om ons allen te verzadigen. De gebeden zijn gedaan. Zet den Ortolaan terug op zijnen zak, dat ik het nieuwe wild op de snijtafel kunne leggen.--Zoo, zoo is het wel, brengt mij nu mijn groot mes; en gij, vrouw, en gij, Norica, houdt hem vast bij de armen."
Ik lag als een arm slachtkalf uitgestrekt. Mij beefden de lidmaten zoo hevig, dat het tafelblad er van daverde. Ik had willen schreeuwen; maar mijne stem verstikte in mijne beklemde keel....
O, wat electrieke schok siddert daar eensklaps mij door de aderen? Zie ik niet de kinderen, de afzichtelijke schepsels, ter zijde loopen met mijns beenen? Scheurt niet de vraatzuchtige Norica met hare lange, witte tanden de kuitspieren er af? Ja, ja. Ach, mijne arme lidmaten, zij; verdwijnen, gekraakt, gepletterd, gemalen, in de keel dezer afgrijselijke monsters! Kon ik geluid geven, hoe zou ik huilen; maar de angstkrop, die mij in den gorgel zit, versmacht mij.... Hemel, die bliksems boven mijne oogen? Wat is het? Een groot mes!.... De Saloc grijpt mij bij het haar en rukt mijn hoofd achterover: hij gaat mij de keel afsnijden. Ramp, ramp, het is gedaan met mij: ik voel het ijskoude staal in mijn vleesch dringen.... maar nu breekt mijne stem los en ik schreeuw met reuzenkracht:
"Hulp, hulp! moord, moord!"
Eene bekende, eene beminde stem roept aan mijn oor:
"Jan, Jan, wat hebt gij? Het koude zweet staat op uw voorhoofd. Word wakker: gij droomt!"
Ik open de oogen, kijk verbaasd mijne goede vrouw aan, en stamel met eenen blijden glimlach:
"Ja, ik heb gedroomd, vervaarlijk gedroomd; maar wat geluk dat het niet waar was!"
HET WONDEREI
TWEEDE SCHETS.
I
Wat ik hier vertellen wil, is voorgevallen, kort na 1830, toen de vrijwilligers van generaal Niellon, in de dorpen der Antwerpische Kempen, bij de boeren gelogeerd waren, om daar op het hernemen van den oorlog te wachten.
Ik zie nog, in mijnen geest, de herberg van baas Kobus Noppe, waar het Bonte Kalf uithing.
Zij stond op drie of vier boogschoten van het dorp Lichtaert, bij de Molenstraat, in de richting naar Thielen.
Dit huis had eerder het voorkomen eener kleine hofstede dan eener herberg; want op den open voorhof, ter zijde van den gevel, lag een breede mesthoop, met kakelende hennen, en daarachter, binnen den stal, kon men in de halve duisternis twee koeien zien herkauwen. Slechts de voorkamer aan de straat was tot drinkplaats ingericht, ten dienste van voorbijgangers en voerlieden.
Wat de dorpelingen en de boeren der omstreken betrof, zelden kwam een hunner gedurende de week in het Bonte Kalf; maar den Zondag, na den noen tot het vallen van den avond, was de herberg van Kobes Noppe vol volk. De oude vaders speelden er met de kaart, de jonge lieden op de schuiftafel of de bollenbaan, en moeder Noppe en hare dochter Lisa hadden werk genoeg om, onder het wisselen van eenige vriendelijke woorden, de gasten te bedienen, terwijl de baas bijna gedurig in den kelder bleef om bier te tappen.
Op een vroegen lentemorgen van het jaar 1831,--het was eenen Dinsdag,--trad Kobus Noppe van de straat in zijne woning, stapte langzaam tot het diepe der kamer, trok eenen stoel nevens de kas van het uurwerk en liet zich als mismoedig er op nedervallen. Eene uitdrukking van slechte luim benevelde zijn gelaat, hij liet het hoofd op de borst zakken en zonk weg in gepeinzen.
Scheen baas Noppe ondanks zijn struischen lichaamsbouw, opmerkelijk loom en traag, zijne echtgenoote, die nu uit den stal in de gelagkamer trad, was integendeel klein en mager, maar hare levendige oogen en rappe beweging en een zuurzoeten blik, dien zij van terzijde op haren man richtte, konden doen denken, dat zij met meer wilskracht was begaafd dan hij, en waarschijnlijk niet gewoon was voor hem te zwichten.
Zij naderde hem en vroeg half schertsende:
"Nu, Kobus, jongen lief, op welken doorn hebt gij getrapt? Gij gaat even uit, om ons gebroken houweel naar den smid te brengen, en daar keert gij terug met een gezicht als de kwade moordenaar! Wat is er alweder?"
"Ik heb moeder Houtman ontmoet," zuchtte hij.
"Is het het anders niet? Wat wonders is daar aan?"
"Zij heeft mij opnieuw gesproken van haren zoon Frans en van onze doohter Lisa."
"Het is te begrijpen; maar moet gij daarom zuur zien als een stekelvarken?"
"Ik zie niet zuur, Christien; ik ben bedroefd.
"Zoo, en waarom?"
"Ach, Christien, er drukt mij iets op het hart, zoo zwaar als lood. Gij zoudt mij een groot plezier doen, wildet gij mij gedurende eenige oogenblikken laten spreken."
"Altijd hetzelfde liedje ongetwijfeld?"
"Het is gelijk, Christien.... Lisa is naar het veld, wij zijn alleen. Wees goed en zit eens neder."
"Nu, laat hooren, Kobus."
"Gij zijt, hoop ik, nog niet vergeten, vrouw, wat goede, getrouwe vriendschap wij en de Houtmans, van jongs af, elkander altijd toedroegen. Vroeger waren zij onze naaste buren, en hun zoon en onze dochter hebben te zamen gespeeld, van voordat ze nog alleen konden loopen."
"Maar waarom zegt gij dit alweder?" morde de vrouw. "Weet ik het niet zoo goed als gij zelf?"
"Ja, ja, des te beter; maar ik bid u, laat mij voortgaan. Wij hebben met de moeder van Frans en met zijn vader zaliger dikwijls, lachende doch ernstig evenwel, gezegd dat de kinderen later een schoon paar zouden zijn--en het is waarlijk zoo. Dit ten minste kunt gij niet betwisten, Christien, al trekt gij de schouders op. Hij is een welgemaakte, sterke jongen; onze Lisa heeft ook armen aan het lijf. Beiden zijn braaf en werkzaam. Zij beminnen elkander; en dewijl zij sedert lang weten, wat wij voor hen van hunne eerste jonkheid af hebben gedroomd...."
"En het is daarom, onnoozele Kobus, dat gij zuur ziet? Heeft moeder Houtman u misschien verwijten durven doen?"
"Zij heeft mij geene verwijten gedaan, maar mij onder de oogen gebracht, dat het tijd wordt om over het lot der kinderen een besluit te nemen."
"Kan zij dan niet meer wachten? Het brandt er zeker niet?"
"Zij heeft mij weder gesproken van het hofstedeken onder Thielen, dat met St.-Baafsmis ledig valt en dat de eigenaar, op haar verzoek, aan onze kinderen wil in pacht geven. Het zou eene dwaasheid zijn, denkt zij wel te recht, zulke goede gelegenheid te laten ontsnappen; en dewijl de kinderen...."
"Goed, goed, Kobus, de kinderen hebben daar niet over te beslissen; maar gij, wat hebt gij haar geantwoord?"
"Ik heb haar gezegd dat zij gelijk heeft, dat ik niet beter wensch dan de jonge lieden maar seffens te laten trouwen; maar dat ik eerst mijne vrouw daarover moest spreken."
"En gij waart opvoorhand spijtig, omdat gij voorzaagt, dat ik daarop geen gunstig antwoord zou geven?"
"Om de waarheid niet te verbergen, ja, het is zoo."
"Welnu, gij hebt u niet bedrogen, man. Onze dochter is nog jong genoeg om te wachten; wij kunnen hare tegenwoordigheid nog niet missen. Om eene meid in onze herberg te nemen, daartoe heb ik in het geheel geenen lust."
"Christien, gij zijt niet oprecht," mompelde de baas. "Er speelt u wat anders in het hoofd."
"Het is wel mogelijk."
"Zou het zonder redenen zijn, dat gij den zoon van den secretaris zoo uiterst veel vriendschap betuigt, alsof de grond te hard was voor zijne voeten? Sedert dat die jongen uit de stad is gekomen en hier dagelijks een paar uren rondom onze Lisa draait, hebt gij slechte gedachten gekregen, vrouw."
"Slechte gedachten?" herhaalde zij met een zegevierenden glimlach. "Wil ik u eens iets zeggen, dat u verrassen zal, Kobus? De secretaris heeft mij Zondag, na de vroegmis bij den uitgang der kerk, aangesproken over zijnen zoon Theodoor, en mij gevraagd of wij niet zouden genegen zijn, hem met onze Lisa te laten trouwen."
"Hemel, heeft hij dit waarlijk gevraagd?" riep de baas verschrikt. "Maar gij, Christien, gij hebt hem doen gevoelen dat zulks onmogelijk is, niet waar? Dat wij andere inzichten hebben....?"
"In het geheel niet; ik heb hem gezegd dat ik wensch, dit huwelijk te zien sluiten, maar dat mijn man zoo gemakkelijk zijne toestemming niet zou geven."
"Gij hadt groot gelijk, Christien."
"Ja, maar ik heb er bijgevoegd, dat gij van zulke zaken geene kennis hebt, dat aan de moeder alleen het recht toebehoort om over het lot harer dochter te beschikken, en ik u wel zal overhalen om, met dank of tegen dank, de hand onzer Lisa aan Theodoor te schenken."
"Welnu, ditmaal toch hebt gij u bedrogen!" viel de baas in gramschap uit. "Ik wil van dien Theodoor niet meer hooren. Lisa zal met Frans Houtman trouwen of zij moet in St.-Anneschapraai, voor geheel haar leven! En, komt de zoon van den secretaris wat veel beslag in mijn huis maken, zoo waar ik leef, ik smijt den flierefluiter de deur uit!"
"Toe, toe, maak u nutteloos geen kwaad bloed, man," schertste de bazin. "Zie hem daar nu zitten met gesloten vuisten en een aangezicht zoo rood als van een kalkoenschen haan! Bijt mij maar niet, dolle kerel."
"Gij durft mij nog uitlachen, mij bespotten, onbeschaamde?"' gromde baas Noppe, woedend opstaande. "O, weerhield ik mij zelven niet!.... Omdat gij eene vrouw zijt en klein daarenboven, meent gij dat gij mij straffeloos moogt tergen; maar, maar, Christien, om Gods wil, spaar mij, ik zou een ongeluk kunnen doen!"
"Het is uwe schuld, Kobus. Waarom zijt gij zoo opvliegend?" antwoordde zij op zachteren toon. "Met dit haspelen en schreeuwen geraken wij tot geen besluit. Kom, bedaar, mijn vriend; zit neder en laat ons redelijk zijn."
"Ik vraag niet beter; gij weet het wel, Christien," zeide de baas met zichtbare tevredenheid.
"Lieve man, het is moeilijk met u te kouten," begon vrouw Noppe. "Ik heb met engelachtig geduld u aangehoord; wees gij nu even toegevend voor mij en luister op mijne redenen. Trouwt onze Lisa met Frans Houtman, dan zal zij eene boerin zijn en tot het einde harer dagen moeten arbeiden en zwoegen, in nat en droog, van den morgen tot den avond, slechte kost eten en gekleed gaan als eene arme sloof, met eenen groven rok en eene trekmuts. Trouwt zij met Theodoor Peeters, dan wordt zij eene juffrouw, moet niet meer werken, draagt kleederen van zijde en komt voor den burger als eene madam uit de stad...."
"Madam, madam?" viel Kobus Noppe met ongeduld in hare rede. "Onze eenvoudige Lisa eene madam? Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw? En daarenboven, gij weet niet wat ge zegt. De secretaris is een onbemiddeld man; wat hij zijnen zoon zou kunnen medegeven is bitter weinig, terwijl de weduwe Houtman integendeel een goeden spaarpot heeft."
"Hij zal zijnen zoon het ambt van secretaris afstaan."
"Zegt hij dat?"
"Ja."
"En waarvan zal hij dan zelf leven?"
"Wat raakt ons dat, Kobus? Hij is landmeter en zal zich dit ambacht met meer vlijt aantrekken."
De herbergier gevoelde met verdriet, dat men geweld zou doen om hem een gevaarlijk of noodlottig besluit af te dwingen.
"Christien, Christien," mompelde hij, "gij hebt u door de fleemerij van den zoon Peeters laten verleiden; maar, ik smeek u, bedenk u toch eens wel, eer gij verder gaat. Theodoor is de echte broeder niet, geloof mij. Hij studeerde vroeger te Turnhout, op kosten van een zijner oomen. Waarom heeft hij het collegie voor den tijd verlaten? Weet gij wat de lieden zeggen? Hij was te lui en wilde niets leeren."
"Kom, kom, flauwe praat van de Houtmans, die hem niet kunnen lijden.... natuurlijk!"
"Die zelfde oom,--een apotheker of drogist,--heeft hem naar Antwerpen doen komen, om hem zijn ambacht te leeren; maar nog geene zes maanden of hij moest hem wegzenden. De jongen gedroeg zich slecht en zijne onoplettendheid deed zijnen oom vreezen, dat hij bij misgreep de klanten zou vergiftigen...."
"Laster van nijdigaards," wedervoer de vrouw. "Theodoor heeft Antwerpen moeten verlaten, omdat hij er de lucht niet kon gewoon worden en gedurig de koorts had.... En indien hij op het collegie geene vorderingen had gedaan, hoe zou hij dan secretaris der gemeente kunnen worden? Hij is integendeel zeer geleerd en verstandig, en slim genoeg om twintig onnoozele boerenjongens als Frans Houtman in de doeken te leggen."
"Maar Lisa heeft geene genegenheid voor hem," morde de baas.
"Ik moet lachen om uwe eenvoudigheid, Kobus. Wat weet gij daarvan? Gij zit immers in haar hart niet?"
"Hoe, vrouw gij zoudt kunnen vooronderstellen....?"
"Is zij hem niet zoo minzaam, dat iedereen het opmerkt? Daarenboven, was het nog niet geheel zoo, wees gerust, het zal wel komen; de zaak is op goeden weg.... en indien Frans op de eeuwige liefde van onze Lisa rekent, dan beklaag ik den armen sukkelaar."
Baas Noppe slaakte eenen zucht en wreef zich met de hand over het voorhoofd. Wat hij hoorde, verblufte hem. Hoe? zijne dochter zou de zuivere, de innige genegenheid van geheel haar leven ontrouw worden? Den goeden Frans verraden, voor iemand dien zij, drie maanden te voren, nog niet kende?"
"Kobus, vriend, wil ik u eens eenen goeden raad geven om uw hoofd van al die muizenissen te verlossen?" vroeg de vrouw met fleemende zachtheid. "Worstel niet langer tegen een besluit, dat gij toch zult nemen. Geef uwe toestemming, dan hebt gij u niet verder daarmede te bemoeien; ik zal alles wel af haspelen zooals het behoort."
"Mijne toestemming geven tot een huwelijk onzer dochter met den zoon van den secretaris? Neen, vrouw, dit doe ik niet, zeg ik u, noch vandaag, noch morgen, noch ooit! Ha, gij meent dat gij, als naar gewoonte, mij zult kunnen dwingen? Ditmaal toch bedriegt gij u. Wij zullen eens zien, of gij eeuwig met mij zult handelen als met een onnoozelen dommerik!"
"Een dommerik? Gave God, dat gij geene andere ondeugden hadt, versteende koppigaard!" riep de bazin met de handen in de zijde. "Hoe? gij zijt vader; men laat uwe dochter de keus: boerin te blijven of, als eene madam, vereerd en zonder werken te leven.... en gij, ziellooze mensch, gij zoudt uw kind veroordeelen tot armoede en eeuwige slavernij? Gij moet geen brokje hart in het lijf hebben.... Maar wees zeker, gij zult toestemmen, willen of niet. Er is evenwel geene haast bij; bedenk u nog eenige dagen--Laat ons nu liever daarover zwijgen: ik hoor onze Lisa komen.
"Arm kind, zij zingt!" zuchtte de baas. "Wist zij wat er tegen haar geluk wordt gebrouwen!"
"Nu, zwijg maar, Kobus; geen woord meer over deze zaak, daar is ze...."
Eene jonge maagd van iets meer dan twintig jaar, gezond en bloemig als eene roos, trad in huis met eene sikkel in de hand en een zwaren bundel snijkoren op het hoofd.
Onder het murmelen van eenen stillen groet ging zij in den stal, wierp haren last af, en kwam dan in de kamer, waar zij als vermoeid zich op eenen stoel liet vallen, terwijl zij zeide:
"Prachtig lenteweder, moeder; alles groeit op het veld dat men het ziet; de vogelen zingen in de boomen, als was er een prijs te verdienen.... Vader, ik heb Frans ontmoet. Zijne blauwgeschelpte duiven hebben jongen; zij zijn voor u; hij zal ze Zondag medebrengen."
Baas Noppe knikte goedkeurend, doch sprak geen woord; even stom bleef zijne vrouw, ofschoon Lisa beiden verwonderd aankeek, als vroeg zij de reden van dit zonderling stilzwijgen.
Deze houding werd voor allen lastig.
"Daar hoor ik de hennen kakelen." zeide de bazin. "Zij doen mij gedenken, dat ik mijn werk verzuim. Lisa, gij weet dat gij met eenen korf eieren naar den winkel moet. Ik ga het nest ledigen, dan zullen er nog een dozijn meer zijn."
Met deze woorden verliet zij de Kamer.
"Maar, vader," vroeg het meisje, "wat is hier gebeurd, dat gij beiden er zoo treurig uitziet?"
"Niets, niets, mijn kind," antwoordde baas Noppe, "uwe moeder is wat vreemd gezind vandaag.... Maar, kom, het moet mij van het hart! Zeg mij eens oprecht, Lisa, wat denkt gij over Theodoor Peeters?"
"Wat zou ik over hem denken, vader? Hij is een goede, vroolijke jongen en heeft veel verstand."
Deze woorden schenen baas Kobus te bedroeven.
"Ja, ik heb sedert eenigen tijd opgemerkt, dat gij hem zeer vriendelijk zijt," morde hij, het hoofd schuddende. "Ach, wie kan op het veranderlijk gemoed eener vrouw betrouwen!"
"Maar wat wilt gij toch zeggen, vader? Ik ben Theodoor Peeters beleefd en vriendelijk evenals ik het jegens al onze klanten ben; maar het is mijne schuld niet, dat de andere jongens zoo weinig weten te vertellen, terwijl Theodoor altijd iets geestigs in den mond heeft."
"Gevoelt gij inderdaad genegenheid voor hem?"
"Ik kan hem goed lijden, vader."
"Eilaas, uwe moeder had dus gelijk!.... Ik moet daar klaar inzien; de twijfel pijnigt mij.... Lisa, indien men u voorstelde met Theodoor te trouwen, wat zoudt gij doen?"
"Met Theodoor trouwen, ik?" mompelde de maagd half glimlachend en half verschrikt. "Wat zijn dit nu voor gedachten, vader? Ben ik niet, sedert jaren, beloofd aan Frans? Ik de bruid van Theodoor? Neen, neen, trouw ik ooit, dan zal het met Frans Houtman zijn en niemand anders...."
Baas Noppe sprong met een blijden kreet van zijnen stoel op, vatte de beide handen zijner dochter en zeide:
"Wel gesproken, mijn kind; gij zijt braaf en hebt een eerlijk hart. Luister, voor deze zaak ten minste, niet naar uwe moeder. Wij zullen samensspannen en elkander helpen, om haar te wederstaan,"