Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 9

Chapter 93,941 wordsPublic domain

»O, neen, mijn beste," hervatte Ladice, »daarin staat gij, Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden, dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een Egyptenaar [149]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken, verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid, om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn, mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis, en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn, onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden.

»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding, want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven, want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden, dat ons alleen behagen kan wat goed is.--Hier aan den Nijl zouden Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de legende van Pandora [150] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen."

»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!" riep Bartja. »Het heeft mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren; thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken."

»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad te spreken?" vroeg Darius.

»Een paar Grieksche dichters," antwoordde Amasis, »de stoutste menschen die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:

Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen, Wanneer zij trouwt en--als zij grafwaarts wordt gedragen."

»Houd op, houd op, ondeugd!" riep Ladice, de ooren dicht houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot dan hij..."

»En geene slechtere vrouw dan gij," hernam Amasis lachend; »want gij laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam gemaal ben.--Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren, wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt:

Één is der bij verwant. Gelukkig hij, Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven: Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven, En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij. Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten, Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten In reinen, meer dan sterfelijken glans. Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen, Die ijdle scherts en dartle taal beminnen, Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man, Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.

»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!"

»Nog niet!" riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen, om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het zwaard!"

»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer [151]," antwoordde de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda [152] zijn hart ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten, en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd, voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in de vlakte kon nederzien, ten geschenke [153]."

»En werd de Perzische gezond?" vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.

»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen."

Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar op te beuren?"

»De liefde van haar gemaal!" riepen de meisjes.

»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?" vroeg Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt."

»Maar komt thans!" riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht onze hooge gasten met honderd man te volgen!"

»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber is meer dan voldoende."

»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat gij den spot niet drijft met de heilige dieren.--Vaartwel, mijne jonge helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!"

De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen [154] even gemakkelijk sprak.

De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten, zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt, doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon [155].

De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op, dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's, hierheen was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel, slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.

»Laat ons hier omkeeren," riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden, bij iedere schrede grooter en lastiger werd.

»Gij hebt slechts te bevelen," gaf de tolk ten antwoord. »Anders, daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door vreemdelingen bezocht te worden."

»Ga gij ons dan maar voor," riep Bartja. »Wij zijn toch immers Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland te zien."

Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen der handwerkslieden [156] omgeven plein waren gekomen, hoorde men op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe, den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle wonderkrachten is toegerust!" [157]

»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds," zeide de tolk, »dan zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien."

Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende, en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad, tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast hem op den grond. Deze Libyër [158], een reusachtige kerel, met zeer buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen.

Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals, zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich.

De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten, in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen, door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te voorschijn te goochelen.

De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers; op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien, geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben.

Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien, want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze, is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen, als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste vergrijp te herhalen.

Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters--de meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin--met luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard, gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit het huis te verwijderen.

»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?" riep hij met woedende gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij, toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd,--dat de Goden mogen verdelgen!--bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke zijne geschriften liggen!"

»Stel u gerust, oude Hib!" riep de tempeldienaar, dien wij bij de aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het bevel ze te halen."

»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten arts Nebenchari, weggevoerd worde!" schreeuwde de oude man. »Ik zal mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan."

»Voorzichtig, mannen!" riep de tempeldienaar tot zijne onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen, als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden de kist doen!"--Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht, zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.

De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in zaken, die hem volstrekt niet aangingen.

De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man, die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de lippen te leggen.

»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?" fluisterde hij den zoon van Cresus in het oor.

»Wat wilt ge van mij?"

»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra [159], ik heb u belangrijke dingen mede te deelen!"

»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit uwe kleeding zou opmaken?"

»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?"

»Morgenochtend vroeg."

»Dan is het te laat!"

»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is, aan deze poort van het Paleis."

»Ik zal u wachten."

Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van het paleis tegenover den vreemdeling.

»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!" fluisterde hij den jongen Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?"

»Mijn vriend, een Achaemenide [160], Darius, de zoon van Hystaspes!"

De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat gij een Egyptenaar hadt medegebracht."

»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie zijt gij, en wat verlangt gij?"

»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was, niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden, die van edelgesteenten fonkelden...."

»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!" viel Gyges den spreker in de rede.

»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst, leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een dienst te bewijzen."

»Betreft het mijn vader?--Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!"

»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?"

»Dat ik weet, niet."

»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis."

»Hoe weet gij dat?"

»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging, volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen."

»En hebt gij uw doel bereikt?"

»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren, daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw, die zij Rhodopis noemen."

»Hij zeide de waarheid."

»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te redden. Toen de markt vol was [161] zijn er tien wagens en twee barken met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman, heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen."

»Die verraders!" riep Gyges.

»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?" vroeg Darius. »Zij weten toch dat de wraak van Cambyzes......"

»Ik weet niets anders," herhaalde Bubares, »dan dat het huis van Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij twintig gouden ringen ontvangen [162]!"

»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?"

»Onmogelijk!" riep Darius.

»Men kan niet weten," mompelde Bubares. »In dit land is alles mogelijk!"

»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis afleggen?"

»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl den weg niet te hoog onder water heeft gezet."

»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!"

»Ik vergezel u," riep Darius.