Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 8

Chapter 83,684 wordsPublic domain

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn."

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...."

»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende."

»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen."

Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!"

De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen."

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben."

Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden, vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het allerheiligste [140] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den prins wachtte.

Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde meer [141]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande pylonen [142] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf [143] versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun, en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren, waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid.

Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank, zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien, en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde, had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren, en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te houden en uit te rusten.

Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn.

Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen als vreemden indruk maken.

De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar der godheid?"

»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;" antwoordde Psamtik, met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!"

»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?"

»Eindelijk!"

»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid ontvangen zijt geworden."

»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan!--Toen ik het verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen, ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste woorden."

»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon genaderd?"

»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig."

»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in 't hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen [144]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken, die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn, met geweld en norschheid zoekt door te zetten.--Een goed woord vindt eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek inkleedt.--Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: 'Wee u, o koning, al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze verklaarde den droom op de volgende wijze: 'Heil u, o groote koning, want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' De koning glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen weten in te kleeden.--Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt."

»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet veranderen, ik kan niet...."

»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis bezworen hebt."

»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken."

»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed is verhard," riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!"

»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven,--hoort gij wel, mijn vader!--het leven van Phanes in mijne handen."

»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?"

»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd is."

»Anders niets?"

»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te vernemen...."

»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim sinds lang."

»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te vragen."

»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu, dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening weet te brengen."

»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?"

»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken."

»Maar wie heeft u dit geheim verraden?"

»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des hemels te lezen."

»En bedriegen deze sterren nooit?"

»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit."

Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven reddeloos verloren;--wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker, maar kan ten goede verkeeren, het kan..."

»O, spreek, mijn vader, spreek!"

»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren, en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden."

»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen."

»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!" riep de priester op plechtigen toon.--»Laat mij thans echter alleen, mijn zoon," vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou hem gaarne spreken voor hij sterft.--Toch nog iets! Gisteren is er eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man, die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch [145] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet, is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!"

Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen, en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?"

»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis [146] u lang uw gehoor laten!"

»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier."

»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans, houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis, wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!"

Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.

Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun, volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel [147]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten, door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel der Egyptische jonge dochters [148].

»Waarlijk," riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen, »dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet, is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken."

»O, doe dat, doe dat!" riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij echter, Bartja," vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken, zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen."

De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer vergeten!" Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele vrouwen nemen."

Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten, met honderd andere te moeten deelen."

»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!" riep Amasis. »Spreekt zij niet, als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?"