Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 7

Chapter 73,892 wordsPublic domain

Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn" [129].

»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken," vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?"

»Sinds eeuwen," antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen.--Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga!--Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd!--Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht.--Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!"

»Vader!" viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!" De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.

Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?"

Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt [130], en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden."

Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.

»Ik heet Aristomachus."

»Dien naam heb ik meer gehoord."

»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik."

»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?"

»Ik was het."

»Zoo zijt gij het dus niet meer?"

»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig."

»Verliet gij het vrijwillig?"

»Ja!"

»Waarom?"

»Om de schande te ontvluchten."

»Wat hadt gij misdreven?"

»Niets!"

»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?"

»Ja!"

»Wie was de bewerker van uw ongeluk?"

»Gij!"

Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.

De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt."

Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!"

»Geloof mij jongeling," antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!"

»Maar gij, Bartja," riep Darius, de neef van den koning van Perzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?"

Bartja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.

»En gij, Zopyrus?" vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.

»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!" [131] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.

Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.

Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.

ZESDE HOOFDSTUK.

Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt."

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134], die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!"

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt."

»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst."

»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis."

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent."

»Bedoelt gij Phanes?"

»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?"

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb."

»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?"

»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!"

»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!"

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen."

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal."

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren."

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen."

»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?"

»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken."

»Vader!"

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden."

»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!"

»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!"

»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!"

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken."

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth [139]. Gij..."

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!"