Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 6

Chapter 63,796 wordsPublic domain

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem [114], gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij, den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid, mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers, de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe: Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst; een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande.

»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij, die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den grooten god Ra [115] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet, en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder, en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.

»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette, namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen, dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige, dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit zou strooien.

»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling, nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone, weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden, leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij, die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn, voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen, regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!"

»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!" viel Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan, die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen; en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid, een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente."

»Gij zoudt u zeer vergissen," antwoordde Amasis, »indien gij alle Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken, maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde, geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen, schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de priesters overgebracht."

»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan die der priesters."

»Kon ik maar, durfde ik slechts!" riep Amasis. Doch opeens ging hij voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier, die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit den mond zijns konings..."

»Maar bij vader Zeus en Apollo!..."

»Ik begrijp uwe verbazing," vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert, moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen [116]. De genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen...."

»Wat bekommert ge u om het graf!" riep Cresus met eenigen wrevel. »Men leeft voor het leven, niet voor den dood!"

»Zeg liever," hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen, in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel, het geluk van mijn tweede leven [117] afhankelijk is, wanneer ik nog niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels en onze pyramiden?"

Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde: »De steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen, die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen, zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen, dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht, alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken, leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf, den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven."

»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft hij zijn roem, is men tevreden over hem?"

»Uitmuntend," antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden heeft hij hersteld, maar 's konings moeder mist helaas nog altijd het gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet te bewegen haar eenigen raad te geven."

»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-, tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen, mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele inwendige samenstel van het lichaam [118]. Deze verordening heeft ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den vorm van lotusbloemen [119] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen, tot een geschenk voor de godin [120], te toonen. De priesters hebben mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen, dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?"

»Verlaat u daarop," verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u, dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken."

»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.

De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen [121]. Op het midden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.

Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, "mestem" [122] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.

De koningin Ladice [123], eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen [124]. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta [125], de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.

De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte [126]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.

»Wat ziet gij bleek, mijne dochter," sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja."

Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar 'de roos' zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven."

De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers [127] hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.

Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren [128]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.