Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 52
[458] Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen "draak van Amenthes" zijn oorsprong te danken.
[459] De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.
[460] Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.
[461] zie boven bl. 239.
[462] De Perzische kleuren.
[463] Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.
[464] Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.
[465] In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.
[466] Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.
[467] Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.
[468] Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.
[469] Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.
[470] Eene stad nabij het noordelijk einde van de Roode Zee.
[471] Zie boven blz. 197.
[472] Herodotus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes' dood.
[473] Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was.
[474] De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoem, wordt door de Turken Schamyele genoemd.
[475] De Apis zag er echter volgens de gedenkteekenen niet altijd eveneens uit. Op een Apis-standbeeld, dat Mariëtte liet uitgraven en thans te Parijs is, heeft men bovengenoemde kenteekenen gevonden, met zwarte verf op het lichaam geschilderd. Sommige bronzen Apis-beelden dragen den zonneschijf met den Uraeus-slang tusschen de hoornen.
[476] Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft Cambyzes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder licht te stellen.
[477] De sage van Niobe, welker zonen en dochters door de kinderen van Leto, Apollo en Artemis, werden gedood is bekend. De namelooze smart over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het origineel dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles.
[478] De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist.
[479] De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting leveren van zeven jongelieden en even zoo vele maagden. Toen deze schatting voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus, verslagen te hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in stilte op het eiland Naxos.
[480] zie boven bl. 9.
[481] De hoofddenkbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een idealen staat.
[482] Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: "Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood." Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.
[483] Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.
[484] Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw in zijne laatste oogenblikken.
[485] Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius Hystaspes.
[486] Zie boven blz. 263.
[487] De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.
[488] Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.
[489] Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de "Perzen" als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.
[490] Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.
[491] Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: "de door Ammon en Ra geliefde." Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao's.
[492] De eerste opstand, die uitbrak onder den door Cambyzes aangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius' dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.