Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 51
[331] Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verder Warda, Dl. II.
[332] De naam beteekent: palm.
[333] Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.
[334] Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.
[335] Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.
[336] Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.
[337] In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers in Warda laat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die in Warda zulk eene belangrijke rol vervult.
[338] De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: "Inrichting tot genezing der ziel", bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of "chef der boeken." Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.
[339] Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.
[340] zie boven bl. 182.
[341] 's Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, 's zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.
[342] Zie boven blz. 263.
[343] Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld in Warda, Dl. II.
[344] Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.
[345] Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.
[346] Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.
[347] zie boven bl. 24.
[348] Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.
[349] Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.
[350] Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.
[351] Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.
[352] Vgl. blz. 9.
[353] Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
[354] De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden haar voor, rijdende op een leeuw, of in gezelschap van leeuwen. Zij hield een tamboerijn in de hand, welk instrument ook bij hare luidruchtige feesten werd gebruikt. Daar zij de verpersoonlijking was van de voortbrengende natuurkracht, droeg ook hare vereering een wellustig karakter. Aan de Niobe-sage ligt de mythe van Cybele, d. i. de vruchtbare aarde, die in den herfst van hare kinderen wordt beroofd, ten grondslag.
[355] Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en Babylonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van Alyattes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650 voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in.
[356] De planeet Venus.
[357] Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste schijnt wel van Egyptischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker, dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende.
[358] Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed, gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds hebben begonnen. Het paleis van Susa was van tegels gebouwd, dat van Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was.
[359] Mei.
[360] Eene groote handelsstad in Phrygië.
[361] Zie boven blz. 36.
[362] Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te lokken, en liet hem daar kruisigen.
[363] Helden uit de Perzische sage.
[364] Zie boven blz. 193.
[365] Maart.
[366] Juli.
[367] Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem "den vader der geographie" kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef eene "Reis om de Wereld", die helaas, op kleine fragmenten na, verloren ging. Perzië en Egypte kende hij nauwkeurig.
[368] Zie boven blz. 296.
[369] Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens te Schiraz spelen.
[370] Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan het naakt.
[371] De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van een terpentijnboom eten.
[372] Mars.
[373] Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de bloesems van den sandix-boom werd geperst.
[374] Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een kompagnie 100. De Taxiarch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal bij ons. Een hekatontarch stond aan hoofd van een kompagnie. Een chiliarch was commandant van een regiment. Zij die later bij de Perzen de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks, na den koning.
[375] Zie blz. 101.
[376] In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.
[377] Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte hem dat hij zich althans niet in het luisteren had laten storen. "Ach," riep de man, "heeft de klok dan al geluid?!" En meteen liep hij op een drafje heen.
[378] Het snelle schip.
[379] Juno.
[380] De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette de myrten-markt.
[381] Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen (1 gulden 35 cts), en voor een paar lijsters, 1 drachme (9 stuivers) geven wil.
[382] Het mannenvertrek.
[383] De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders durfden zich niet op de markt vertoonen; gewoonlijk zonden zij hare slavinnen er heen.
[384] Zes centen.
[385] Zie boven blz. 75.
[386] Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.
[387] De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.
[388] Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude dagteekening.
[389] De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.
[390] Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.
[391] De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, en kreeg in drie dagen eten noch drinken.
[392] De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken, daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in het Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed op den rug duidt een reiziger aan.
[393] Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten, timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden, schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bild und Wort, Wilkinson e. a. kan men hiervan afbeeldingen vinden.
[394] Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters van weefsels.
[395] Het Egyptische bier, dat de Grieken 'zythos' noemden, was algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: 'hek'. Het verdient opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte, het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking heeft gebracht.
[396] zie boven bl. 110.
[397] Eene beroemde hetaere van Naucratis.
[398] Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte gewoonlijk opgehangen.
[399] Zie boven blz. 84.
[400] Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren, de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in opperpriesters, profeten, stolisten, die voor de godenbeelden en de offers moesten zorgen, vederdragers of schrijvers der hiëroglyphen, hiërogrammaten of wijzen, waartoe de horoscopen, astrologen, kalendermakers en teeken-uitleggers gerekend werden, de heilige vaders, waartoe ook de zangers behoorden, de priesters van lager orde, namelijk de pastophoren, taricheuten of balsemers, neokoren of tempeldienaars, enz.
[401] Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. II bl. 102.
[402] Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen, bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter en de zuster van een priester naar den tempel gaan om te bidden. Er waren in Egypte ook priesteressen.
[403] Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.
[404] Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf tot een drama. De schat van Ptolomaeus Philadelphus zou 740,000 Egyptische talenten, d.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen hebben. Doch misschien bedoelde men de gezamenlijke inkomsten van eene acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit 5400,000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel van Medinet-Haboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden.
[405] Een Egyptisch snareninstrument.
[406] De bijnaam "meesteres of beheerscheres der weegschaal" had zijn grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle doodenboeken eene voorstelling.
[407] zie boven bl. 29 en 31.
[408] Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.
[409] Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram:
Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe, Aan Dionysos, Eros en 't koor der Muzen toe.
[410] Anacreon was van Teos afkomstig.
[411] Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.
[412] Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort, zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboomen ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen tijd, in Opper-Egypte had geregend.
[413] De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen, die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren.
[414] Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: "Hymen, o Hymenaee."
[415] Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die haar geleidden droegen sierlijke gewaden.
[416] Sappho.
[417] De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest den God Hymen voorstellen.
[418] Dit gebruik bestond later ook te Rome.
[419] Zie boven blz. 145.
[420] Het schip heette naar de godin der gezondheid.
[421] zie boven bl. 145.
[422] Perzische lusthoven.
[423] zie boven bl. 165.
[424] In onze maand Maart.
[425] Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.
[426] Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.
[427] Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.
[428] Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.
[429] Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.
[430] Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.
[431] Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.
[432] Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers' Warda.
[433] zie boven bl. 213.
[434] Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.
[435] Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.
[436] Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers Warda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.
[437] Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.
[438] Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.
[439] Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.
[440] Ongeveer f 22.500.
[441] Zij was de gemalin van koning Battus III.
[442] In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.
[443] Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.
[444] Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.
[445] De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: "Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!"
[446] De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.
[447] Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.
[448] Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.
[449] De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.
[450] Zie boven blz. 75.
[451] Zie boven blz. 25.
[452] Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.
[453] Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. "Deze schouwspelen," zegt Herodotus, "moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën."
[454] De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.
[455] Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van den Horus-tempel te Edfoe.
[456] Door de Grieken Byblos genoemd.
[457] Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.