Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 50

Chapter 503,732 wordsPublic domain

[233] De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere zorg aan te leggen. Hunne voorliefde voor slanke gewassen ging zoo ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi, de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de menschelijke schoonheid dan het epitheton: "rank als eene cypres."

[234] De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadân, aan den voet van het Elwend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras.

[235] Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd dan aan den Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der gedenkteekenen. Wat de prachtige inrichting van het woonvertrek van Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus, e. a.

[236] Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen, die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter den boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene Amazonen-sage aangetroffen, gelijk o. a. blijkt uit eene afbeelding in het ethnografisch museum te Jena.

[237] In het Doodenboek (Zie Warda, Dl. II, bl. 3 v.) wordt eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig, omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig doodzonden niet heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren, m. a. w. zich voor berouw wachten.

[238] Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel "kostie" droeg, moest het zich een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en een geestelijk raadgever onder de Destûrs (priesters). Evenals vader en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze raadgever de geestelijke vader.

[239] De godin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde.

[240] Anâhita of Ardî-çûra heette de godin der bronnen, die vaak met de grieksche Aphrodite vergeleken is geworden. Uit de bron Anâhita stroomde al het water, dat zeer stellig een reinigende kracht bezat. Oorspronkelijk schijnt Anâhita wel eene Semietische godheid geweest te zijn, die met den vrouwelijken Perzischen water-genius werd samengesmolten. Haar vereering komt eerst onder Artaxerxes Mnemon voor.

[241] Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de Homerische godenwereld werd vervolgd.

[242] In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel.

[243] Januari tot April.

[244] De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.

[245] Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van "khshatra," heerschappij, en "pavan," beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.

[246] Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren van sterrenkundige berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.

[247] Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.

[248] De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette "het volkomene." Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: "vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag."

[249] Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.

[250] Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.

[251] Priester.

[252] Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.

[253] Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.

[254] In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.

[255] Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.

[256] In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den "kramer." Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.

[257] De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.

[258] Deze "Onsterfelijken" dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.

[259] De Urim en Thummim.

[260] Zie Esra, VI, 2-12. Zacharia, 1-8.

[261] Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.

[262] De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.

[263] Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

[264] Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.

[265] Een der noordelijke Cycladen.

[266] Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.

[267] Vgl. Schillers Ballade: "Der Ring des Polykrates." De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.

[268] Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.

[269] Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.--Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).

[270] De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijne Warda gebruik gemaakt.

[271] Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.

[272] De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.

[273] De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.

[274] De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.

[275] Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.

[276] De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.

[277] Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.

[278] Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.

[279] Deze naam beteekent: "uit het geslacht der Peri."

[280] De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.

[281] Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.

[282] Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

[283] Kamerheeren of ceremoniemeesters.

[284] Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.

[285] Zie boven blz. 11.

[286] De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.

[287] De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.

[288] Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.

[289] Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.

[290] De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.

[291] De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

[292] Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.

[293] Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.

[294] Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.

[295] Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

[296] Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen "de heilige" noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.

[297] Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl. Tiele, a. w. bl. 251 v.

[298] Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.

[299] Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.

[300] Zie boven blz. 92.

[301] Een booze geest, die de menschen doodt.

[302] Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.

[303] In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.

[304] Dit schoone gezang is ontleend aan het "Koningsboek" van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het "Zend-Avesta" een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.

[305] Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.

[306] zie boven bl. 59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.

[307] Naar een grafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.

[308] zie boven bl. 59.

[309] Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.

[310] Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, "het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel" geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.

[311] Ader bet. Maart.

[312] De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.

[313] In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.

[314] De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.

[315] 5400 gulden.

[316] Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.

[317] Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.

[318] Ongeveer 270,000 gulden.

[319] Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.

[320] Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

[321] Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.

[322] De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.

[323] Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.

[324] Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.

[325] Zie boven blz. 80.

[326] De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.

[327] Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.

[328] Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.

[329] Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.

[330] De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.