Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 49

Chapter 493,691 wordsPublic domain

[126] Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.

[127] Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.

[128] Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: "Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood."

[129] Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: "Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt."

[130] Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.

[131] Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.

[132] Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.

[133] Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p--tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.

[134] De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.

[135] Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: "Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was."

[136] Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers' Warda.

[137] De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.

[138] Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet "de almachtige verwoester." De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook "roode" genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.

[139] De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

[140] De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, Kunstgeschichte. I, 394.

[141] Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.

[142] Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang verbonden waren.

[143] De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het geloof der Egyptenaren de god Hor--Hoet (Horus) den booze en zijne medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger, dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.

[144] Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste ons bekende hiëratisch handschrift.

[145] Ethiopië.

[146] De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.

[147] Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar ook de pharao's zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden bewaard.

[148] In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.

[149] De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.

[150] Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena's en panthers vergeleken.

[151] Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in het 3de Boek.

[152] Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der duisternis en van het booze.

[153] Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor zijne Perzische gemalin Amytis.

[154] Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een "dragoman" rondgeleid.

[155] Zulke torentjes vindt men daar heden nog.

[156] De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.

[157] Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te Parijs voor als verdrijver der booze geesten.

[158] Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.

[159] Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder heilig.

[160] Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende koningen en de met hen verwante edelen.

[161] De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.

[162] Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.

[163] Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt; onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.

[164] Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg te roemen.

[165] Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke som.--Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.

[166] Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van den troon had meester gemaakt.

[167] Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine 45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer dan een stuiver.

[168] De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.

[169] De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.

[170] De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.

[171] Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden niet op de lippen te nemen.

[172] Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou hebben willen leven.

[173] Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.

[174] Naar eenige verzen van Theognis van Megara.

[175] Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het laatste couplet luidt:

Cytherea kuste 't wichtje. "Voelt ge," sprak zij, "zulk een smart, Enkel door eens bietjes angel, Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in 't hart!"

[176] In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende die deeg kneedt.

[177] Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.

[178] Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. "Twee Perzen," verhaalt Brugsch, "die voor hun leven een verbond van vriendschap met elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij hun voornemen, waarna zij zich als 'brader hâ of broeders' plechtig laten inzegenen."

[179] De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71 vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus, waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd, waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.

[180] Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.

[181] De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.

[182] In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.

[183] Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.

[184] Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.

[185] De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.

[186] Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.

[187] Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.

[188] Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.

[189] Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den "Faust"), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.

[190] Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.

[191] Bijnaam van Aphrodite (Venus).

[192] De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.

[193] Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.

[194] De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.

[195] Klaaglied.

[196] De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.

[197] Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.

[198] De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.

[199] Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.

[200] Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.

[201] Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.

[202] Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.

[203] Gesnedenen.

[204] Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.

[205] Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.

[206] Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.

[207] Het "moederlooze" getal heeft tot tien geen factor.

[208] zie boven bl. 24.

[209] Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.

[210] Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.

[211] Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.

[212] Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.

[213] De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.

[214] zie boven bl. 79.

[215] Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.

[216] Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.

[217] Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.

[218] Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.

[219] Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).

[220] Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken "Birs Nimroed," d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.

[221] Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.

[222] zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschichte Babyloniens und Assyriens Stuttgart.

[223] Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.

[224] De zonne- en lichtgod der Perzen.

[225] Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.

[226] Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.

[227] Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van "oog des konings". Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.

[228] Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.

[229] De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.

[230] Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.

[231] Volgens het boek Esther werd dit leerjaar besteed, om de vrouwen te onderwijzen in het gebruik van zalven, specerijen en welriekende oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is, dat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in de leer van Zoroaster.

[232] Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden "zara", gulden, en "thwistra" glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn vader heette Poroschasp, zijne moeder Dogdo. Hij beroemde zich van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is "hopeloos" donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg te verzekeren, dat de leer van Zoroaster vóor het tijdsbestek waarin deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie Tiele, De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der kon. Akad. v. wetensch. Afd. Letterk. Amst. 1867.