Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 48

Chapter 483,705 wordsPublic domain

[11] Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.

[12] Schikgodinnen.

[13] De hoofdmaaltijd, het "deipnon," werd door de Atheners eerst laat in den avond gebruikt.

[14] Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51-69.

[15] Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.

[16] Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, door de Grieken genoemd.

[17] Een geboren Samiër van adellijke familie.

[18] De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.

[19] Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.

[20] Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen haar naam kende.

[21] Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid, en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.

[22] Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer, voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige fragmenten bewaard gebleven.

[23] Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588-569.

[24] Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum te Leiden.

[25] Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.

[26] Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben daaraan veel ontleend.

[27] Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs gesticht.

[28] In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke opschriften en papyrussen blijkt.

[29] Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt van het bestuur.

[30] Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166-205.

[31] Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina, door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.

[32] Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000 gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen vindt men in de musea te Leiden.

[33] Eene soort van cither.

[34] Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom "kiki."

[35] Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, 28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.

[36] Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.

[37] beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk, en Wägner.

[38] Men herinnere zich Schillers lied. "Die Kraniche des Ibycus."

[39] Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet genoemd.

[40] Het onderkleed, een soort van hemd.

[41] Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere orakelspreuken.

[42] In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.

[43] Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.

[44] De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de verhouding van 2/5 tot 3/5. Het drinken van onvermengden wijn, behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.

[45] De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden er vele bewaard.

[46] De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand, die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.

[47] Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.

[48] Naam der Spartaansche slaven.

[49] Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met een soort van zeep (smegma).

[50] Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.

[51] Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes' zoon en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren (Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen hoogst verdienstelijk gemaakt.

[52] De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij den 5den Febr. 664 den troon besteeg.

[53] De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt, werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- en muizenoorlog.

[54] Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq, thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en de kraamvrouwen.

[55] Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: muis.

[56] Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.

[57] Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.

[58] Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op de rechters zou oefenen.

[59] Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis had gedragen, even schuldig als de dader.

[60] Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.

[61] Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.

[62] Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.

[63] Oostelijke haven van Corinthe.

[64] De Noordenwind.

[65] Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.

[66] Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon, nabij Athene een gedenkteeken oprichten.

[67] Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en Cimon behoorden tot de Philaïden.

[68] Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, welk recht in Kallias' familie erfelijk was.

[69] Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen liet oprichten.

[70] Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus in Andalusië.

[71] De Zwarte zee.

[72] Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal bij de Isthmische spelen.

[73] Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen tegenwoordig te zijn.

[74] Karthagers.

[75] Een offer van honderd ossen, een feestoffer.

[76] Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering, uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.

[77] De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.

[78] Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.

[79] Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.

[80] Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de opvoeding was toevertrouwd.

[81] Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug en huwde de dochter van Milon.

[82] Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar, wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.

[83] Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.

[84] Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.

[85] De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de gastmalen begeleiden.

[86] De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen, soms ook gemetseld in den vorm van eene 7-8 voet lange en 2-2 1/2 voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De matrassen en lakens werden daarop gelegd.

[87] De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.

[88] Hij was de eerste Grieksche denker, die zich "philosophos", vriend der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd in Egypte geweest.

[89] Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen, hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.

[90] Edelman.

[91] Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.

[92] Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van Apollo, den Python-dooder.

[93] Hades (Pluto), de god der onderwereld.

[94] Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had geherbergd.

[95] Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.

[96] Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen van Maria met het Christus-kind.

[97] Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte niet meer worden gekweekt.

[98] Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich daarmede het hoofd.

[99] De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven in de hand. "Waaierdragers" was de gewone titel der hofbeambten.

[100] In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.

[101] "Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte." (Ezechiël 27 vs. 7).

[102] De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische voorschriften ontleend.

[103] Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn modellen van Egyptische vaartuigen.

[104] Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya, Babylonisch Barzia.

[105] De kleuren van het Perzische koningshuis.

[106] Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.

[107] Om deze laarzen noemde het orakel Cresus "weekvoetig."

[108] De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der Egyptenaars, Seth.

[109] Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere kleur van den bodem.

[110] De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels, alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water worden overgegeven. Men legde dus dakhma's of begraafplaatsen aan, die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de vrije lucht hing.

[111] Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd.--De Ethiopiërs voerden later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka (Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.

[112] Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, 40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.

[113] Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.

[114] Titel van Amasis. Alle andere pharao's voerden dergelijke bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.

[115] Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis (Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn, om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis- en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland (oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd uit hare omzwerving terug te keeren.

[116] Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen, ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.

[117] Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere gedaanten aan de menschen te vertoonen.

[118] De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.

[119] De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden, zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van papyrus-schachten.

[120] Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van Syëne naar Saïs te brengen.

[121] Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.

[122] De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij "mestem" noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.

[123] Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: "de geëerde, de aangebedene."

[124] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.

[125] Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis' eerste vrouw geweest te zijn.