Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 45

Chapter 453,915 wordsPublic domain

Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep, dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid en vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De gedachte een sluipmoordenaar te zijn scheen hem onverdraaglijk. Zonder gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar altijd óf in een eerlijken strijd, óf voor het oog van de geheele wereld. Hij was koning, en wat hij deed was goed. Had hij met eigen hand Bartja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit den weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor hij den hoogsten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte, nu knaagde hem het berouw, dat hij tot nog toe nooit had gevoeld. Hij was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat hij altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billijk en recht was, verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams- en zielslijden. Zijn door het onmatig wijndrinken en de vallende ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder de menigvuldige heftige aandoeningen der laatste maanden. Nu eens verstijvende van koude, dan weer gloeiende van eene ondraaglijke hitte, was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen.

Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen, en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij het Egyptisch schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Nitetis te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Rillend van de koorts, en met een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweeglijke glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den invloed eener betoovering waande te verkeeren. Toch was het hem niet mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling kwam het hem voor, dat het beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke angst maakte zich van hem meester. Met kracht slingerde hij het kopje, dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunende op zijn bed neder.--Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid toe. Wakend droomende meende de ongelukkige den verbannen Phanes te zien, die een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Cresus, zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder dezelfde woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat de dampen daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren!"

En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken glimlach om de lippen, waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getroffen door dit heerlijk visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte, bedolf hij zijn hoofd in het brandend heete zand der woestijn, dan dompelde hij het in den Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon, die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet dag was. gelijk het naar hij meende, moest wezen, maar bijkans nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen.

Nu merkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene menschen bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe ontbrak. Na lang tevergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van den droom, en den droom van de werkelijkheid te onderscheiden, riep hij zijne aankleeders, en de andere hovelingen, die bij zijn opstaan tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dat hij weken lang met eene hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane, dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn, om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe krachten te ontwaken.

Vier dagen later was hij sterk genoeg, om in een leuningstoel te zitten, en Prexaspes betreffende de zaak, die zijn geest uitsluitend bezig hield, te ondervragen. De gezant wilde, met het oog op de zwakheid van zijn vorst, een ontwijkend antwoord geven; doch als Cambyzes zijne vermagerde hand dreigend ophief, en hem met den nog altijd straffen blik van zijn oog aanzag, aarzelde Prexaspes niet langer, maar zeide, in de meening dat hij den koning eene blijde tijding ging mededeelen: »Verheugt u, mijn vorst! De jongeling, die het waagde u den roem te betwisten, is niet meer. Deze hand versloeg hem, en begroef zijn lijk bij Baal-Zephon [470]. Niemand heeft het gezien, buiten het zand van de woestijn, en de onvruchtbare golven der Roode Zee; niemand weet er van, dan gij en ik, en de raven en zeemeeuwen, die om zijn graf zwerven!"

Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen, en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag de laatste van 's vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug.

Toen hij het ziekenvertrek weder mocht verlaten, en opnieuw kon rijden en den boog spannen, gaf hij zich, nog teugelloozer dan voorheen, aan het genot van den wijn over, en verloor zoo doende ook het laatste spoor van zijn vroegere macht om zich zelven te beheerschen. Buitendien had zich in zijn krank brein het denkbeeld genesteld, dat Bartja niet dood, maar in den boog van den koning van Ethiopië veranderd was, en dat de Feruer [471] van zijn overleden vader hem geboden had, hem door de onderwerping van het zwarte volk zijne vorige gestalte weder te geven. Deze gedachte, die hij aan ieder van de hem omringenden als een groot geheim mededeelde, vervolgde hem dag en nacht, en gunde hem rust nog duur, tot hij met een groot leger tegen Ethiopië was opgetrokken. Maar hij moest onverrichter zake terugkeeren, nadat het meerendeel zijner krijgsmacht, ten gevolge van hitte en van gebrek aan voedsel en water, een smadelijken dood had gevonden. Een schrijver, die bijkans tot zijne tijdgenoten behoorde, verhaalt [472], dat de ongelukkige soldaten, na alle mondvoorraad verteerd te hebben, lang van kruiden geleefd hadden. Doch nadat in de woestijn alle plantengroei had opgehouden, zouden zij, door wanhoop gedreven, hunne toevlucht hebben genomen tot een middel, dat de pen bijkans weigert te vermelden. Elke tien soldaten wierpen namelijk onderling het lot, en aten hem op, die op deze wijze ter slachting werd aangewezen. Toen het evenwel zoover gekomen was, dwong men den waanzinnige terug te keeren, om hem echter, zoodra men weder in bewoonde streken was gekomen, getrouw aan het slaafsche karakter der Aziaten, onvoorwaardelijk te gehoorzamen, ofschoon het wel voor niemand een geheim meer was dat 's konings verstand was gekrenkt.

Toen hij met het rampzalig overschot van zijn leger Memphis binnen trok hadden de Egyptenaren juist een nieuwen Apis gevonden en vierden nu, ter eere van de in het heilige dier verborgen en opnieuw verschenen godheid, een groot feest. Daar Cambyzes reeds te Thebe vernomen had, dat het leger, hetwelk hij tegen de oase van Ammon [473] in de Lybische woestijn had afgezonden door den woestijnwind [474] vernield was, en het krijgsvolk van de vloot, die Carthago voor hem veroveren moest, geweigerd had tegen hunne stamgenooten op te trekken, meende de koning, dat de Memphiten dit feest vierden uit blijdschap over zijn tegenspoed. Hij liet dus de aanzienlijksten uit de stad ontbieden, en vroeg hen waarom zij zich na zijne overwinning neerslachtig en weerbarstig, doch na zijne nederlaag uitgelaten vroolijk hadden getoond? De Memphiten verklaarden hem de oorzaak hunner feestvreugde, en verzekerden, dat de verschijning van den goddelijken stier telkens door gansch Egypte met feesten en optochten placht gevierd te worden. Cambyzes schold hen voor leugenaars, en veroordeelde hen ter dood.

Vervolgens liet hij de priesters komen, die hem hetzelfde antwoord gaven. Spottende met het bijgeloof van deze zijne onderdanen, wenschte hij kennis te maken met den nieuwen god, en gebood dat men dien voor hem zou brengen. De Apis werd voor den monarch geleid, die men mededeelde dat dit dier uit eene maagdelijke koe geboren was, door de aanraking van een straal der maan; hij moest zwart zijn, op het voorhoofd eene driehoekige witte vlek, op den rug het beeld van een arend, en op de zijde een wassende halve maan hebben. Zijn staart moest uit tweeërlei haar bestaan, terwijl aan zijne tong een uitwas zichtbaar moest zijn in de gedaante van den heiligen kever, scarabaeus [475].

Toen de goddelijke stier voor hem stond, en hij er niets buitengewoons aan kon ontdekken, werd Cambyzes woedend en stiet zijn zwaard in de zijde van het dier [476]. Toen hij het bloed zag stroomen en den Apis ter aarde storten, lachte hij zoo hard hij kon, en riep: »Gij dwazen! Uwe goden hebben alzoo vleesch en bloed, en laten zich straffeloos kwetsen! Voorwaar, zulk eene lafheid is uwer volkomen waardig. Maar gij zult ondervinden, dat ik mij niet ongestraft laat bespotten. Hei daar, trawanten! Geeselt deze priesters, en doodt allen die gij bij deze waanzinnige feestviering betrapt!" Men gehoorzaamde zijn bevel, en deed op deze wijze de woede en den wrok der Egyptenaren ten toppunt stijgen.

Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand tegen de Perzen. Deze opstand werd evenwel spoedig onderdrukt, en kostte den ongelukkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven.

De waanzin van Cambyzes had intusschen een anderen vorm aan genomen. Na de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een boog veranderde Bartja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele blik, die hem mishaagde, voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar de trawanten kenden hun heer, en wachtten zich wel de handen aan den grijsaard te slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen beloopen wegens het niet nakomen van 's konings bevelen ten dezen opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was, of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich over het behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen.

Het stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich als naar gewoonte een roes te hebben gedronken, wat de Perzen wel van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten het zwijgen op te leggen, liet hij dus geene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed op den ongelukkigen vorst uit te oefenen. Daarom antwoordde hij, dat het volk hem zeer prees, maar meende, dat hij zich aan den wijn wel wat te veel te buiten ging.

De waanzinnige ontstak door deze, op schertsenden toon uitgesprokene woorden in woedenden toorn, en zeide: »Zoo, zeggen de Perzen, dat de wijn mij het verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij zelven niet meer in staat zijn juist te oordeelen!" Dit zeggende spande hij zijn boog, mikte een oogenblik, en schoot den oudsten zoon van Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gaf hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich het monster, en lachende riep hij: »Nu ziet gij, Prexaspes, dat niet ik, maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo zeker zijn doel te treffen, als ik?"

Prexaspes stond als versteend, gelijk Niobe aan den Sipylus [477], toen hij bleek en roerloos dit ijzingwekkend tooneel aanschouwde. Zijne slaafsche ziel boog voor de almacht van den dwingeland; zijne vingeren omklemden niet, zelfs niet voor een oogenblik, het gevest van zijn dolk, om dien den onmensch in het hart te stooten. Ja, toen de dwaze vorst zijn vraag herhaalde, antwoordde de kruipende hoveling, de hand op zijn hart leggende: »Geen God had zekerder kunnen treffen!"

Weinige weken daarna vertrok de koning naar Saïs. Toen men hem daar de vertrekken zijner voormalige geliefde wees, rees de sedert lang onderdrukte gedachte aan haar met nieuwe kracht in zijne ziel op, en tegelijk herinnerde hij zich, dat Amasis hem en haar bedrogen had. Zonder zich de moeite te geven over de omstandigheden, die tot dat bedrog aanleiding hadden gegeven, na te denken, vloekte hij den overleden vorst, en liet zich woedend naar den tempel van Neith brengen, waar zijne mummie was bijgezet. Hij rukte het gebalsemde lijk uit de sarkophaag, deed het met roeden slaan, met naalden doorsteken, de haren uitrukken, kortom op allerlei wijzen mishandelen, en het eindelijk, in strijd met de godsdienstwet der Perzen, volgens welke de verontreiniging van het reine vuur door lijken eene doodzonde is, verbranden. De mummie van de eerste vrouw van Amasis, die te Thebe, hare vaderstad, was bijgezet, veroordeelde hij tot hetzelfde lot [478].

Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning, die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op 's konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van de driftige Atossa ten antwoord: »Het dappere dier, dat voor zijn broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken, door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden."

Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging, zulk eene onbegrensde verachting, dat hij die nimmermeer vergat, en het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw ontmoette, kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana te brengen. Araspes en Gyges ontvingen bevel, haar naar Perzië te geleiden.

De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen, en daar in het paleis der pharao's afgestegen. Tot deze stad had Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden haar vroeger zoo schoon gelaat; maar de smart had hare hooge, fiere gestalte toch niet kunnen krommen.

Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was; het onstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren waren bijzonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het verlies van Darius.

De jonge Griekin was, sedert het verdwijnen van haar echtvriend, geheel veranderd. Het rozenwaas was sinds lang van hare wang weggevaagd, de glimlach van geluk speelde niet meer om haar mond. Buitengemeen schoon, in weerwil van hare bleekheid, hare saamgetrokken wimpers en lustelooze houding, deed zij aan Ariadne denken, die de terugkomst van Theseus verbeidde [479]. Smachtend verlangen sprak uit den opslag harer oogen, uit den toon harer zachte stem, uit de statige langzaamheid van haar tred. Vernam zij het geluid van een driftig naderenden voetstap, werd er een deur haastig geopend, of liet zich plotseling een mannenstem hooren, dan ontroerde zij geweldig, rees ijlings op en luisterde, om onmiddellijk daarop teleurgesteld, maar toch nog niet zonder hope, weder te gaan zitten en te peinzen en te droomen, gelijk zij reeds als meisje zoo gaarne deed.

Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was 't alsof zij weder onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste te kort te doen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd, al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aan eene wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde meer voor haar had. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken: »Ach, waarom is het geen jongen? Die zou met iederen dag meer op zijn vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er zulk een zijn kon, vóór mij staan!" Maar dergelijke gedachten werden in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart, en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel.

Op zekeren dag had ook Atossa, getroffen door de gelijkenis van het kindeke op zijn vader, uitgeroepen: »Jammer, dat Parmys geen jongen is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus, over Perzië regeeren!" Weemoedig lachende stemde Sappho met hare schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane zeide: »Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter, dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven."

Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind te moeten scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst, en vond van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken.

De vriendschap van Atossa werkte allerheilzaamst op het gewonde hart der jonge weduwe. Met haar kon de bedroefde, zoo dikwijls en zoo lang zij wilde, over Bartja spreken, en altijd vond zij in haar eene geduldige en deelnemende toehoorderes. Want ook Atossa had den spoorloos verdwenen broeder zeer liefgehad. Maar zelfs een vreemde zou gaarne aan Sappho's vertellingen het oor hebben geleend. Want niet zelden nam zij een hooger vlucht, en scheen, als ze de herinneringen uit den bloeitijd van haar geluk in woorden kleedde, eene door de goden bezielde dichteres te zijn. En als zij het snarenspeeltuig greep, en de gloeiende, smachtende liederen van den Lesbischen zwaan [480], waarin zij hare eigene gewaarwordingen terugvond, met hare zuivere, zoo aandoenlijk klagende stem zong, dan was het haar of ze met den geliefde, te midden van de stilte van den nacht, onder welriekende jasmijn nederzat; dan vergat zij, door hare verbeelding weggesleept, voor een oogenblik de koude, droeve werkelijkheid geheel en al. En telkens, als zij het speeltuig nederlegde, om met een zucht zich aan het rijk der droomen te ontrukken, wischte Cassandane, schoon zij de Grieksche taal niet verstond, zich een traan uit het oog, en boog Atossa zich over haar heen, om haar voorhoofd te kussen.