Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 44
Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.
Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan 's konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!" Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.
Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing de scherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.
Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs hare kleindochter op te wachten.
Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys [464] droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes [465] met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos [466] die met verrassende juistheid de gedaante eener Nijlgans vertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde [467], had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen [468] bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.
Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, òf om haar krank hart te genezen, òf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.
Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.
Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.
Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.
Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd »goeden morgen" toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleine Parmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onophoudelijk in beweging hield.
Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, of zij u gelijkgeeft!"
Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.
De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?"
»Dat schijnt maar zoo," was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij 't hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!"
»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is," zeide Bartja. »Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, 't geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb."
En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en door die booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen."
»Waarachtig geluk," viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn."
»Deze woorden," antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethiopiërs mede te maken...."
»En ik," viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten!--De oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!"
Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.
Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen [469] te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,--aldus luidt 's konings bevel--dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van 's konings edele moeder, het veiligst zullen zijn."
Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta's armen sliep, een kort maar hartelijk afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.
Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hem en herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!"
»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten," antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.
»Dan mogen de goden hem beschermen!" riep Sappho, de geliefde hand van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.
En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao's uit.
Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Op den morgen van den dag, volgende op dien van Bartja's zegepraal, had Cambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad, dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam, zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk op den derden dag weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reeds gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gelijk hij nog nooit te voren gesidderd had, liet oogenblikkelijk den oudsten zoon van den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen, en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bartja verbonden waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij, dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten, zonder verzuim naar Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis, vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn, dat niet goed was.
Intusschen had Cambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in den tuin van het paleis der pharao's zijne moeder ontmoette, ontweek hij haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen.
Ook de volgende acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker, altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen, en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de zon op het punt was van onder te gaan, liet Cassandane hem verzoeken tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van de eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht te zien. Het was hem, als moest hare aanschouwing hem de verloren zielsrust wedergeven.
Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene teederheid, die te verrassender voor haar was, daar zij van hem zulk eene hartelijkheid niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde, en vernam nu, dat Bartja's vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar, dat Prexaspes aan haar echtgenoot het bevel had overgebracht, om naar Arabië te reizen, en haar, uit naam van Cassandane, had uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek en zag de schoone vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin gevoelde, dat er in den koning iets buitengewoons omging, en kon, door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht.
»Mijn echtgenoot zendt u dit!" zeide zij, op de in een kunstig bewerkt kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.--Rhodopis had haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja's naam, den vertoornden broeder aan te bieden.
Cambyzes gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen in te boezemen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenige woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteekenen, en verliet daarop oogenblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa te vragen, die hij geheel scheen te zijn vergeten. Hij had gedacht en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en tot kalmte brengen zou, maar Sappho's mededeelingen hadden hem de laatste hoop en voor altijd zijne rust ontnomen. Prexaspes moest den moord reeds begaan hebben, of kon ieder oogenblik, misschien op datzelfde tijdstip den dolk opheffen, om dien in de borst van den jongeling te stooten. Hoe zou hij na Bartja's dood voor zijne moeder durven verschijnen? Wat zou hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden?