Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 43

Chapter 433,820 wordsPublic domain

»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen [457] van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard [458].

»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde en den Amenthes [459] ontving."

Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.

»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is."

»Uw vermoeden is juist," antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de school te zullen klappen!"

»Zal ik u zeggen," vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op grond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal."

»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg," schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en Gorothman [460], of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!"

»Amenti wordt zij genoemd!" antwoordde Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven."

»Wel bedankt," antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil."

»Ik deel uw wensch," zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is."

»Gij blijft eeuwig jong!" viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!"

»Vergeef mij," riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt, dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is."

»Hij is zeer te beklagen!" antwoordde Darius. »Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met iedereen, zoodat hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: 'Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.'

»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vond men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke strychnos-sap [461] had hij een einde aan zijn leven gemaakt."

»Ongelukkige man!" riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten."

»Ik beklaag hem van harte!" zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus,--goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!"

De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt.--Ook ik ben gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten."

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.

De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog," zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringen hun gebied te vergrooten!" Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.

Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.

»Hebt gij niet," zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?"

Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!--Zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt.--Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voorzingen en zijn kind in slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!"

Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen [462]. Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.

Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.

Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten aanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, dezen boog te spannen!"

Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;--maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!"

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: »Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd.--Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketen gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken?"

»Geef hem den boog, Prexaspes!" antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.

Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!"

Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog [463].

De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!"

Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te verlaten, en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!"

Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!"

Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!"

Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogen komen; de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren...."