Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 41
Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.
Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.
»Toch heeft het orakel gelogen," mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!"
»Het orakel sprak de waarheid!" antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?
'Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen, Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.'
»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren."
»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!"
»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen."
»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn."
»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?"
»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk."
»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken."
»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!"
»Ongetwijfeld!"
»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!"
»Bidt gij?"
»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.--Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?"
De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven."
De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.
Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.
Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen [440], die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!"--Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.
Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer zuster Pheretime [441]. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng bewaakt, doch te gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.
Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd [442]. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat," zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes."
De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden."
»Maar u verboden," viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!"
Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien," riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!"
Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden."
»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!" riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt."
»Dat zal geschieden!" antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!"
Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!"
Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters geleid [443]. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.
Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.
Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?"
Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!"
Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.--Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard--dit zeggende wees hij op Cresus--u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed."
De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:
»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton [444], een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.
»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.--Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij--en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak--van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!--Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!"
Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond [445], toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aan dezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.
Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.
Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.
ZEVENDE HOOFDSTUK
De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming het paleis te Saïs had betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.
Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden der beide vrouwen vlochten.
»Het is bijkans niet te gelooven," zeide Bartja, »dat wij den stroom tegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water."
»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd verfrischt," antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond."
»En werken met verdubbelden ijver," liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen."
»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen," sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt."
»Zoo is het!" riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen."
»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en tweedrachtstokers te worden," merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze."
»O, dat de koning u hoorde spreken!" riep Cresus. »In plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen."
»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?" vroeg Rhodopis.
»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!"
»Arme Atossa!" fluisterde Sappho.
»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen," zeide Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk niets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw." [446]
»En ook in Perzië," merkte Darius aan, ofschoon hij niet het geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken."
»Om echter op den koning terug te komen," zeide Cresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten."
»En wat was het antwoord?" vroeg Rhodopis.