Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 39
Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.
»Vóór alle dingen," riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?"
»Ik denk het wel," antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar van de bruiloft? Ik geloof...."
»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend."
»Kom dan spoedig," riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen tijd nooit geweerlicht of gedonderd [412]."
»Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren," zeide de Athener lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag zorg dat er een zwart lam worde geofferd aan de goden der onderwereld [413]!"
In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor hem en zijne vrienden.
»Dat treft uitnemend!" riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en alles gereed te houden.--Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias, zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!"
»En mijne slaven?" vroeg Bartja.
»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip van Kallias te brengen," antwoordde Theopompus.
»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te volgen," hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.
Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek te doen."
»Ik raad wat het is," zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht, dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in, dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven."
»Als ik mij niet bedrieg," riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden over het gevaar dat hen bedreigt."
»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt," antwoordde Bartja, heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.
Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's, hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage, kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het, den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde, dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.--Men heeft mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken, waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is, en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat, dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien, ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat, dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te gaan?--Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias, eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.--Neem haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen, doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!--Dezen eed, edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg, zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's huwelijksfeest de hymenaeus [414] gezongen zal worden!"
Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van den jongen Pers. Daarop wendde zij zich tot de beide Hellenen, op wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide: »Dat was een stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd!--Ga, Melitta, en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de hand kunne reiken." [415]
»Spoed u!" riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres [416] niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.--Hier, slavinnen, verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: 'Zooals in het gebergte'. Ik speel voor fakkeldrager [417], eene waardigheid, die mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.--Hei daar, slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk bestrooien [418]. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig gehaald [419]?--Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening van het dak!--Ha! Ha!--Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan, meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen."
Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied van Sappho te zingen:
"Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;-- Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid verspeeld heeft, Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden. Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"
Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:
"Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte, Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;-- Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband knoopend, Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders. Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"
Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus" om dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen.
Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?" riep de dadoeche, zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel, en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!"
Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder, dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgdheid over het lot zijner vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had, zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.
De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht, tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich, om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal meer leven te geven.
De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend, voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing van het liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en zijne bevrijders voor den koningszoon.
Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen ontstellen, uitnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd door de oude Melitta, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia [420], het snelzeilend zeeschip van Kallias.
De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius, tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst, dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!"
»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus," riep de geredde, terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit ge mij hebt verlost!--Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel, dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij, vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven niet zal verbitteren.--Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die geschiedenis het leven verloor."
Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig keleusma of roeierslied, waarbij de triëraules met de fluit maat en toon aangaf [421]. Bartja en Sappho stonden op den achtersteven van het vaartuig, naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin, en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren, en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triëre met haar schuim bespatten.
ZESDE HOOFDSTUK.
Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.
Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen [422] en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevond zich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.
De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.
Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.
Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden [423]. Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijken zetel in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.
Na het nieuwjaarsfeest [424] moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.
»Gij weet," zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?"
De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen [425]; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!"
Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.
Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.
Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.