Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 38
Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum, dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt, en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.
Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!"
»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?" vroeg de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke bemerkende.
»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!"
Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?"
Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende: »Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid, en heb het niet gedroomd.--Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen, en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde op eene elpenbeenen nabla [405]. En in de lucht was er een geluid, zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder, wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben, dan.... dan.... O! Ach!--Moeder, ik sterf!"
Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.
Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed van haar echtvriend.
Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd waren geweest.
»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?" vroeg hij met eene heesche stem.
»Zij is te ziek, te lijdende om...."
»Zij is dood!--Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite, maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is de brief van Nebenchari?--Daar staat het: 'Zij benam zichzelve het leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u, zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit Babylon naar Egypte toe.'
»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft, zal u in de ure uws doods onder een talent wanhoop doen zuchten. Om Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen over Egypte komen. Het bericht, door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Cambyzes maakt zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht, en waarvoor ik mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik de zorgende vader, de weldoener van een groot volk geweest. Het verre nageslacht zal den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend koning, met eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te Thebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lezen, en van de grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin der waarheid, de meesteres der weegschaal [406], zal bevinden, dat het gewicht mijner goede daden dat mijner booze te boven gaat!"
De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk, dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet, hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen, die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst, Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had."
De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat komt?" vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten, maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid, het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als het dier?"
Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger, mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels, die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd, mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op 't hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees, dat gij ze met de linker zult aannemen.
»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te bereiken. 'Loop!' was het antwoord.--'Maar zeg mij eerst, hoe lang ik loopen moet om er te komen?'--'Loop! Loop maar!'--De reiziger meende, dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep de ander hem terug, en zeide: 'Gij zult een uur noodig hebben, om de stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden, voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!' »Aan deze fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade, om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon, ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren, en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden, de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,--Neithotep, ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!"
Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen, en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen, die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is, dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben, en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan, en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.
»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn van den staat in de waagschaal te stellen!
»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen; wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand, want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo; zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.
»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig, die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd; moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!--Roep thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!"
Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn, want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over onze zielen erbarmen!--Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien, als waart gij haar eigen kind.--Arme vrouw! Gij zult mij spoedig bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!--Breng mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite."
Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus [407], uit wiens mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De wakkere Athener was weinige uren te voren uit zijne vaderstad wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar, als hij iederen anderen bezoeker afwees.
De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen, doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen.
Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig heeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling, opzettelijk voor u doen maken. Hij noemt het barbiton [408] en weet het de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in het schimmenrijk zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan de Muzen, Eros en Dionysos wijdt [409], veel van u verhaald, en hem moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt, als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:
"Werd op Sipylos' gebergte, In den tijd van 't grijs verleên, Tot heur straf Amphion's gade, Niobé, verkeerd in steen; Is weleer Pandion's dochter, In 't onmeetlijk ruim der lucht, Als een vluggewiekte zwaluw, Theseus wrekend zwaard ontvlucht;-- Ik, ik wilde uw spiegel wezen, Opdat mij ten allen tijd', 't Harte door uw hemelsche oogen Werd gekoesterd en verblijd! 'k Wenschte steeds met heet verlangen, Dat ik u ten mantel wierd, Die u met zijn losse plooien Langs de blanke schoudren zwiert! Of ik zag mij gaarn veranderd, In het helder bronkristal, Dat, met oorenstreelend ruischen, Kronkelt door het lomrig dal, Opdat, als ge uw poezle leden Wascht in 't zilverspattend vocht, Ik, bij felle zomerhitte, Die verkoelen, streelen mocht! 'k Zag mij liever nog herschapen In den balsem, lieve maagd! Die er op uw vlechten druppelt, En u door zijn geur behaagt; In de paarlen, die er dartlen, Stoeien langs uw' elpen hals, Of in d'overkostbren gordel Van uw golvend boezemmalsch! Maar het liefste, dierbre schoone, Als mijn hart zijn wensch bezat, In uw schoentje, opdat gedurig Mij uw kleine voet betrad."
»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij is geweest?"
»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet nemen!"
»Allerminst met dezen!"
»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen kiest!"
»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!"
»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen, ook voor andere liederen dan die van den Teër [410] geschikt?"
»Zeer zeker! Neem het plektron [411] slechts, en beproef zelve eens de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat zwaar zijn."
»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne vrienden."
»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?"
»Ik geloof het niet."
»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd:
"Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren; Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon; Hij is door 't godendom ten lievling uitverkoren, Hij evenaart de goôn.
"Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen, En 't bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr; Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen, Vinde ik geen klanke meer.
"Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen, Een kil en machtloos zweet breekt me op 't voorhoofd door; Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen, En 't suist en ruischt me in 't oor.
"Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven, Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht; Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven, Weldra van 't levenslicht."
»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief, wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan, of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw geliefde zoo lang ophoudt."
»Niets, niet met al!" klonk op dit oogenblik eene heldere mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van den geliefden jongeling.