Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 37
Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus, Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met haar verloofd [390]. Syloson had op zich genomen, voor de zangers van het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten welgevallen. Syloson geleidde de vrienden tot aan het huis van Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn, en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel onbekende taal.
Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis, den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.
Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld, als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast even te spreken.
Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner, die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk, den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd, en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars, roovers!" in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen, dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn beroep op Theopompus de bende volgen.
Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van een moord met de doodstraf bedreigde [391]. Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder, den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.
»Hij heeft," hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander geval ben ik tot uw dienst."
Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra," riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij, zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot, wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!"
De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld, en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.
Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem nastarende vrienden verdwenen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen te verven, en breedgerande vilten hoeden [392] op te zetten, zoodat zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet Theopompus ze uiterst eenvoudige Grieksche kleederen aantrekken. Een uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij, eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had, te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.
Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken, wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in de andere deelen der stad wonende klanten [393]. Een vleeschhouwer slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren, terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers, schrijnwerkers en wevers [394] waren allen ijverig in de weer. De vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand, kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in het openbaar op de straat uitventte [395].
Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen, hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar Saïs was overgebracht.
»Zeker heb ik van hem gehoord!" luidde het antwoord. »Nauwelijks een half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen Egypte?"
»Dat is niet mogelijk!"
»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam, is dit bericht het eerst tot ons overgekomen."
»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen, als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden, dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!"
Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij, Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond [396], vriend, wij zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat dunkt u, zoudt gij dan Archidike [397] en de drie bloemenmeisjes niet bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?"
»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper...."
»En deed zijn belager den grond kussen?"
»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan."
»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!"
»Hij had een zwaard bij zich."
»Des te beter voor hem."
»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar."
»Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje bij in, als iemand die aan de galg [398] hangt te spartelen. In allen gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben, om zijne oploopendheid te betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken."
»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik ken zijn vader."
»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander zou doen, die hart in 't lijf heeft. 't Is toch van niemand te vergen, dat hij zich gedwee zal laten afranselen."
»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?"
»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen."
»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten niet mogelijk zijn te ontsnappen?"
»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als de kwikstaarten!"
»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne uitnoodiging!"
De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in de grootste spanning aanhoorden.
Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat, en sterk als een beer. Ik heb een plan!"
»Laat hooren!" zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat ook ik nog niet wanhoop."
»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren, waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen, schiet den pijl met het bindgaren in het venster,--ik heb nog nooit mijn doel gemist,--roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op, slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht, klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet, over den muur, springt in de boot, en is gered!"
»Heerlijk, heerlijk!"
»Maar zeer gewaagd!" sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten, waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het bosch [399] zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk ver van de gevangenis verwijderd."
»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!" riep Darius. »Maar denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de tijding van Cambyzes' krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen, want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!"
Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.
Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend, en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande vilten hoed van 't hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en te offeren.
Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen, openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren [400], die eene gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel, waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum [401], welks klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade, de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch minder kostbare kleeding [402]. Dan verscheen de kroonprins in rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel, door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.
Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen, en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg voor Bartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan, zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.
Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar: »Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?"
»Ik ben het," antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!"
Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond, bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop, dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in hooge mate begon te trekken.
Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren, waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.
Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende de heete zomerdagen, door bladplanten [403] en een bij wijze van tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van daar kon zij het groote, met boomen beplante voorhof van het paleis overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te leven had waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot, in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte daar beneden verhandeld werd.
Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur, zijn onvermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!" zeide een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiërs!" riep een krijgsoverste. »En altijd was hij er op uit onze tempels te verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar toekomt!" liet een zanger van Neith er op volgen. »Hoe minzaam en genadig was hij!" prevelde een hoveling. »Hoe behendig wist hij het aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden!" zeide de overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit zijn oog pinkte, uitriep: »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed gevuld als op den huidigen dag [404]!"--»Psamtik heeft eene groote erfenis te wachten," fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman uitriep: »Het is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig den wil der priesters."--»Gij dwaalt," antwoordde de zanger; »sinds geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe dienaren in den wind te slaan!"--»Den opvolger van zulk een vader zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij hem het geval was!"--»Dat weten de goden!" mompelde de krijgsman.
Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen.