Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 33
Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken, niet is opgewassen.--Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!"
Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener.
Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.
»Welken oorlog?" vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.
»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen," antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, o koning?"
»Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.
»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen."
»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!"
»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!"
»Gij maakt mij nieuwsgierig."
»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd, die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt."
Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.
»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind van Amasis te zijn. Zij..."
»Maar dat is onmogelijk!"
»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!"
Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: »Verder! Verder! Ik moet meer weten!"
»De onttroonde koning had twintig jaren [346] lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht [347], eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwe van Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter.--Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen [348] van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen."
»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren."
Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 's mans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijden opperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard [349]. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.
De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!"
Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.
»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren."
Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.
»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?"
»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonste en liefste kind toevertrouwde."
»Dat schreef hij, ja!"
»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zusterenpaar," zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!"
»Zeer zeker!" liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!"--De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: 'Vader, denk aan Phanes!' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had."
»Aan Phanes?"
»Ja mijn koning," antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten."
»Verhaal mij ook dit geval!"
»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra...." Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken."
Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth [350] werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken.--Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen [351], zoo hebben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten."
Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.--Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden."
Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?"
»Nebenchari," antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!"
De oogarts keek somber voor zich.
Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?"
Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.
»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik."
»Ik weet niet, of.... Inderdaad...."
»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?"
»Ja, mijn koning; maar..."
»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet te veel?"
»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!"
»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?"
»Ja--mijn vorst."
»En gij liet mij in mijne dwaling?"
»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed..."
»De eed is heilig!--Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!"
»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huidigen dag."
»Hoezoo?"
»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken."
»Gij spreekt in raadselen."
»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland."
Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van Egypte voor u is bestemd."
»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!" riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken."
»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten."
»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!"
»Heil den koning!" riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.
Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.
»Hebt gij wel bedacht, Helleen," begon de laatste, »welk een fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?"
»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht."
»Gij vergeet de door hartstocht verblinden."
»Tot dezen behoor ik niet."
»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten."
»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht."
»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland."
»Dat weet ik...."
»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!"
»Dit ben ik niet met u eens."
»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der middelzee?"
»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan, en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen."
»Altemaal droomen!"
»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!"
»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden!"
»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te...."
»Hij liet hem dooden?"
»Gij zegt het."
»En uw tweede kind?"
»Het meisje is thans nog in zijne macht."
»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt...."
»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!"
»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak."
Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad! Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst."
»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te bezingen [352]?"
»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten."
»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan.--Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?"
»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden."
»Was hij aanstonds daartoe bereid?"
»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen."
»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te raden op zijne hoede te zijn."
»Wij zullen dit den koning verzoeken."
»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit."
»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?"
»Omtrent vijftien duizend [353]."
»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts éen maaltijd daags houden!"
DERDE HOOFDSTUK.
Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten, wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden, spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.